← België

Arrest 151125 - - 09/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.125 Rolnummer: A. 134078/XIV-14179 Zaak: Arrest 151125 - - 09/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 04:17 Fiche Arrest nr 151.125 van 9 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.125 van 9 november 2005 in de zaak A. 134.078/XIV-14.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Lange Boomgaardstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 mei 1957 en van Pakistaanse nationaliteit, op 13 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 september 2002 tot weigering van regularisatie, en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 februari 2003 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag d.d. 11 april 2005 opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 28 september 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-14.179-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. NAVASARTIAN, die loco Advocaat S. VAN ROSSEM verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. XXX heeft op 29 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2, 1/ en 2, 4/. 1.
  4. Op 23 mei 2001 stelde het secretariaat van de Commissie voor Regularisatie vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was en zond deze aanvraag met een negatief advies voor beslissing naar de Minister van Binnenlandse Zaken. Op 19 juni 2001 werd aan verzoeker meegedeeld dat hij over een termijn van drie dagen beschikte, na de kennisgeving van dit negatief advies, om zijn standpunt uiteen te zetten aan de Minister. 1.
  5. Op 20 juni 2001 richtte de Advocaat van verzoeker een schrijven met bijkomende stukken naar de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
  6. Op 20 november 2001 is verzoeker door de Commissie voor Regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.
  7. Op 28 augustus 2002 heeft de Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Gelet op de beschikking van 15 oktober 2001 van de Vice-Eerste-Voorzitter Herman Pas met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de derde Nederlandstalige Kamer. Op de zitting van 20 november 2001 namiddag verscheen de verzoekende partij in persoon en werd bijgestaan door zijn raad mr. Suzanne Van Rossem advocaat aan de balie van Antwerpen. Aangezien de verzoekende partij moest kunnen kennis nemen hebben van de nota van het onderzoekssecretariaat van 23 mei 2001 en waarin stond dat er vastgesteld werd dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was zodat de aanvraag met negatief advies werd gezonden aan de Minister voor beslissing (artikel 12 § 1 van de Wet van 22 december 1999.). XIV-14.179-2/9 Dit advies werd immers zoals was voorgeschreven ter kennis gebracht van betrokkene die na tussenkomst van de gemeentepolitie beschikte over drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten aan de Minister en dit per aangetekende brief. Op 19 juni 2001 ondertekende verzoeker voor ontvangst van dat bericht van kennisgevingen door advocaat Suzanne Van Rossem uit Antwerpen werd daarop gereageerd bij haar aangetekend schrijven van 20/06/01 en op diezelfde datum verzonden. Uit een kopij van het paspoort E.706319 van verzoeker van de Islamic Republic of Pakistan en geldig tot 8 juni 2001 blijkt dat er kan vastgesteld worden dat hij in 1997 in Groot-Brittannië was toegekomen en in 1998 terug in Pakistan was geweest maar in dat jaar eveneens in Swaziland, Zuid-Afrika, Kenia, Malawi, Mozambique, twee visa voor de Schengen-landen bekwam geldig in 1998 en afgeleverd in Maputo (Mozambique) en eveneens in Kashmir had verbleven. Er werd een overeenkomst voorgelegd aangegaan in Antwerpen na indienen van het verzoek tot regularisatie bevestigd door officiële documenten. De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, toch kennis kunnen krijgen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken met het nummer 4.919.083 met gegevens over betrokkene in verband met diens verblijf in het Rijk en waarvan de gegevens dus wel eerder bekend waren aan betrokkene. De verzoekende partij heeft zich op 28 januari 2000 vluchteling verklaard, nadat hij volgens zijn eigen door hemzelf ondertekende verklaring het Rijk was binnen gekomen op 14 januari 2000 en toen voorhield niet in het bezit (te) zijn geweest van enig identiteitsdocument. De Dienst Vreemdelingenzaken nam op 4 april 2000 een beslissing van weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. Zijn verzoek was dus onontvankelijk verklaard. In de motivering van die beslissing was te lezen dat hij verklaard had in 1980 te zijn begonnen met een juwelierszaak en lastig te zijn gevallen maar er werd geoordeeld dat zijn problemen het lokale niveau niet konden overstijgen zodat er niet kon gesteld worden dat er gegronde redenen waren voor vervolging. En dat hij geen documenten had aangebracht waaruit zijn nationaliteit of identiteit waren af te leiden. Tegen deze beslissing werd beroep aangetekend bij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen en er volgde een bevestigende beslissing van weigering van verblijf op 5 juli
  8. Ondertussen is zijn verzoek tot erkenning als vluchteling wel onontvankelijk gebleven en verkreeg hij hier dus nog geen wettig verblijf Op de nationale luchthaven van Zaventem werd op 7 juni 2001 vastgesteld dat hij met een instapkaart op zijn naam toekwam met de vlucht SN.5964 van uit Barcelona, dat uit zijn paspoort bleek (dat) zijn beroep dit van zakenman was en dat hij ook op 7 oktober 1998 was binnen gekomen op de luchthaven van Brussel-Nationaal en zonder dat kon achterhaald worden om welke reden hij naar Spanje was willen gaan kon er toch worden vastgesteld dat hij in bezit was van een vliegtuigbiljet Barcelona-Brussel van de vlucht TV 5864 van 25 mei en waarop de namen vermeld staan van Sindheela Shakeel Ahmed en van Ashraf Mohammed aangekocht in een reisbureau en waarover geen uitleg kon worden bekomen. De aanvraag tot regularisatie werd bij het indienen ervan gesteund op artikel 2,1/ van de Wet van 29 december 1999, hetzij de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling te hebben aangevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van vier jaar, deze termijn wordt teruggebracht tot drie jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die in België verbleven op 1 oktober 1999 en die de leeftijd hebben om naar school te gaan. Volgens artikel 9,6/ van diezelfde wet moet deze vreemdeling het nummer meedelen van het dossiernummer bij de Dienst Vreemdelingenzaken. En volgens artikel 6 van diezelfde wetgeving is de vreemdeling bedoeld in vermeld artikel 2,1/ die naar oordeel van de Minister, bij wie de aanvraag aanhangig is gemaakt door de Commissie voor regularisatie, kennelijk bedrog heeft gepleegd bij de procedure van zijn asielaanvraag, uitgesloten van de toepassing van deze wet. Zelfs een onderhandse akte levert tussen partijen bewijs op, zelfs van datgene wat daarin slechts bij wijze van vermelding wordt uitgedrukt, mits de vermelding rechtstreeks verband houdt met de beschikking (artikel 1320 Burgerlijk Wetboek) en heeft dezelfde bewijskracht als een authentieke akte (artikel 1322 B.W.) zodat er aan de hand van de door verzoeker ondertekende verklaring mag aangenomen worden dat hij België was binnengekomen op 14 januari
  9. Hij vertoefde dus niet daadwerkelijk in het Rijk op de noodzakelijke datum van 1 oktober 1999 (artikel 2 wet van 22 december 1999). Verzoeker die zich slechts op 14 januari vluchteling verklaarde kon wanneer hij als gehuwd persoon op 29 januari 2000, dus amper twee weken later, zijn verzoek tot regularisatie van verblijf indiende, onmogelijk ernstig voorhouden dat hij niet tijdig een uitvoerbare beslissing had bekomen na zijn asielaanvraag. Er moet bijkomend zelfs vastgesteld worden dat hij kennelijk bedrog heeft gepleegd bij het indienen van zijn asielaanvraag vermits hij doelbewust zijn identiteitsdocumenten verborgen heeft willen houden voor de Belgische overheid. Verzoeker heeft zijn verzoek ook gesteund op het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 (ingeroepen) hetzij humanitaire redenen (heeft) kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. XIV-14.179-3/9 Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9,9/ van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan 5 jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. Uit de gegevens waarvan de Commissie kennis kon krijgen blijkt dat er met zekerheid kan worden vastgesteld dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek niet bereikt heeft en dat de duur van het werkelijk verblijf in het land te kort is om op basis van de duur ervan tot een regularisatie te kunnen komen. Het verblijf in dit land begon volgens de eigen verklaring van verzoeker slechts op 14 januari 2000 zodat zijn verzoek tot regularisatie zelfs als onontvankelijk moet worden beschouwd vermits hij daadwerkelijk in het land had moeten verblijven op 1 oktober 1999 en dit moest gebeurd zijn tijdens een continu verblijf in dit land. De door de wetgever voor regularisatie op deze rechtsgrond vereiste voorwaarden werden door verzoeker dus niet vervuld. Het blijft vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid behandeld dienen te worden hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet gehouden worden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij zoniet zou er mogelijkheid bestaan dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die veel later voor de Commissie konden verschijnen. In hoofde van verzoeker, die wel verklaart gehuwd te zijn maar geen enkele interesse vertoont voor een familiaal leven met andere gezinsleden, kan moeilijk beweren dat hij zich in dit land had ingeburgerd met duurzame sociale bindingen wanneer hij zijn verzoek indiende. Het is zelfs bijna merkwaardig dat verzoeker zich volgens eigen verklaring tegenover de Commissie als goudsmid in dit land ten dienste stelde van het Joodse milieu. Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000 p. 588-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari
  10. OM DEZE REDENEN brengt de Derde Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie, na onderzoek op tegenspraak, een ongunstig advies uit betreffende de aanvraag tot regularisatie van verblijf ingediend doorXXX1.6.Op 27 september 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor Regularisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  11. Op 19 november 2002 diende verzoeker een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  12. Op 11 februari 2003 werd aan verzoeker het bevel van dezelfde datum ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  13. Over de gegrondheid van de zaak. XIV-14.179-4/9 2.1.
  14. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, van de rechten van de verdediging, en van de zorgvuldigheidsplicht; dat verzoeker aanvoert dat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 september 2002 tot weigering van regularisatie hem nooit werd betekend, dat hij enkel een beslissing van de Commissie voor Regularisatie van 27 september 2002 heeft ontvangen; dat verzoeker vervolgens stelt dat de Minister het advies van de Commissie voor Regularisatie heeft gevolgd zonder enig bijkomend onderzoek; dat verzoeker betoogt dat geen rekening werd gehouden met zijn argumenten betreffende duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen, en dat hij ondertussen bijna vijf jaar in het Rijk verblijft; dat verzoeker aanvoert dat “de motivering van de bijlage 13 alleen bestaat uit het feit dat de minister de regularisatie heeft afgewezen en de asielaanvraag eveneens werd afgewezen”; 2.1.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat verzoeker ruimschoots de kans heeft gekregen om zijn relaas en zijn regularisatiemotieven uiteen te zetten; dat de verwerende partij stelt dat de Minister een beslissing mocht nemen zonder verzoeker opnieuw te horen, en dat verzoeker door middel van huidig beroep bij de Raad van State tegen de bestreden beslissing kan opkomen; dat de verwerende partij hieraan toevoegt dat het advies van de Commissie voor Regularisatie dateert van 28 augustus 2002, en de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 september 2002, zodat het niet opgaat te stellen dat het advies en de beslissing van dezelfde dag dateren; dat de verwerende partij opmerkt dat uit de bewoordingen van het middel blijkt dat verzoeker de beslissing van de Minister wel degelijk heeft ontvangen; dat zelfs mocht er sprake zijn van een onregelmatige kennisgeving, dit niet de nietigheid van de bestreden beslissing meebrengt; dat de verwerende partij vervolgt dat er wel een onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aanvraag van verzoeker: dat het onderzoekssecretariaat een nota heeft opgesteld, dat verzoeker werd gehoord ter zitting, dat de Commissie voor Regularisatie een advies heeft gegeven, en dat de Minister het dossier heeft onderzocht vooraleer hij zijn beslissing nam; dat de Minister van Binnenlandse Zaken heeft beslist dat de regularisatieaanvraag van verzoeker diende te worden verworpen, omdat verzoeker volgens zijn eigen verklaring op 14 januari 2000 in het Rijk is toegekomen, omdat zijn asielaanvraag werd verworpen, omdat hij niet kan voorhouden dat hij niet tijdig een uitvoerbare beslissing heeft gekregen in het kader van zijn asielaanvraag en hij zich dus niet kan beroepen op artikel 2, 1/ van de Regularisatiewet, omdat hij zich evenmin dienstig kan beroepen op artikel 2, 4/, omdat hij niet voldoet aan de criteria van artikel 9, 9/, en omdat hij niet kan beweren dat hij zich heeft ingeburgerd met duurzame sociale bindingen als gevolg; dat de verwerende partij verwijst naar haar repliek op het tweede middel voor wat betreft de motieven van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; XIV-14.179-5/9 2.1.
  16. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord herhaalt dat hij nooit kennis heeft gekregen van “de beslissing van de regularisatie waardoor het hem onmogelijk werd gemaakt om enig antwoord te geven aan de Minister alvorens deze zijn beslissing nam”; 2.1.
  17. Overwegende dat, wat de kennisgeving van de eerste bestreden beslissing betreft, bij huidig verzoekschrift de kennisgevingsbrief aan de Advocaat van verzoeker is gevoegd, met als bijlagen de beslissing van de Minister van 27 september 2002 en het advies van de Commissie voor Regularisatie van 28 augustus 2002; dat bij het verzoekschrift de brief van 27 september 2002 wordt gevoegd die uitgaat van de verwerende partij en die de thans bestreden weigeringsbeslissing bevat met als bijlage voornoemd advies, zodat verzoeker op de hoogte is van de inhoud van de eerste bestreden beslissing en het eerste middel in de mate dat het steunt op een beweerd gebrek inzake de kennisgeving van voornoemde bestreden beslissing, feitelijke grondslag mist; dat uit het administratief dossier bovendien blijkt dat verzoeker kennis kreeg van het advies van de Commissie voor Regularisatie zoals bepaald bij artikel 10 van de Regularisatiewet; dat dit advies hem bijgevolg persoonlijk werd ter kennis gebracht door de lokale politie op 11 september 2002, datum waarop de eerste bestreden beslissing nog niet was genomen; dat bijgevolg zijn rechten van verdediging gevrijwaard zijn, omdat hij door huidig verzoekschrift een ontvankelijk beroep bij de Raad van State heeft ingediend; dat de opmerking van verzoeker dat de beslissing van de Minister en het advies van de Commissie van dezelfde datum zijn, feitelijke grondslag mist, evenals zijn bewering dat de beslissing en het advies hem op dezelfde datum ter kennis werden gebracht; Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn beslissing kan verwijzen naar het advies van de Commissie voor Regularisatie; dat aan de formele motiveringsplicht is voldaan wanneer wordt verwezen naar de bijgevoegde bijlage die deel uitmaakt van de bestreden beslissing; dat vaststaat dat verzoeker de motieven kent waarop de eerste bestreden beslissing is gesteund; Overwegende dat artikel 2 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet) bepaalt dat aan de voorwaarden van de regularisatieaanvraag moet worden voldaan op het ogenblik van de aanvraag, zijnde in casu 29 januari 2000; dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat verzoeker heeft verklaard dat hij op 14 januari 2000 België is binnengekomen; dat in de overwegingen van het advies, die door de Minister worden onderschreven en als de zijne overgenomen, over de aanvraag van verzoeker op basis van artikel 2,4/ van de Regularisatiewet wordt vermeld dat met zekerheid wordt vastgesteld dat verzoeker niet voldoet aan de vereiste van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het indienen van de regularisatieaanvraag en dat de duur van het werkelijk verblijf in het land XIV-14.179-6/9 te kort is om tot een regularisatie te kunnen komen; dat verzoeker dit feitelijk gegeven niet betwist en dat zijn verwijzing naar zijn verblijf in het Rijk ná de regularisatieaanvraag niet terzake dienend is; Overwegende dat verzoeker niet aantoont hoe zijn rechten van verdediging werden miskend en hoe de zorgvuldigheidsplicht werd geschonden; Overwegende dat, wat de tweede bestreden beslissing betreft, uit het argument van verzoeker dat “de motivering van de bijlage 13 alleen bestaat uit het feit dat de minister de regularisatie heeft afgewezen en de asielaanvraag eveneens werd afgewezen” geen grief kan worden afgeleid; dat dit onderdeel van het eerste middel onontvankelijk is; Overwegende dat het eerste middel in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; 2.2.
  18. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat verzoeker betoogt dat de beslissing van de Minister en het advies van de Commissie van dezelfde datum zijn zodat de Minister het dossier van verzoeker niet heeft onderzocht; dat verzoeker hieraan toevoegt dat de beslissing van de Minister hem niet werd betekend; dat verzoeker aanvoert dat hij een nieuwe aanvraag heeft ingediend op basis van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en dat met deze nieuwe elementen geen rekening werd gehouden; dat verzoeker tenslotte aanvoert dat de twee beslissingen waarnaar in het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, wordt verwezen, hem eveneens ter kennis moesten worden gebracht; 2.2.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat het middel niet voldoende duidelijk is omschreven en daarom onontvankelijk is; dat de verwerende partij hier subsidiair aan toevoegt dat zij verwijst naar haar repliek op het eerste middel, en dat verzoeker tijdens de regularisatieprocedure voldoende de kans heeft gekregen om zijn argumenten naar voor te brengen; dat de verwerende partij stelt dat aan de formele motiveringplicht is voldaan omdat verzoeker de motieven van de bestreden beslissingen kent, en dat zij in de memorie de motieven van de eerste bestreden beslissing beknopt weergeeft; 2.2.
  20. Overwegende dat, wat betreft de datum van de eerste bestreden beslissing en van het advies van de Commissie, en de kennisgeving ervan, wordt verwezen naar de analyse van het eerste middel; XIV-14.179-7/9 Overwegende dat de eerste bestreden beslissing dateert van 27 september 2002 en de indiening van de aanvraag op basis van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, van 19 november 2002; dat deze aanvraag bijgevolg dateert van na de eerste bestreden beslissing, zodat met deze aanvraag geen rekening kon worden gehouden bij het nemen van de eerste bestreden beslissing, daargelaten de vraag of dit vereist zou zijn en opportuun zou zijn; Overwegende dat het volstaat dat in de motieven van de tweede bestreden beslissing wordt verwezen naar de voorheen genomen beslissingen waarop deze steunt; dat deze beslissingen voordien aan verzoeker ter kennis werden gebracht; dat verzoeker immers tegen de beslissing tot weigering van regularisatie huidig beroep heeft ingesteld, en dat hij de beslissing inzake zijn asielaanvraag zelf toevoegt bij huidig verzoekschrift; dat verzoeker niet aantoont dat de tweede bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd; Overwegende dat verzoeker geen inhoudelijke kritiek geeft op de motieven van de eerste bestreden beslissing; dat hij zich beperkt tot algemene beweringen dat niet zou zijn geantwoord op voor hem belangrijke argumenten; dat verzoeker niet uiteenzet welke argumenten dit zijn; dat uit het advies van de Commissie voor Regularisatie, waarvan de Minister de overwegingen onderschrijft en als de zijne overneemt, en dat hierboven wordt weergegeven onder punt 1.5., blijkt dat dit zeer omstandig en zeer gedetailleerd de redenen weergeeft waarom de Commissie meent dat niet kan worden overgegaan tot de regularisatie van de verblijfstoestand van verzoeker; dat deze motieven afdoende, terzake dienend, deugdelijk en pertinent zijn; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-14.179-8/9 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-14.179-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.