← België

Arrest 151115 - - 09/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.115 Rolnummer: A. 125059/XIV-11185 Zaak: Arrest 151115 - - 09/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-03 04:17 Fiche Arrest nr 151.115 van 9 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.115 van 9 november 2005 in de zaak A. 125.059/XIV-11.185. In zake : XXX, wonende te 2200 HERENTALS, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Sierra Leoonse nationaliteit, op 7 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 1 juli 2002 waarbij zijn aanvraag om machtiging tot verblijf wordt geweigerd; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 13 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 29 juni 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 september 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.185-1/7 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die persoonlijk verschijnt, van zijn Advocaat A. NAVASARTIAN, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, van Sierra Leoonse nationaliteit, dient op 11 februari 2001 een asielaanvraag in, nadat hij aan de grenscontrole te Zaventem werd onderschept met valse documenten. 1.2. De asielprocedure werd op 8 januari 2002 afgesloten met een beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, houdende weigering van een erkenning als vluchteling; het beroep tegen deze beslissing werd bij ’s Raads arrest nr. 114.424 van 14 januari 2003 verworpen. 1.3. Op 25 februari 2002 dient verzoeker bij de burgemeester van Herentals een aanvraag in om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, § 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. 1.4. Op 1 juli 2002 wordt deze aanvraag geweigerd. De bestreden beslissing steunt op volgende redengeving: “(...) Redenen: De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden. Het feit dat betrokkene Nederlandse les volgt en zich(

  1. t)heeft ingeschreven als werkzoekende is niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. Betrokkene wist dat zijn verblijf in België van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van zijn asielaanvraag. Hij wist dat hij bij een eventuele negatieve beslissing het land diende te verlaten. De problemen in zijn land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen doordat de Vaste Beroepscommissie (VBC) op 08/01/2002 besliste hem niet als politiek XIV-11.185-2/7 vluchteling te erkennen (kennisgeving op 24/01/2002). Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Verder dient te worden opgemerkt dat betrokkene de Belgische overheid trachtte te misleiden bij het betreden van het Belgisch grondgebied. Zo legde hij bij binnenkomst een Guinees paspoort en Sabena-ticket op naam van Toure Alhassane voor en werd hij hiermee in de transitzone binnengelaten. Bij de daaropvolgende grenscontrole vroeg hij asiel aan met een Sierra Leoonse identiteitskaart op naam van Bangura Ibrahim (cfr. de beslissing van de VBC en het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen). Uit deze beslissing blijkt tevens dat 'uw vrees voor vervolging' verder dient te worden gerelativeerd aangezien betrokkene vrijwillig(
  2. e)terugkeerde naar Sierra Leone en er eind 2000 - begin 2001 twee maanden verbleef. Daarom kan hem geen bevoorrecht regime worden toegestaan. Bijgevolg dient betrokkene dringend het Belgisch grondgebied te verlaten.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Enige middel : Schending van de artikelen 1, 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de schending van het artikel 9§3 van de wet van 15 december 1980. Deze artikelen luiden als volgt: Artikel 1, 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen: “Artikel 1 : Voor de toepassing van deze wet moeten worden verstaan onder: - Bestuurshandeling: De eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur; - Bestuur: De administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; - Bestuurde : Elke natuurlijke of rechtspersoon in zijn betrekkingen met het bestuur. Artikel 2 : De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Artikel 3 : De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.” Teneinde als afdoende beschouwd te kunnen worden dient de motivatie steun te vinden in het administratief dossier en alle elementen die ter kennis van de administratie werden gebracht in overweging te nemen. Artikel 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen: “Artikel 62 : De administratieve beslissingen worden met redenen omkleed”. Artikel 9§3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van de vreemdelingen: “Artikel 9§3 : In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.” DISCUSSIE Overwegende dat de Dienst Vreemdelingenzaken in haar beslissing van 1 juli 2002 stelt dat : “de redenen die werden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijfniet kan indienen via de gewone diplomatieke of consulaire post bevoegd door de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen XIV-11.185-3/7 niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaardt worden. Het feit dat betrokkene Nederlandse les volgt en zich heeft ingeschreven als werkzoekende is niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. Betrokkene wist dat zijn verblijf in België van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van zijn asielaanvraag. Hij wist dat hij bij een eventuele negatieve beslissing het land diende te verlaten. De problemen in zijn land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen doordat de Vaste Beroepscommissie op 8/1/2002 besliste hem niet als politiek vluchteling te erkennen. Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen. Verder dient te worden opgemerkt dat betrokkene de Belgische overheid trachtte te misleiden bij het betreden van het Belgisch grondgebied. Zo legde hij bij binnenkomst een Guinees paspoort en Sabena ticket op naam van Toure Alhassane voor en werd hij hiermee in de transitzone binnengelaten. Bij de daaropvolgende grenscontrole vroeg hij asiel aan met een Sierra Leoonse identiteitskaart op naam van Bangura Ibrahim. Uit deze beslissing blijkt tevens dat uw vrees voor vervolging verder dient te worden gerelativeerd aangezien betrokkene vrijwillig terugkeerde naar Sierra Leone en er einde 2000 - begin 2001 twee maanden verbleef. Daarom kan hem geen bevoorrecht regime worden toegestaan.” A. Eerste luik van het enige middel: schending van artikel 9§3 Overwegende dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de "buitengewone omstandigheden” voorzien door het artikel 9§3 van de wet van 15 december 1980 en de argumenten ten gronde die worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen eveneens voorzien door ditzelfde artikel; Dat er met andere wo(o)rden een dubbel onderzoek dient te gebeuren; Dat in de eerste plaats de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag dient te worden onderzocht, dit houdt in dat er moet worden nagegaan of er “buitengewone omstandigheden” voor handen zijn in de zin van artikel 9§3; Dat de Vreemdelingenwet niet bepaalt wat onder “buitengewone omstandigheden” dient te worden verstaan; Dat er wordt overgegaan tot een beoordeling geval tot geval; Dat Sierra Leone een land is dat geteisterd wordt door een jarenlange burgeroorlog die ertoe geleid heeft dat alle administratie is verdwenen en vliegtuighavens gesloten zijn; Dat verzoeker in zijn aanvraag deze onstabiele politieke, sociale en economische situatie van zijn land heeft aangehaald; Dat hij zich hierbij ook heeft gesteund op rapporten van Amnesty International en Human rights Watch; Dat verzoeker eveneens in zijn aanvraag opwerpt dat Sierra Leone wordt vermeld op de lijst van het IOM waaruit blijkt dat repatriëringen niet mogelijk zijn; Dat verzoeker terecht stelt dat in zijn hoofde er een materiele onmogelijkheid bestaat om naar zijn land terug te keren en daar een aanvraag in te dienen of zelfs op het moment van zijn vlucht een aanvraag te hebben ingediend; Dat het indienen van een aanvraag in Sierra Leone onmogelijk is aangezien daar geen Belgische diplomatieke post gevestigd is. Dat de bevoegde Belgische diplomatieke dienst gevestigd is in Ivoorkust, Abidjan. Dat verzoeker geen enkel band heeft met Ivoorkust en in de onmogelijkheid verkeert om zich naar dat land te begeven om daar een aanvraag in te dienen. Dat deze elementen op zichzelf al voldoende zijn om te besluiten dat “buitengewone omstandigheden” voorhanden zijn in de aanvraag van verzoeker en zodus de aanvraag ontvankelijk te verklaren; Dat verzoeker eveneens elementen naar voren brengt in zijn aanvraag waaruit blijkt dat hij zich beide landstalen eigen heeft gemaakt en al het nodige doet om werk te vinden; Dat deze elementen de gegrondheid van de zaak betreffen en in overweging dienen te worden genomen om na te gaan of er reden zijn om aan verzoeker de machtiging te geven langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven; Dat dit het tweede facet uitmaakt van het onderzoek zoals voorzien door het artikel 9§3 van de wet van 15 december 1980; Dat de gemachtigde van de Minister vooraleer deze elementen te onderzoeken eerst moest nagaan of de aanvraag regelmatig was ingediend en of deze aanvaardbare XIV-11.185-4/7 buitengewone omstandigheden naar voren bracht die de afgifte van een verblijfsmachtiging in België verantwoorden; Dat de gemachtigde van de Minister enkel de elementen die de gegrondheid van de zaak betreffen in overweging heeft genomen en hierdoor het dubbel onderzoek voorzien door het artikel 9§3 niet heeft nageleefd; Dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9§3 ook niet mogen worden verward met het artikel 1A van de Conventie van Genève; Dat de door verzoeker tijdens zijn asielprocedure uiteengezette feiten niet hernomen zijn in de aanvraag op basis van artikel 9§3 van de wet van 15/12/1980; Dat deze aanvraag door de gemachtigde van de Minister wordt afgewezen door uitvoerig te verwijzen naar informatie uit de asielprocedure van verzoeker; Dat de gemachtigde van de Minister het nalaat om de door verzoeker aangehaalde buitengewone omstandigheden in overweging te nemen en zonder dat hiervoor reden bestaat argumenten zoekt in het asieldossier van verzoeker om zijn aanvraag af te wijzen; Dat verzoeker niet enkel de problemen die hij kende in zijn land aanvoert als buitengewone omstandigheden maar veeleer de onstabiele toestand die heerst in zijn land en het feit dat Sierra Leone vermeld wordt op de lijst van het IOM en zijn repatriëring dus niet mogelijk is; Dat de gemachtigde van de Minister zich uitsluitend baseert op beslissingen genomen in het asieldossier van verzoeker herneemt zonder zich uit te spreken over de door verzoeker aangehaalde buitengewone omstandigheden; Dat de gemachtigde van de Minister hierdoor het artikel 9§3 van de wet van 15 december 1980 schendt aangezien nergens in dat artikel vermeld staat er een "vrees voor vervolging" moet bestaan in hoofde van de aanvrager; Dat ook nergens in datzelfde artikel vermelding wordt gemaakt van het feit dat elementen die al het voorwerp hebben uitgemaakt van een onderzoek in het kader van een asielaanvraag niet als buitengewone omstandigheden kunnen worden aangebracht; Dat het artikel 9§3 van de wet van 15 december 1980 geschonden is; B. Tweede luik van het enige middel : schending van de motivatieplicht Overwegende dat de Minister in zijn beslissing op alle elementen dient te antwoorden die door verzoeker als “buitengewone omstandigheden” zijn aangehaald; Dat in onderhavig geval de Minister de motivatieplicht heeft geschonden aangezien hij het heeft nagelaten om op alle elementen te antwoorden; Dat het eerste element waarop de Minister niet heeft geantwoord de ingeroepen onmogelijkheid van terugkeer omwille van de toestand in Sierra Leone betreft; Dat verzoeker hiervoor in zijn aanvraag verwijst naar recente rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch en een brief van zijn moeder die verblijft in een “limp camp” in Freetown; Dat de gemachtigde van de Minister de situatie van oorlog en moorden niet weerlegt en dus ook niet aantoont dat de toestand in Sierra Leone het toelaat voor verzoeker om terug te keren naar Sierra Leone om aldaar zijn aanvraag in te dienen; Dat het tweede element(
  3. en)waarop de gemachtigde van de Minister niet antwoord de lijst van het IOM betreft; Dat het IOM zich bezig houdt met de repatriëring van uitgeprocedeerde vreemdelingen; Dat het IOM een lijst opstelt met daarop landen waarnaar geen repatriëring mogelijk is omwille van de onzekere toestand ter plaatse; Dat ook hier de gemachtigde van de Minister het heeft nagelaten op dit element(
  4. en)te antwoorden; Dat in de beslissing geen woord gerept wordt over de lijst van het IOM; Dat deze twee elementen de kern uitmaken van de aanvraag van verzoeker en de buitengewone omstandigheden zijn waarop hij zijn aanvraag steunt; Dat deze elementen buitengewone omstandigheden zijn in de zin van artikel 9§3; Dat de gemachtigde van de Minister dient aan te tonen waarom deze elementen die door verzoeker worden aangehaald ter ondersteuning van zijn aanvraag niet in aanmerking kunnen genomen worden; Dat uit het voorgaande blijkt dat de bestreden beslissing geenszins antwoordt op de bijzondere omstandigheden aangehaald door verzoeker; Dat enkel vermelding wordt gemaakt van de elementen die in aanmerking dienen te worden genomen voor het beoordelen van de gegrondheid van de aanvraag, zijnde de XIV-11.185-5/7 talenkennis van verzoeker en de verschillende stappen om werk te vinden die verzoeker heeft ondernomen; Dat de gemachtigde van de Minister heeft nagelaten de buitengewone omstandigheden in overweging te nemen aangezien hierover in de bestreden beslissing niet wordt geantwoord; Dat de gemachtigde van de Minister zijn plicht ieder beslissing te motiveren heeft miskend;”; 2.2. Overwegende dat, wat de onmogelijkheid tot terugkeer naar Sierra Leone betreft, in de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat verzoeker eind 2000 naar Sierra Leone terugkeerde en er twee maanden verbleef; dat op basis hiervan werd geoordeeld dat verzoeker in staat was terug te keren naar zijn land van herkomst en aldus geen buitengewone omstandigheden kon doen gelden; dat verzoeker deze vaststelling niet betwist; dat wat betreft de onmogelijkheid om via de Belgische ambassade in Abidjan de verblijfsaanvraag in te dienen, verzoeker eenvoudigweg stelt dat het hem niet mogelijk is naar Ivoorkust te reizen met dit doel; dat verzoeker hierbij geen enkel concreet gegeven aanbrengt waaruit kan blijken dat het hem niet mogelijk is om de gangbare procedure te volgen; dat verzoeker zich beperkt tot loutere beweringen; dat verzoeker aldus niet aantoont dat de Minister van Binnenlandse Zaken het bestaan van buitengewone omstandigheden zou hebben miskend; dat het middel niet gegrond is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vijf, door : XIV-11.185-6/7 de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.185-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.115 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.