← België

Arrest 151065 - - 08/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.065 Rolnummer: A. 139342/XIV-16002 Zaak: Arrest 151065 - - 08/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 04:11 Fiche Arrest nr 151.065 van 8 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.065 van 8 november 2005 in de zaak A. 139.342/XIV-16.

  1. In zake :
  2. XXX
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, August Reyerslaan 41, bus 8 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 maart 1978, en XXX, geboren op 21 januari 1979, beiden van Kosovaarse nationaliteit, op 18 juli 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 juni 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 2 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 20 juni 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 1 september 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag dd. 20 mei 2005 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, overgemaakt aan de bevoegde kamer op 25 mei 2005; XIV-16.002-1/7 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 september 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. MANDELBLAT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché E. VISSERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De verzoekende partijen komen België binnen op 12 februari 2000 en verklaren zich vluchteling op 16 februari
  6. 1.
  7. Op 2 augustus 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 18 juni 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissingen. Dit zijn de thans bestreden beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van Senad SACIRI, is als volgt gemotiveerd: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Rom-zigeuner afkomstig uit Kosovo, meerbepaald uit Mitrovica. Sinds juni 1999 zou uw vader vermist zijn. In juni 1999 zouden vijf personen van het UCK (Kosovaars Bevrijdingsleger) naar uw huis zijn gekomen en u en uw familie opgedragen hebben Kosovo te verlaten. De volgende dag zouden weerom drie of vier (andere) UCK-leden naar uw huis zijn gekomen en jullie gezegd hebben Kosovo te verlaten, zoniet zouden ze jullie vermoorden. U en uw broer E. zouden al eerder vertrokken zijn naar een vriend van uw vader en daar gewacht hebben op de rest van de familie. De volgende dag zouden jullie samen naar Zvecan vertrokken zijn en daar één maand in een sporthal verbleven hebben. Daarna zouden jullie naar Podgorica (Montenegro) gegaan zijn, waar jullie een huis zouden hebben gehuurd. Na anderhalve maand zou uw broer E. met zijn gezin vertrokken zijn naar België. U en de rest van de familie zouden pas na zes maanden uit Podgorica vertrokken zijn richting Italië. Na twee weken in Italië verbleven te hebben, zijn jullie vertrokken naar België. Op 16 XIV-16.002-2/7 februari 2000 hebt u in België asiel aangevraagd. U bent in het bezit van uw Joegoslavisch paspoort (dd. 18/09/1997). B. Motivering U heeft geen feiten of elementen aangebracht waaruit zou kunnen blijken dat u Servië- Montenegro uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie heeft verlaten of dat u alsnog een dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar daar. U kon immers gedurende zes maanden in Podgorica (Montenegro) verblijven zonder problemen in de zin van de Geneefse Conventie. U kende er noch met de bevolking, noch met de autoriteiten problemen en u vertrok alleen omdat ook uw broer uit Montenegro wegging (verhoorverslag p. 6). C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van I. S., is als volgt gemotiveerd: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Rom-zigeuner afkomstig uit Kosovo, meerbepaald uit Kosovska Mitrovica. Sinds 1999 zou u niets meer gehoord hebben van uw schoonvader. In 1999 zouden tien leden van het UCK (Kosovaars Bevrijdingsleger) u en uw schoonfamilie komen zeggen zijn dat jullie moesten vertrekken uit Kosovo of dat ze jullie anders zouden vermoorden. De volgende dag zouden opnieuw zes UCK-leden zijn langskomen en jullie gezegd hebben te vertrekken uit Kosovo. Daarop zou u met de hele familie naar Zvecan gegaan zijn waar jullie één maand zouden verbleven hebben. Daarna zouden jullie naar Podgorica (Montenegro) gegaan zijn. Na er vijf of zes dagen in een huis verbleven te hebben, zijn jullie naar Italië vertrokken. Uw schoonbroer Esad en zijn gezin zouden vroeger naar België vertrokken zijn. Na zeven dagen in een kamp in Italië te hebben verbleven, zijn jullie vertrokken richting België waar u op 16 februari 2000 asiel heeft aangevraagd. B. Motivering U heeft geen feiten of elementen aangebracht waaruit zou kunnen blijken dat u (de) Servië- Montenegro uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie heeft verlaten of dat u alsnog een dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar daar. Ondanks het feit dat u bij uw laatste gehoor in dringend beroep verklaarde slechts 5 à 6 dagen in Montenegro te hebben verbleven, dient gewezen te worden op uw eerdere verklaringen (Dienst Vreemdelingenzaken en Commissariaat-generaal d.d. 08/11/2000, p.3-4) dat u gedurende drie maanden in Montenegro bleef. Ook uw echtgenoot en schoonmoeder hebben verklaard samen met u gedurende meerdere maanden in Montenegro te hebben gewoond. Bovendien verklaarde u uitdrukkelijk in Montenegro geen problemen te hebben gekend, noch met de bevolking noch met de autoriteiten en er enkel vertrokken te zijn omdat ook andere Roma daar weggingen (verhoorverslag d.d. 15/10/2002 p. 5). C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
  9. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van het “beginsel van behoorlijk bestuur”, de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel; XIV-16.002-3/7 Overwegende dat de verzoekende partijen aanvoeren dat zij wel degelijk vluchtelingen zijn in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), en elementen aanbrengen die duiden op het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in hun land van herkomst; dat de verzoekende partijen stellen dat de beslissingen luidens dewelke zij mogen worden teruggeleid naar de grens van het land dat ze ontvlucht zijn, zonder dat duidelijk is of dit niet een terugleiding naar Kosovo met zich zal meebrengen, een schending is van het refoulement-verbod, zijnde een beginsel van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partijen uiteenzetten dat zowel de Minister van Binnenlandse Zaken als de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen volledig voorbijgegaan zijn aan het feit dat de verzoekende partijen behoren tot de Rom-gemeenschap uit Kosovo, zijnde een minderheid die actueel nog bedreigd wordt door de Kosovaarse Albanezen; dat de verzoekende partijen aanvoeren dat de Commissaris-generaal onzorgvuldig en in strijd met de redelijkheid is opgetreden door louter op basis van drie maanden precair verblijf van de verzoekende partijen in Montenegro, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf te nemen; dat de verzoekende partijen stellen dat de Commissaris-generaal zich beroept op de algemene verklaringen van de verzoekende partijen dat zij noch met de bevolking, noch met de autoriteiten problemen hebben gehad in de drie maanden verblijf, terwijl alle Roms vertrokken, waaruit blijkt dat de Roms geen bescherming genoten van de autoriteiten, noch van de bevolking; dat de verzoekende partijen tenslotte uiteenzetten dat beslissingen tevens onzorgvuldig zijn, waar het duidelijk is dat zij afkomstig zijn uit Kosovo en behoren tot de minderheid van de Rom-gemeenschap, terwijl in de bestreden beslissingen ten onrechte “Servië en Montenegro” als nationaliteit staat vermeld, terwijl dit Kosovo dient te zijn; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat: - er dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen geen feiten of elementen hebben aangebracht waaruit zou kunnen blijken dat zij Servië-Montenegro hebben verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, of dat zij alsnog XIV-16.002-4/7 een dergelijke vrees dienen te hebben bij een eventuele terugkeer naar daar; dat verzoekster gedurende minstens drie maanden in Podgerica (Montenegro) heeft verbleven zonder problemen te ondervinden in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de verzoekende partijen er noch met de bevolking, noch met de autoriteiten problemen kenden, en dat zij enkel zijn vertrokken, omdat ook andere Roma er weggingen, wat verzoeker betreft, en omdat haar broer wegging, wat verzoekster betreft; Overwegende dat de verzoekende partijen, in een eerste onderdeel van het eerste middel, een schending inroepen van het non-refoulement beginsel; dat artikel 33 van de Vluchtelingenconventie een verbod tot uitzetting of terugleiding inhoudt dat enkel betrekking heeft op beslissingen op grond waarvan de vreemdeling, die zich vluchteling heeft verklaard of als dusdanig is erkend, verplicht zou worden naar zijn land van herkomst terug te keren; dat erkende vluchtelingen en kandidaat-vluchtelingen zich eveneens dienen te beroepen op artikel 56 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partijen dit artikel niet hebben ingeroepen zodat de schending van voormeld artikel 33 niet dienstig kan worden aangevoerd; dat de verzoekende partijen bovendien niet als vluchteling werden erkend en dat de asielprocedure definitief werd afgesloten, zodat zij geen aanspraak kunnen maken op de bescherming van artikel 33 van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat waar de verzoekende partijen aanvoeren dat de Commissaris-generaal ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie hebben, het niet behoort tot de bevoegdheid van de Raad van State om zich in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid; dat een algemene verwijzing in het middel naar de toestand van de Rom-zigeuners geenszins volstaat om aan te tonen dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot zijn besluit is gekomen dat de asielaanvraag van de verzoekende partijen kennelijk ongegrond is; dat de verzoekende partijen niet met concrete gegevens aantonen dat de bestreden beslissingen van de Commissaris-generaal niet op goede gronden berusten; Overwegende dat waar de verzoekende partijen, in een tweede onderdeel van het eerste middel, aanvoeren dat de bestreden beslissingen een foutieve nationaliteit vermelden, ongeacht of dit al dan niet een materiële fout uitmaakt, deze vergissingen geen afbreuk doen aan de wettigheid van de bestreden beslissingen, vermits uit de beslissingen duidelijk blijkt dat de Commissaris-generaal kennis heeft van de werkelijke nationaliteit van de verzoekende partijen; dat dit geen weerslag heeft op de inhoud van de bestreden beslissingen; Overwegende dat het eerste middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending aanvoeren van de materiële motiveringsplicht; XIV-16.002-5/7 Overwegende dat de verzoekende partijen aanvoeren dat de motivering onaanvaardbaar en dubbelzinnig is waar de bestreden beslissingen overwegen dat de nationaliteit van de verzoekende partijen “Servië en Montenegro” zou zijn; dat de verzoekende partijen stellen dat zij afkomstig zijn uit Kosovo en daar door de Albanese meerderheid vervolgd worden in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de verzoekende partijen uiteenzetten dat de Commissaris-generaal onnauwkeurig en onaanvaardbaar is tewerk gegaan, en dat hij zich in zijn weigeringsbeslissingen niet kan beroepen op de algemene verklaringen van de verzoekende partijen, dat zij noch met de bevolking, noch met de autoriteiten problemen hebben gehad tijdens hun drie maanden durend verblijf in Montenegro; dat de verzoekende partijen betogen dat de motivering onaanvaardbaar is aangezien uit hun verklaringen blijkt dat alle Roms uit Montenegro vertrokken, hetgeen aantoont dat er sprake was van een precair verblijf, en dat zij geen bescherming genoten van de autoriteiten, noch van de bevolking; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissingen te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit de verzoek- schriften blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partijen bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat uit de analyse van de bestreden beslissingen blijkt dat in een eerste deel de feiten nauwkeurig worden weergegeven, die resulteren uit de neerslag van de verklaringen van de verzoekende partijen tijdens hun verhoor op het Commissariaat- generaal; dat de verklaringen in een tweede deel op objectieve wijze in de globale context van de asielaanvragen worden onderzocht; dat dit zorgvuldig onderzoek de Commissaris- generaal ertoe heeft gebracht te besluiten dat de asielaanvragen van de verzoekende partijen kennelijk ongegrond zijn en dit om de motieven vermeld in de bestreden beslissingen die worden weergegeven in de analyse van het eerste middel; dat uit de analyse van het eerste middel reeds is gebleken dat de Commissaris-generaal wel degelijk rekening heeft gehouden met alle relevante elementen ter staving van de asielaanvragen van de verzoekende partijen; Overwegende dat uit de analyse van de bestreden beslissingen blijkt dat deze in overeenstemming zijn met de wetsbepalingen betreffende de motivering van bestuurshandelingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermelden die eraan ten grondslag liggen; dat de gegeven motivering de bestreden beslissingen kan dragen en bijgevolg afdoende zijn gemotiveerd; XIV-16.002-6/7 Overwegende dat het tweede middel ongegrond is;
  11. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aange- voerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht november tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-16.002-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.