id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.060 Rolnummer: A. 167187/XII-4560 Zaak: Arrest 151060 - - 08/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-14 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-03 04:10 Fiche Arrest nr 151.060 van 8 november 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.060 van 8 november 2005 in de zaak A. 167.187/XII-4560. In zake : Ben VANLOOK, die woonplaats kiest bij advocaat K. Geelen, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 16 Midden-Limburg, die woonplaats kiest bij advocaat G. Van den Eynde, kantoor houdende te Geel, Diestseweg 155. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ben Vanlook op 26 oktober 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 17 oktober 2005 van de delibererende klassenraad waarbij aan hem een C-attest wordt toegekend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies; Gelet op de beschikking van 26 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2005, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Wauters, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. Cauwenberghs, die loco advocaat G. Van den Eynde verschijnt voor de verwerende partij; XII-4560-1/15 Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Voorgaanden 1. Overwegende dat de feiten dienstig voor de beoordeling van de vordering tot schorsing de volgende zijn : Verzoeker volgt tijdens het schooljaar 2004-2005 het tweede jaar van de derde graad ASO latijn-moderne talen aan het koninklijk atheneum 1 te Hasselt. De examens van juni leveren hem twee tekorten op, voor wiskunde en voor natuurwetenschappen. Voor diezelfde vakken heeft hij ook jaartekorten. De delibererende klassenraad beslist dat verzoeker bijkomende proeven moet afleggen voor wiskunde en natuurwetenschappen, met als motivering: “zware tekorten op jaarbasis”. Op 25 augustus 2005 legt verzoeker de bijkomende proef natuurwetenschappen af. Hij behaalt 63%. Op 26 augustus 2005 legt verzoeker de bijkomende proef wiskunde af. Hij zal vier vragen beantwoord hebben, wanneer de toezichthoudende leerkracht vaststelt dat op de hand van verzoeker een en ander geschreven staat. De leraar zal hierover later op de dag de volgende geschreven verklaring afleggen : “Spieken. Formule van het Binomium van Newton stond op zijn hand geschreven. Hij zegt dat hij deze formule niet kan onthouden! Ben vraagt wat de gevolgen zijn : antwoord : fraude ! Ben zegt dat verder werken dus geen zin heeft en geeft zijn papieren af.”. Ook diezelfde dag noteert de directrice van de school wat volgt : “De vader van B. Vanlook was op school aanwezig met een opdracht vanuit de scholengroep. Hij ontving tijdens ons onderhoud een telefonische oproep die hij opnam. XII-4560-2/15 Na zijn telefonisch onderhoud gaf hij me zijn GSM door met de melding dat dit me aanbelangde. Mevr. Vanlook meldde me dat haar zoon haar zonet gebeld had, Ben was tijdens het examen wiskunde met een formule in de binnenkant van zijn hand betrapt. Aan de heer Vanlook werd gevraagd of hij zijn zoon telefonisch kon bereiken om Ben te vragen om onmiddellijk naar mijn lokaal te komen. De vader vertrok, Ben werd gevraagd om zich in gang te zetten voor mijn lokaal. Ik ben naar het examenlokaal gegaan om uitleg van de toezichthoudende leerkracht. (zie verklaring leerkracht). Terug op mijn bureel vroeg Ben of zijn ouders kwaad waren. Ik heb Ben gevraagd zijn hand aan de binnenkant laten zien. Hij vertelde me dat hij vergeten was dat die gegevens nog aan de binnenkant van zijn hand stonden. Hij had dat erin gezet om na te kijken. Op mijn vragen wanneer hij dat in zijn hand had geschreven en waarom dat niet weg gewassen kreeg ik geen echt antwoord. Ben bleef maar vertellen over het feit dat hij zijn ouders weer eens ontgoocheld had en dat het erg was om door die stommiteit van hem zijn jaar te moeten overdoen”; De leerkracht wiskunde ten slotte verklaart nog dat het binomium van Newton “behoorde tot de te kennen leerstof voor deze bijkomende proef”. Na het gebeuren richten de ouders van verzoeker zich op 28 augustus 2005 schriftelijk tot de leden van de klassenraad. In die brief, die volgens de verwerende partij is voorgelezen tijdens de deliberatie van 30 augustus 2005, betogen zij omstandig, onder meer, “dat het om een geheugensteuntje gaat, dat hij de avond voor het examen in zijn hand schreef en dat hij niet of onvoldoende heeft afgewassen”, dat behalve de gewraakte formule, op zijn hand ook aantekeningen stonden geschreven waarmee hij toch niets kon aanvangen: “opp”, “verd”, “d en I” en “formules!”, dat dit het overzicht was van de lesonderdelen die hij nog wou nakijken de ochtend van het examen, dat verzoeker dit vergeefs heeft pogen uit te leggen aan de surveillant, wat leerlingen kunnen bevestigen, dat niet is vastgesteld dat hun zoon spiekte, dat de surveillant, “die zelfs geen deel uitmaakt van de delibererende klassenraad”, “uitspraken [doet] waardoor Ben denkt dat hij zijn examens niet verder mag afwerken”, dat de attestering de autonome bevoegdheid is van de delibererende klassenraad, dat die zich moet laten leiden door de resultaten van proeven, dat Ben onheus is beïnvloed, door te horen “je hebt in ieder geval nul”, om vroegtijdig af te geven, dat dit de correcte besluitvorming van de delibererende klassenraad bemoeilijkt, dat verzoeker een moeilijk schooljaar achter de rug heeft, dat hij op het eindexamen niettemin serieuze inspanningen deed, dat om redelijkheid verzocht mag worden. XII-4560-3/15 De delibererende klassenraad neemt op 30 augustus 2005 de beslissing om verzoeker te beschouwen als niet geslaagd en om hem een oriënteringsattest C te verlenen, met als “mededeling” : “Bijkomende proeven: niet geslaagd Reden . cfr gesprek klastitularis en directeur”. De directrice beslist, na overleg met de ouders, om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Op 6 september 2005 handhaaft de delibererende klassenraad het attest. Verzoeker tekent bezwaar aan tegen deze beslissing. De beroepscommissie hoort verzoeker, zijn ouders en hun raadsman op 15 september 2005. Het college van directeurs, “[r]ekening houdend met het onderzoek van de beroepscommissie”, beslist op 19 september 2005 “om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen”. Bij arrest nr. 149.871 van 6 oktober 2005 beveelt de Raad van State de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 19 september 2005 van het college van directeurs van de scholengroep 16 van het Gemeenschapsonderwijs, om de over Ben Vanlook delibererende klassenraad van het tweede jaar van de derde graad van het koninklijk atheneum 1 te Hasselt niet opnieuw samen te roepen. Ingevolge dit arrest beslist het college van directeurs op 13 oktober 2005 om de beslissing van 19 september 2005 in te trekken. Het college beveelt de delibererende klassenraad aan om een nieuwe beslissing te nemen rekening houdende met voormeld arrest. Op 17 oktober 2005 neemt de delibererende klassenraad de thans bestreden beslissing, die luidt : “Op vrijdag 26.08.2005 heeft Ben Vanlook zich aangeboden op de uitgestelde proef wiskunde. Deze proef bestond uit twee delen. Toen de toezichthoudende leerkracht (wiskunde) kwam informeren of hij het eerste deel had afgewerkt (overige leerlingen waren reeds aan het tweede deel bezig), gesticuleerde Ben, waarbij de toezichthoudende leerkracht wiskunde vaststelde dat er iets op de binnenkant van Ben zijn hand geschreven stond. Ben probeerde XII-4560-4/15 nog tevergeefs de formule te verbergen met zijn duim. De leerkracht herkende de formule (binomium van Newton), die tot de leerstof behoorde en die duidelijk en helemaal uitgeschreven op zijn hand stond, naast andere aantekeningen in tekstvorm of als afkortingen genoteerd. Ben reageerde hierop door te zeggen Ben vroeg wat de gevolgen zijn. Het antwoord : Kort nadien is Ben uit eigen beweging zijn examenkopij gaan afgeven met de opmerking Nazicht van de door Ben binnengeleverde kopij door zijn leerkracht wiskunde leverde cijfermatig 15/70 op. (vraag 1 : 3/8; vraag 2 : 2/6; vraag 3 : 5/6; vraag 4 : 0/4; vraag 5 : 2/10; vraag 6 : 0/10; vraag 7 : 0/10; vraag 8 : 3/6; vraag 9 : 0/10 - vraag 9 werd niet beantwoord). De delibererende klassenraad oordeelt dat het hier gaat om fraude. De delibererende klassenraad oordeelt unaniem en autonoom dat het ongeoorloofd in het bezit hebben of ongeoorloofd gebruiken van informatie die tot de leerstof van de betrokken persoon behoort, als fraude wordt beschouwd. De klassenraad stelt bovendien vast dat deze formule in wiskundige vorm volledig uitgeschreven werd (overige in tekstvorm en afgekort), hetgeen zijn intentie tot het gebruik ervan bevestigt. De delibererende klassenraad is van oordeel dat het niet terzake is of deze formule daadwerkelijk kon gebruikt worden. Geen enkele leerling kan immers vooraf weten welke vragen er zullen gesteld worden op de proef. De delibererende klassenraad beslist dat dergelijke laakbare handeling resulteert in een nul voor de bijkomende proef van het betreffende vak (wiskunde). Dit element wordt toegevoegd aan het geheel van de deliberatiegegevens die hierop volgen : - Levensbeschouwelijk vak : eerste trimester : nooit betrokken bij de les, geen aandacht in de les, map nooit in orde, wat resulteerde in onvoldoende resultaten voor DW 1 en Ex 1. Na Kerstmis is de studiehouding verbeterd en voldeden de resultaten. - Nederlands : voldoet cijfermatig, maar gebrek aan stiptheid, studiehouding, aandacht en inzet. (zie bijlage 1a+b : nota’s in agenda op 18.11.04 en 07.12.04) - Frans : voldoende in cijferresultaten, maar een negatieve studiehouding, zelden in orde met zijn zaken, hetgeen resulteerde in een onvoldoende voor examen 1. - Engels : Ben werkt duidelijk onder zijn mogelijkheden wegens een verregaande slordigheid, het vaak niet in orde zijn met voorbereidingen (7 voorbereidingen niet gemaakt) en met taken (2 van de 3 projecten niet afgegeven). Ben voldoet cijfermatig maar heeft geen goede studiehouding. - Wiskunde : Voor geen enkel rapport een voldoende resultaat. Jaargemiddelde : 35,6% en nul voor de bijkomende proef. Gedurende heel het schooljaar onvoldoende voor elke aangekondigde toets (zie bijlage 2). Onwettig afwezig op een toets wiskunde voor DW 3 (zie bijlage 3). In cijferresultaten uitgedrukt ziet de evolutie er als volgt uit : DW 1 : 4/10; DW 2 : 3/10; DW 3 : 2/10; Ex 1 : 42/100; ex 2 : 38/100. Van een positieve evolutie is zeker geen sprake. Ben kreeg dan ook een uitgestelde proef wiskunde waarvoor hij niet voldeed. De leerling heeft de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen niet bereikt, gezien alle bovenstaande argumenten. - Geschiedenis : Voldoet - Aardrijkskunde : Leerkracht gewettigd afwezig. - Natuurwetenschappen : DW 1 : 7/10; DW 2 : 1,5/10; DW 3 : 4,5/10; Ex 1 : 35/100; Ex 2 : 47/100 XII-4560-5/15 De leerling voldoet voor bijna geen enkele rapportperiode en kreeg een uitgestelde proef waarvoor gij voldeed met 63%. - Toegepaste informatica : Zwakke resultaten, maar voldoende op jaarbasis. - Lichamelijke opvoeding : Goed - Duits : Voldoet, maar onwettig afwezig op 15.10.2004 (zie bijlage 1c, nota in agenda) - Latijn : Goed De totale evaluatie van Ben in cijfers uitgedrukt (zie bijlage 4) De delibererende klassenraad besluit unaniem en autonoom dat : 1) alle remediëring die bestond uit :
- a)Ouders persoonlijk uitgenodigd voor het eerste oudercontact van 29.10.2004. Dit resulteerde in een gesprek van meer dan een uur van heel de klassenraad met de ouders en leidde tot concrete afspraken : - schriften in orde brengen die door de leerkrachten op volledigheid zouden gecontroleerd worden - voorbereidingen zouden worden gecontroleerd - extra controle van alle leerkrachten op stiptheid
- b)Aan de ouders werd aangeraden om externe hulp in te roepen gezien de problemen voor bepaalde vakken
- c)Herhaalde malen werden de ouders telefonisch uitgenodigd voor een gesprek, dat dan ook plaatsvond. Contact via zijn agenda was immers vaak niet mogelijk, gezien hij het dikwijls niet bij zich had. Steeds werden de ouders erop gewezen dat er serieuze inspanningen moesten geleverd worden en dat zijn studiehouding dringend moest verbeteren, hetgeen de ouders ook telkens beaamden. weinig resultaat heeft opgeleverd want zijn studiehouding verbeterde niet of nauwelijks. De bewijzen hiervoor zijn :
- a)Schriften werden zelfs na herhaalde verzoeken zelden of nooit ter controle aangeboden. (zie bijlage 1f en 1f bis)
- b)Zijn agenda kon moeilijk gecontroleerd worden want die had hij zelden of nooit bij zich (zie bijlage 1d en 1dbis en 1e)
- c)Hij onttrok zich aan een test wiskunde op 26.04.2005 door zich op de toiletten te verbergen (verslag zie bijlage 3 -test zie bijlage 5). Dit resulteerde in een nul voor deze test
- d)De verslagen van de klassenraden (zie bijlage 6a en 6b) 2) De delibererende klassenraad besluit unaniem en autonoom dat de doelstellingen die in het leerplan werden opgenomen niet in voldoende mate werden bereikt en aldus niet voldaan werd voor het geheel van de vorming van het betreffende jaar en dat de betrokken leerling niet bekwaam wordt geacht om zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs. Besluit: C-attest”. Nog diezelfde dag wordt de beslissing, samen met twee begeleidende brieven waarin de klassenraad repliceert op de eerdere bezwaarschriften van de ouders, aan verzoeker bezorgd; De ontvankelijkheid en het voorwerp van de vordering 2. Overwegende dat verzoeker blijkbaar veiligheidshalve tegen de bestreden beslissing ook opnieuw bezwaar heeft aangetekend bij de beroeps- commissie; dat de beroepscommissie echter haar bevoegdheid lijkt te hebben uitgeput XII-4560-6/15 wanneer zij het resultaat van haar onderzoek op 15 september 2005 aan de algemeen directeur heeft meegedeeld; dat het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna : organisatiebesluit) niet in een nieuwe interne beroepsprocedure lijkt te voorzien tegen een beslissing van een delibererende klassenraad die op last van het college van directeurs opnieuw is samengeroepen; Overwegende dat immers de beslissing van het college van directeurs van 19 september 2005, om de delibererende klassenraad níet opnieuw samen te roepen, formeel en uitdrukkelijk lijkt te zijn ingetrokken, en vervangen lijkt door een nieuwe beslissing waarbij het college ditmaal besluit, overeenkomstig artikel 73, tweede lid, van het organisatiebesluit (“de inrichtende macht [beslist] of de delibererende klassenraad wel of niet opnieuw dient samen te komen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing”) om de delibererende klassenraad wél opnieuw samen te roepen, zodat de daarop volgende nieuwe beslissing van de delibererende klassenraad van 17 oktober 2005 de “definitieve beslissing ten aanzien van de betrokken leerling” is, bedoeld in artikel 74 van het organisatiebesluit; dat de strekking van een “definitieve” beslissing is: binnen het Gemeenschapsonderwijs staan er geen beroepsmogelijkheden meer tegen open; dat de Raad dienvolgens mét de nota van verwerende partij vaststelt “dat nodeloos tegelijkertijd twee procedures gevolgd worden”; dat de verwerende partij ter terechtzitting overigens verduidelijkt geenszins de ontvankelijkheid van de vordering te betwisten; De schorsingsvoorwaarden 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4. Overwegende, wat de eerste en de derde voorwaarde betreft, dat verzoeker in essentie wijst op het dreigende verlies van een schooljaar; dat de verwerende partij in de nota uitdrukkelijk stelt niet te betwisten dat deze voorwaarden vervuld zijn; dat ook de Raad daartoe geen reden ziet; XII-4560-7/15 5. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker een eerste middel put uit de schending van de artikelen 5, § 1 en 8, 37 en 38 van het organisatiebesluit, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waarvan hij in het bijzonder noemt het materieel motiveringsbeginsel, het redelijkheids-beginsel, het fair-playbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheids-beginsel; dat hij het middel toelicht in drie onderdelen die hij als volgt omschrijft: “het examen werd ten onrechte afgebroken”, “de bestreden beslissing oordeelt ten onrechte dat er sprake is van fraude” en “zelfs bij bewijs van fraude mag dit niet leiden tot een 0 voor de betrokken proef”; 5.1. Overwegende, wat het tweede middelonderdeel betreft, dat verzoeker argumenteert : fraude bestaat uit twee elementen, namelijk “een materiële gedraging die toelaat dat het examenresultaat op een positieve wijze wordt beïnvloed en anderzijds een intentioneel element, m.n. de wil om te frauderen”; de klassenraad gaat voorbij aan twee verklaringen, namelijk die van hemzelf -dat hij de “reminder” op zijn hand was vergeten af te vegen- en die van de directrice -aan wie hij spontaan verklaarde vergeten te zijn dat er gegevens stonden aan de binnenkant van zijn hand; de klassenraad voegt thans nieuwe feiten toe (“verbergen met de duim”) die niet gedocumenteerd werden; de formule was onbruikbaar voor het betrokken examen; 5.2. Overwegende dat verzoeker niet betwist zich voor een examen wiskunde te hebben aangeboden met een formule op de hand uitgeschreven, die behoorde tot de voor de desbetreffende proef te kennen leerstof; dat verwerende partij niet betwist dat die formule volgens verzoeker enkel als geheugensteuntje bedoeld was, en dat hij vergeten was om ze af te vegen; dat verzoeker nog steeds “geen echt antwoord” heeft kunnen geven, net zomin als hij dat op 26 augustus 2005 aan de directrice kon, op de vraag waarom ze niet weg gewassen was, behalve dan “dat hij [het] vergeten was”; dat voorts de toezichthoudende leraar op 14 oktober 2005 over het gebeuren een aanvullende verklaring heeft neergeschreven, die aan de klassenraad is voorgelegd; dat hij in die verklaring onder meer preciseert dat verzoeker “probeerde de formule met zijn duim te bedekken”; dat zowel de surveillant als de directeur de locatie van de formule bovenaan in zijn handpalm bevestigen; Overwegende dat de Raad van State het uitgangspunt van verzoeker niet bijvalt; dat in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat de delibererende klassenraad binnen de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid blijft XII-4560-8/15 om op basis van de hem voorgelegde feiten te oordelen dat verzoeker informatie die tot de leerstof van de betrokken proef behoort in zijn bezit had op het ogenblik van het examen, dat zulks ongeoorloofd is en dat het als examenfraude wordt beschouwd, zonder dat het ter zake doet of de formule daadwerkelijk gebruikt kon worden; dat het voor verzoeker streng is, maar met geen enkele van de door hem aangevoerde regels of beginselen strijdig lijkt, om met het oog op een eerlijk en regelmatig verloop van een examen de verantwoordelijkheid bij de leerling te plaatsen, zich er van te vergewissen, vooraleer hij zich in een examenlokaal aanbiedt voor het afleggen van een proef, dat hij slechts de toegelaten hulpmiddelen bij zich heeft; dat een klassenraad die bij een deliberatie deze zienswijze huldigt, het dan prima facie zonder belang mag achten of er bij die leerling een daadwerkelijk opzet was om te spieken, dan wel een verregaande mate van onachtzaamheid; dat het in die gedachtegang eveneens zonder belang lijkt of de formule daadwerkelijk gebruikt werd bij het beantwoorden van een examenvraag, of zelfs maar kon gebruikt worden; dat het tweede middelonderdeel niet ernstig is; 5.3. Overwegende dat verzoeker in een derde middelonderdeel argumenteert dat de klassenraad niet motiveert waarom voor de betrokken proef geen punten worden gegeven en meent, minstens door zijn gedeeltelijk nog gegeven antwoorden, aan te tonen dat hij niet compleet onkundig was zodat een quotering “0” “in elk geval onredelijk” is en als sanctie onevenredig tot de feiten staat; 5.4. Overwegende dat verzoeker moeilijk kan betwisten, niet te weten waarom hij voor de bijkomende proef geen punten heeft gekregen; dat, volledigheidshalve, de Raad ook vaststelt dat verzoeker niet kan betogen door de klassenraad verschalkt te zijn geworden, nu uit het schoolreglement maar al te duidelijk naar voren komt dat de school in alle omstandigheden op eerlijkheid is gesteld en zij met gestrengheid tegenover spieken optreedt; dat de delibererende klassenraad in de bestreden beslissing zijn beweegreden niet wegsteekt, waar hij fraude vaststelt en “dergelijke laakbare handeling” in een nul doet resulteren; Overwegende dat een andere vraag is, of “in alle redelijkheid geen 0-conclusie mogelijk [is]”, zoals verzoeker het in dit middelonderdeel ook beweert; dat het evenwel niet onwettig lijkt om aan te nemen dat fraude op een examen het vermoeden wekt van of gelijk gesteld wordt met complete onkunde van de frauderende student, en in een nul resulteert; dat de Raad in de huidige stand van de procedure aanneemt dat het bij vastgestelde fraude een nul-quotering toekennen nog XII-4560-9/15 behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de klassenraad, aangezien een leerling die een onregelmatig examen aflegt het door eigen toedoen aan de klassenraad onmogelijk lijkt te maken om op een deugdelijke wijze zijn kennis en kunde te testen; dat het niet is omdat een klassenraad binnen zijn discretionaire bevoegdheid ook anders kon oordelen -bij voorbeeld rekening houden met de partieel gegeven antwoorden of zelfs een nieuwe proef inrichten- dat hij daartoe ook verplicht is, of dat de meest strenge beslissing ipso facto het redelijkheidsbeginsel schendt; dat verzoeker het “onredelijke” karakter of de onevenredigheid ervan prima facie niet aantoont; Overwegende dat het middelonderdeel niet ernstig is; 5.5. Overwegende dat verzoeker in het eerste middelonderdeel zijn bijkomende proef “ten onrechte afgebroken” noemt; dat volgens hem de surveillant hem niet heeft aangespoord om het examen af te werken, zelfs heeft te kennen gegeven dat verder werken geen zin had en er niet voor heeft gezorgd dat de delibererende klassenraad volledig geïnformeerd werd over zijn kennis en kunde, door de zogenaamd verboden informatie te verwijderen en hem nieuwe documenten ter beschikking te stellen om het examen verder af te werken; 5.6. Overwegende dat verwerende partij de voorstelling die verzoeker geeft aan de feiten betwist; dat de Raad evenwel prima facie vaststelt dat het middelonderdeel in de omstandigheden van de zaak niet tot nietigverklaring kan leiden; dat immers bij de bespreking van het tweede en het derde middelonderdeel is gebleken dat verzoeker vooralsnog niet aantoont dat de delibererende klassenraad onwettig handelt door hem een nul te geven als quotering op basis van hetgeen is voorgevallen; dat het dan zonder belang lijkt of hij zijn examen nog verder moest kunnen afwerken en welk aandeel de surveillant had bij het stopzetten ervan; dat het middelonderdeel dienvolgens niet ernstig is; 6.1. Overwegende dat verzoeker een tweede middel put uit de schending van de artikelen 5, § 8, 37 en 38 van het organisatiebesluit en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “meer in het bijzonder het materieel motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het fair-play beginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel”; dat hij in een eerste en tweede middelonderdeel, samen genomen, argumenteert dat uit de bestreden beslissing niet blijkt waarom hem een C-attest moest worden toegekend, dat enkel XII-4560-10/15 een korte beschrijving per vak de elementen weergeeft die de klassenraad meent van belang te zijn bij de deliberatiebeslissing, maar dat een overmatig gewicht daarbij wordt toegekend aan een beweerde negatieve studiehouding en geen melding wordt gemaakt van duidelijk positieve beoordelingselementen; dat verzoeker toelicht dat de klassenraad op grond van de aangevoerde bepalingen moet onderzoeken of de leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht om zijn studies in het volgende leerjaar verder te zetten, dat hij die beoordeling niet in de bestreden beslissing terugvindt, dat “op een uitzonderlijke manier” verder wordt gegaan dan de cijfermatige beoordeling, dat de studiehouding nooit het overwegende element mag zijn, maar wel de cijfers, dat in het negatieve wordt overdreven, dat voor een aantal vakken de punten goed zijn zonder meer, dat de opmerkingen omtrent de studiehouding zich op twee uitzonderingen na allemaal situeren in het eerste trimester terwijl uitdrukkelijk vermeld wordt dat na nieuwjaar verbetering optreedt; Overwegende dat verwerende partij in de nota de bestreden beslissing citeert en voorts op het middel in zijn geheel repliceert als volgt : “De Raad van State kan zich niet in de plaats stellen van de delibererende klassenraad voor de beoordeling van examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, vermits het aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken. De Raad van State kan verzoeker dus niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen. Een strenge beslissing wordt door de betrokken leerling allicht als onredelijk ervaren. Een beoordeling door de delibererende klassenraad kan door de Raad van State echter niet voor onwettig gehouden worden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze tot stand is kunnen komen, waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen. De genomen beslissing is wettig. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bij de beoordeling van de attitude van de leerling kan er rekening gehouden worden met de wijze waarop hij zich in het afgelopen jaar gedragen heeft. Dit is dan niet met de bedoeling om hem voor dat gedrag te bestraffen, maar om een beslissing te nemen over zijn bekwaamheid om naar het volgend jaar over te gaan. Dat ook rekening gehouden wordt me[t] de studiehouding en de leerattitude blijkt uit het studiereglement.”; 6.2. Overwegende dat verzoeker in de hier besproken middel- onderdelen niet de (on-)redelijkheid van de beslissing uitwerkt, maar wel de schending van de aangevoerde bepalingen van het organisatiebesluit en van het materieel motiveringsbeginsel; dat bijgevolg eerst de vraag aan de orde is of voor de bestreden beslissing in het licht van de aangevoerde bepalingen en beginselen een toelaatbaar motief voorhanden is; dat de Raad van State in dat verband herinnert aan XII-4560-11/15 hetgeen hij over de opdracht van de delibererende klassenraad heeft geschreven in het arrest nr. 149.871 van 6 oktober 2005, en wat thans ook zijn belang behoudt : “Overwegende dat de delibererende klassenraad, wat het gewoon secundair onderwijs betreft, zijn bevoegdheid ontleent aan artikel 6quater van de schoolpactwet van 29 mei 1959; dat die bepaling hem aanwijst integendeel leert dat, onverminderd het voor deze zaak niet relevante artikel 56, - resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen; - de resultaten van de geïntegreerde proef; - de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad’; Overwegende dat uit de vermelde bepalingen volgt, zo lijkt, dat de delibererende klassenraad op grond van zijn opdracht en werking over een autonome en ruime discretionaire bevoegdheid beschikt bij de beoordeling van de leerling, maar dat hij zich hierbij wel dient te steunen op alle relevante concrete gegevens van het dossier waarbij, onder meer, de volledige resultaten van alle proeven, toetsen of examens en de evolutie zoals die door alle leerkrachten als begeleidende klassenraad gedurende een volledig schooljaar is ervaren; dat de resultaten behaald voor andere vakken bijgevolg niet buiten beschouwing mogen blijven; dat dit niet anders is wanneer de delibererende klassenraad zijn beslissing met toepassing van artikel 37, § 2, van het organisatiebesluit uitstelt om een leerling bijkomende proeven te laten afleggen, zij het dat in zo een geval de resultaten voor die proeven ook een gegeven van het dossier worden; dat het behaalde resultaat op de bijkomende proeven echter slechts één element van het dossier betreft;”; XII-4560-12/15 6.3. Overwegende dat de delibererende klassenraad, anders dan in zijn beslissing van 6 september 2005, in de thans bestreden beslissing de resultaten overloopt die verzoeker heeft behaald voor alle vakken; Overwegende dat de Raad van State vaststelt : voor het levensbeschouwelijk vak “voldeden de resultaten”, voor Nederlands “voldoet cijfermatig”, voor Frans “voldoende in cijferresultaten”, voor Engels “voldoet cijfermatig”, voor Wiskunde “nul voor de bijkomende proef”, voor Geschiedenis “voldoet”, voor Aardrijkskunde “Leerkracht gewettigd afwezig”, voor Natuurwetenschappen “voldeed met 63%” op de uitgestelde proef, voor Toegepaste Informatica “voldoende op jaarbasis”, voor Lichamelijke Opvoeding “Goed”, voor Duits “Voldoet” en voor Latijn “Goed”; dat, met andere woorden, verzoeker voor alle vakken behalve wiskunde voldoende tot goede cijfers behaalt en dus op het eerste gezicht, behalve voor wiskunde, vak per vak geslaagd moet worden verklaard; Overwegende dat, om toch te besluiten “dat de doelstellingen die in het leerplan werden opgenomen niet in voldoende mate werden bereikt”, de klassenraad bijgevolg in wezen gesteund heeft op de studiehouding van verzoeker, waaromtrent hij immers opmerkingen maakt bij de vakken levensbeschouwelijk vak, Nederlands, Frans, Engels, wiskunde en Duits en hij nader ingaat op de remediëring tijdens het jaar; Overwegende dat verwerende partij evenwel geen bepaling uit een toepasselijk leerplan aanwijst waaruit blijkt dát, noch hoé “studiehouding” als doelstelling er in is opgenomen; dat zij leerplannen zelfs niet heeft neergelegd in het administratief dossier; dat de Raad dan ook niet kan beoordelen welke plaats voor studiehouding is gereserveerd in het leerplan; dat hij enkel kennis kan nemen van het schoolreglement, dat door de verwerende partij is overgelegd; Overwegende, louter op grond van het schoolreglement, dat een negatieve studiehouding van verzoeker door de verwerende partij op het eerste gezicht niet rechtmatig in rekening wordt gebracht; dat de Raad immers in de bestreden beslissing leest dat voor het levensbeschouwelijk vak de studiehouding na Kerstmis is verbeterd en dat voor Duits slechts één ongewettigde afwezigheid wordt genoteerd, op 15 oktober 2004 en voorts, in het algemeen, verwerende partij niet hoort tegenspreken dat de negatieve studiehouding van verzoeker vooral in het eerste trimester te situeren was en na nieuwjaar grotendeels verbeterde; dat het XII-4560-13/15 studiereglement van de school nochtans bij “deliberatie” (blz. 32) niet “de studiehouding”, maar wel “de evolutie van de studiehouding” noteert als in aanmerking te nemen element; dat die passus ook op een ander punt verzoeker gelijk lijkt te geven, namelijk dat de (evolutie van
- de)studiehouding slechts een aanvullend element mag zijn bij de beoordeling, die immers gebeurt “op basis van het cijfermateriaal [...] indien opportuun aangevuld met [...] de evolutie van de studiehouding [...]”; dat voorts de punten van dagelijks werk blijkens het studiereglement, blz. 30, “de weergave [is] van een permanente evaluatie en slaat zowel op het kennen als op het kunnen, als op de attitudes”; dat, met andere woorden, een negatieve studiehouding reeds verdisconteerd lijkt te zijn in de cijfermatige resultaten van het dagelijks werk; dat de Raad alzo vaststelt dat de negatieve studiehouding voor Frans alleszins reeds “resulteerde in een onvoldoende voor examen 1” en de afwezigheden voor wiskunde in onvoldoendes voor dagelijks werk voor dit vak; Overwegende dat in het schoolreglement weliswaar “veel belang gehecht [wordt] aan de studiehouding”, maar dat evenzo in de tweede en derde graad “er meer waarde gehecht [wordt] aan de examens dan aan het dagelijks werk”, en “meer waarde aan [de] eindproef” (blz. 32); Overwegende dat het studiereglement specifiek over de evaluatie van het gedrag van een leerling nog vermeldt (blz. 30): “Indien [het gedrag en de houding] over gans het schooljaar onvoldoende zijn, zal de school je niet meer inschrijven voor het volgend schooljaar”; Overwegende dat, met het schoolreglement voor ogen, een leerling dan ook zou mogen verwachten voor zijn gedrag gesanctioneerd te worden, eensdeels, in de punten voor dagelijks werk, of, anderdeels, met eventuele tuchtprocedures; dat, voor zover de studiehouding daarnaast en daarenboven ook in aanmerking wordt genomen voor de eindbeoordeling, dit prima facie als element niet zoals te dezen doorslaggevend of uitsluitend als beweegreden kan dienen, maar enkel om andere motieven aan te vullen of te versterken; Overwegende dat de Raad, de voorgaande beschouwingen voor ogen houdend, in de bestreden beslissing in de huidige stand van de rechtspleging geen motief ziet dat een beslissing over het al dan niet bereiken door verzoeker van XII-4560-14/15 de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, afdoende vermag te dragen; dat de besproken middelonderdelen ernstig zijn; 7. Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 17 oktober 2005 van de delibererende klassenraad van het koninklijk atheneum 1 te Hasselt, waarbij aan Ben Vanlook een oriënteringsattest C wordt afgeleverd. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht november 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-4560-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.060 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.156.358 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div