← België

Arrest 151124 - - 09/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.124 Rolnummer: A. 124053/XIV-10878 Zaak: Arrest 151124 - - 09/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 04:17 Fiche Arrest nr 151.124 van 9 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.124 van 9 november 2005 in de zaak A. 124.053/XIV-10.878 In zake : XXX wonende te 2600 ANTWERPEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 mei 1977 en van Joegoslavische nationaliteit, op 17 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 juni 2002 tot weigering van regularisatie; Gelet op het arrest nr. 121.575 van 11 juli 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 september 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-10.878-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. VALCKX, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  2. XXX heeft op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 2/. In zijn aanvraag duidde hij als taal voor de procedure het Duits aan. 1.
  3. Op 5 september 2001 is verzoeker door de Duitstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie, gehoord. Verzoeker vroeg de behandeling van zijn aanvraag voor een Nederlandstalige Kamer. De zaak werd verwezen naar de rol. 1.
  4. Op 11 maart 2002 is verzoeker door een Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. Verzoeker vroeg de uitbreiding van de aanvraag naar artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet. 1.
  5. Op 19 maart 2002 heeft de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Uit de nota van het onderzoekssecretariaat en de stukken van het dossier blijkt dat de aanvraag tijdig werd ingediend. De aanvraag werd ingediend op grond van artikel 2,2/, van de regularisatiewet. Betrokkene vraagt een uitbreiding naar de grond vervat in artikel 2,4/. De Commissie stemt hiermee in. De identiteit van de aanvrager kan bij gebreke aan enig document niet worden vastgesteld. De aanvraag voldoet niet aan de vereiste van artikel 9,4/, van de regularisatiewet. Omtrent artikel 2,2/ (onmogelijkheid van terugkeer) Betrokkene, een etnische Albanees uit Kosovo, heeft asiel gevraagd op 30 augustus
  6. Deze aanvraag werd onontvankelijk verklaard. De onontvankelijkheid werd na dringend beroep bevestigd. Op 11 januari 2000 werd hem een bevel betekend om het grondgebied te verlaten. Betrokkene brengt geen schriftelijke verklaring bij die voldoet aan de vereiste van artikel 9, 7/, van de regularisatiewet. Betrokkene beweert dat hij in Kosovo geen werk kan vinden en dat zijn huis werd vernield. De Commissie beoordeelt zulks als onvoldoende zwaarwichtig om te kunnen worden aangezien XIV-10.878-2/7 als een reden van onmogelijkheid van terugkeer. Overigens stelt betrokkene dat zijn naaste familie, dit wil zeggen zijn moeder en zijn zuster met haar gezin, zich nog in Kosovo bevinden. Omtrent artikel 2,4/(humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen). De aanvraag voldoet niet aan de vereiste van artikel 9,9/, van de regularisatiewet: betrokkene kan op het ogenblik van de aanvraag geen aanwezigheid in België van zes jaar noch een relevant wettig verblijf doen gelden en kan ook geen schriftelijke verklaring bijbrengen waaruit blijkt dat hij in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel heeft gekregen om het grondgebied te verlaten. (...)”. 1.
  7. Op 6 juni 2002 richtte de Advocaat van verzoeker een schrijven met een bijkomend stuk aan de Minister van Binnenlandse Zaken (bijlage bij het verzoekschrift). 1.
  8. Op 25 juni 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor Regularisatie. Dit is de bestreden beslissing.
  9. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
  10. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van “het algemeen administratief rechtsbeginsel van het behoorlijk bestuur, het vertrouwensbeginsel, de gewekte verwachtingen en het beginsel van de fair play”; dat verzoeker verduidelijkt “dat het bestuur moet vermijden dat een persoon in de rechtmatige verwachtingen welke hij uit het bestuursoptreden put, wordt gefrustreerd”; dat verzoeker stelt dat hem in het kader van zijn asielprocedure een bevel werd gegeven om het grondgebied te verlaten, maar dat hij niet werd weggestuurd en dat hem zelfs werd toegelaten om een regularisatieprocedure op te starten; dat verzoeker aanvoert dat de Minister “beloofde aan verzoeker dat de procedure snel zou worden afgehandeld” en “dat er 91% kans was dat de zaak positief zou geadviseerd worden” maar dat hij pas een negatieve beslissing ontving meer dan twee jaar en vier maanden na de aanvraag, en dat dit een schending inhoudt van het vertrouwensbeginsel en van het beginsel van de gewekte verwachtingen; dat verzoeker besluit dat het een schending uitmaakt van het beginsel van de fair play dat hij werd aangeschreven in de Duitse taal, terwijl hij voor het Nederlands had gekozen, en dat hierdoor maanden moest worden gewacht op het advies; 2.1.
  11. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat de regularisatieaanvraag van verzoeker dateert van januari 2000, terwijl de eindbeslissing inzake de asielaanvraag met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, dateert van 25 augustus 2000; dat er bijgevolg geen sprake is van het “gedogen” van verzoeker op het grondgebied, ondanks een bevel om het grondgebied te verlaten dat zou dateren van vóór de regularisatieaanvraag; dat de verwerende partij stelt dat een kans van 91% op een goede afloop niet uitsluit dat er 9% kans is op een negatieve beslissing; dat de verwerende partij besluit dat de oproeping in het Duits geen nadeel inhield voor verzoeker, aangezien hij is komen opdagen voor de zitting, en dat het advies en de beslissing van de Minister in het Nederlands werden genomen; XIV-10.878-3/7 2.1.
  12. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord toevoegt dat hij ondertussen nog steeds en dus langer gedoogd wordt op het grondgebied, en dat hij “belasting” moet betalen voor zijn procedure voor de Raad van State betreffende zijn asielaanvraag; dat verzoeker stelt dat dit een “voorrecht” is en dat hij aldus eveneens het recht moet verkrijgen om hier legaal te verblijven; dat de oproeping in het Duits hem wel degelijk een nadeel heeft berokkend, omdat de omschakeling naar de Nederlandstalige procedure voor een vertraging heeft gezorgd; 2.1.
  13. Overwegende dat verzoekers overweging dat hij werd gedoogd nadat zijn asielaanvraag negatief werd beoordeeld, feitelijke grondslag mist; dat verzoeker reeds op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag indiende, terwijl zijn asielaanvraag pas werd afgewezen op 25 augustus 2000; dat het loutere feit dat verzoeker een regularisatieaanvraag indiende, niet het recht inhoudt om te worden geregulariseerd; dat verzoeker immers dient te voldoen aan de voorwaarden van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat uit een louter informatief schrijven van de Minister van Binnenlandse Zaken evenmin zulk recht kan worden geput; dat dit schrijven immers vermeldde dat de mogelijkheid tot regularisatie bestaat, zonder evenwel over de zaak van verzoeker uitspraak te doen; dat een schending van het vertrouwensbeginsel of van het beginsel van de gewekte verwachtingen, niet kan worden aangenomen; dat de beginselen die verzoeker in zijn middel aanhaalt niet leiden tot de annulatie van de bestreden beslissing omdat de regularisatieprocedure is verlopen overeenkomstig de toepasselijke wettelijke voorschriften; Overwegende dat uit de regularisatieaanvraag van 28 januari 2000, door verzoeker zelf ingevuld, duidelijk blijkt dat hij de Duitse taal heeft gekozen voor de behandeling van zijn aanvraag; dat verzoeker pas op de zitting van 5 september 2001 een verwijzing heeft gevraagd naar een Nederlandstalige kamer; dat dit onderdeel van het middel feitelijke grondslag mist; Overwegende dat de termijn die is verstreken tussen de regularisatieaanvraag van verzoeker op 28 januari 2000 en de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken op 25 juni 2002, twee jaar en vier maanden bedraagt; dat deze termijn niet onredelijk is, gelet op het massaal aantal te behandelen dossiers in het kader van de Regularisatiewet; dat verzoeker zelf mee aan de oorsprong ligt van de vertraging in de behandeling van zijn aanvraag, omdat hij pas tijdens de hoorzitting op 5 september 2001 aangaf dat hij afzag van de behandeling van zijn aanvraag in de Duitse taal en verzocht om de behandeling voor een Nederlandstalige kamer, waarvoor hij werd gehoord op 11 maart 2002; dat verzoeker niet aantoont dat hij door het verloop van deze termijn werd benadeeld; dat verzoeker overeenkomstig artikel 14 van de Regularisatiewet niet kon worden XIV-10.878-4/7 verwijderd van het grondgebied van het Rijk tot de dag waarop een negatieve beslissing werd genomen; Overwegende dat het eerste middel in al zijn onderdelen ongegrond is; 2.2.
  14. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de hoorplicht; dat verzoeker stelt dat hij wel gehoord werd op 11 maart 2002, maar dat hij slechts enkele minuten de tijd had om zijn standpunt uiteen te zetten, en dat hem niet werd meegedeeld dat zijn dossier onvolledig was; 2.2.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat verzoeker werd opgeroepen om te verschijnen voor de Commissie voor Regularisatie en daar met bijstand van een Advocaat zijn standpunt heeft kunnen uiteenzetten; 2.2.
  16. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord stelt dat hij de mogelijkheid niet heeft gehad om zijn standpunt uiteen te zetten op nuttige wijze; 2.2.
  17. Overwegende dat uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat verzoeker werd gehoord door de Commissie voor Regularisatie op 11 maart 2002, in het bijzijn van zijn Advocaat; dat aan verzoeker het woord werd gegeven en dat hij een mondelinge verklaring heeft afgelegd gedurende een tiental minuten, die werd genoteerd in het proces-verbaal van de zitting; dat bijgevolg uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker de kans kreeg om zijn standpunt omstandig uiteen te zetten; en dat hij zijn regularisatiedossier kon raadplegen vóór de zitting zo hij dit wenste; dat de Advocaat van verzoeker, na het advies van de Commissie voor Regularisatie van 19 maart 2002, op 6 juni 2002 een schrijven heeft gericht naar de Minister van Binnenlandse Zaken; dat verzoeker bijgevolg zowel mondeling als schriftelijk zijn standpunt heeft te kennen gegeven, zodat een schending van de hoorplicht niet kan worden aangenomen; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
  18. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 10, 12 en 13 van de Regularisatiewet; dat verzoeker aanvoert dat het advies van de Commissie voor Regularisatie hem werd ter kennis gebracht met tussenkomst van de Dienst Regularisaties van de Stad Antwerpen en niet door tussenkomst van de gemeentepolitie, en dat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken hem werd ter kennis gebracht via de gewone post; dat verzoeker eveneens stelt dat het Onderzoekssecretariaat zich had moeten baseren op artikel 12 § 1 van de Regularisatiewet en niet op artikel 12 § 3, zodat verzoeker nog de mogelijkheid had gekregen om zijn dossier te vervolledigen; XIV-10.878-5/7 2.3.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat verzoeker geen belang heeft bij het aanvechten van de wijze van betekening; dat verzoeker het advies heeft ontvangen en dat zijn Advocaat erop heeft gereageerd; dat hiermee is voldaan aan de wettelijke verplichting van kennisgeving; dat bovendien uit het dossier blijkt dat het advies tevens met de gewone post aan verzoeker werd bezorgd; dat de verwerende partij besluit dat verzoeker er geen belang bij heeft om de toepassing van artikel 12 § 1 van de Regularisatiewet in te roepen, omdat dit artikel ongunstiger is voor verzoeker, want dit zou hebben geleid tot een negatieve beslissing zonder mogelijkheid tot oproeping voor een kamer van de Commissie voor Regularisatie; 2.3.
  20. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord toevoegt dat het advies en de beslissing hem wel ter kennis zijn gebracht, maar dat de kennisgeving niet op rechtsgeldige wijze geschiedde; 2.3.
  21. Overwegende dat verzoeker erkent kennis te hebben gekregen van zowel het advies van de Commissie voor Regularisatie als van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken; dat verzoeker niet aantoont hoe en waarom de kennisgeving van voornoemde stukken via de gemeentepolitie zou kunnen leiden tot de nietigverklaring ervan en in een later stadium tot een eventuele regularisatie van zijn verblijfstoestand; dat tenslotte de wijze van kennisgeving geen invloed heeft op de bestreden beslissing, op voorwaarde dat de wettigheid vaststaat, wat in casu het geval is; dat verzoeker kennis kreeg van de inhoud van voornoemde beslissing; Overwegende dat artikel 12 § 3 van de Regularisatiewet bepaalt dat wanneer het secretariaat vaststelt dat het dossier volledig is, maar dat het prima facie niet kan leiden tot een gunstig advies, de aanvraag bij een kamer van de Commissie voor Regularisatie aanhangig wordt gemaakt; Overwegende dat artikel 12 § 1, lid 1 en lid 2, van de Regularisatiewet bepaalt dat wanneer het secretariaat vaststelt dat het dossier onvolledig is, de aanvraag met een negatief advies naar de Minister wordt gestuurd voor beslissing, en dat dit negatief advies ter kennis wordt gebracht van de aanvrager die over drie dagen beschikt om hierop te reageren; Overwegende dat in casu het Onderzoekssecretariaat melding heeft gemaakt van het ontbreken van een schriftelijke verklaring die de redenen weergeeft waarom verzoeker, in het kader van zijn aanvraag op basis van artikel 2, 2/ van de Regularisatiewet, om redenen onafhankelijk van zijn wil niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst, en overeenkomstig artikel 12 § 3 van de Regularisatiewet het bij de aanvraag gevoegde dossier volledig heeft verklaard, en zo de aanvraag aanhangig heeft gemaakt bij de Commissie voor Regularisatie; dat de verwijzing van de zaak naar de XIV-10.878-6/7 Regularisatiecommissie gunstiger is voor verzoeker dan de toepassing van artikel 12, §1, van de Regularisatiewet, die leidt tot een negatieve beslissing, zonder mogelijkheid van een oproeping voor een kamer van de Regularisatiecommissie, zodat verzoeker niet getuigt van het rechtens vereiste belang bij dit onderdeel van het middel dat bijgevolg onontvankelijk is; dat deze exceptie wordt opgeworpen door de verwerende partij in haar memorie van antwoord en bijgevolg gegrond is; dat het derde middel in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  22. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.878-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.