id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.159 Rolnummer: A. 167292/X-12541 Zaak: Arrest 151159 - - 10/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 04:18 Fiche Arrest nr 151.159 van 10 november 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.159 van 10 november 2005 in de zaak A. 167.292/X-12.
- In zake :
- Pedro DERIJCKERE,
- Ingrid LECONTE,
- Urbain D'HAENE,
- Adeline VERBRUGGHE,
- de stad MENEN, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. VANSUYT, kantoor houdende te 8930 MENEN-LAUWE, Lauwebergstraat 110 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
- tussenkomende partij : de NMBS HOLDING, die woonplaats kiest bij Advocaat J. BOUCKAERT, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Pedro DERIJCKERE, Ingrid LECONTE, Urbain D'HAENE, Adeline VERBRUGGHE en de stad MENEN op 27 oktober 2005 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 1 september 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de NMBS de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het bouwen van een nieuwe vakwerkmast van 24 meter met twee GSM-R antennes op een terrein gelegen te Menen aan de Kleine Molenstraat, kadastraal bekend onder Menen 3 de afdeling Sectie C, nr. 0732B; Gezien de nota van de verwerende partij; X-12.541-1/7 Gelet op de beschikking van 3 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. DEDEURWAERDER die, loco Advocaat J. VANSUYT verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat Y. FRANÇOIS die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaten J. BOUCKAERT en T. GERNAEY die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de naamloze vennootschap van publiekrecht NMBS HOLDING met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
- Overwegende dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM) West-Vlaanderen bij besluit van 1 september 2005 aan de NMBS de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor het bouwen van een nieuwe vakwerkmast van 24 m met twee GSM-R antennes erop, op een terrein gelegen te Menen, aan de Kleine Molenstraat, kadastraal bekend onder Menen 3de afdeling (Lauwe), Sectie C, nr. 732 b; dat deze vergunning het voorwerp vormt van de voorliggende vordering tot schorsing;
- Overwegende dat de verweerder ten aanzien van elk van de verzoekers excepties van onontvankelijkheid van de vordering opwerpt, afgeleid uit de laattijdigheid van de vordering en uit het ontbreken van een belang; Overwegende dat de verweerder en de tussenkomende partij een bijkomende exceptie van onontvankelijkheid opwerpen, gericht tegen de vordering ingesteld door de vijfde verzoekster, op grond van het ontbreken van een beslissing van haar bevoegde orgaan; X-12.541-2/7 Overwegende dat er geen noodzaak is om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat immers uit de hiernavolgende bespreking zal blijken dat aan een van de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering niet is voldaan, zodat de vordering om die reden in elk geval moet worden afgewezen;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat de verzoekers in een enig middel de schending inroepen van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het beginsel dat elke bestuurshandeling een materiële grondslag moet hebben, alsmede van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekers in de eerste plaats aanvoeren dat het bestreden besluit niet de concrete feitelijke gegevens vermeldt waarop het steunt; dat het bestreden besluit niet rept over het alternatief dat door de stad Menen in haar ongunstig advies was voorgesteld, en dat inhield dat de mast 500 meter verder geplaatst kon worden, weg van de bewoning, in de industriezone LAR; dat het plaatsen van een vakwerkmast in een bosuitbreidingsgebied totaal onverenigbaar is met een goede plaatselijke aanleg of een degelijke ruimtelijke ordening; dat het bestreden besluit genomen is met miskenning van de motiveringsplicht; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning, in het licht van de zeer ernstige gevolgen van de vakwerkmast voor de woon- en leefkwaliteit van de verzoekers en het voorstel van alternatieve oplossing, manifest onredelijk is; Overwegende dat het middel, in zoverre het de schending inroept van het zorgvuldigheidsbeginsel, niet aangeeft waarin de schending van dat beginsel zou bestaan; dat het middel in zoverre onontvankelijk lijkt; Overwegende, wat betreft de ingeroepen schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dat de artikelen 2 en 3 van die wet bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met X-12.541-3/7 individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan die beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn; dat hieruit volgt dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar in de beslissing over de bouwaanvraag zelf de concrete gegevens dient te vermelden waarop hij zich heeft gesteund om tot het besluit te komen dat de gevraagde stedenbouwkundige vergunning verleend kan worden; Overwegende dat het bestreden besluit vaststelt dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de bestemming van het betrokken perceel volgens het gewestplan Kortrijk, doch dat bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen op grond van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan, voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied; Overwegende dat het bestreden besluit voorts ingaat op de bezwaren die onder meer door de eerste vier verzoekers zijn ingediend; dat het vaststelt dat die bezwaren wijzen op een mogelijke hinder in verband met de gezondheid, de waardevermindering van eigendommen, de esthetische aantasting van de omgeving en de nadelige invloed op de fauna en de flora van de omgeving; dat het op elk van die bezwaren een uitdrukkelijk antwoord geeft; dat het, meer bepaald wat betreft de hinder in verband met de gezondheid, overweegt dat de Wereldgezondheidsorganisatie inzake de uitgezonden straling normen heeft aanbevolen, dat de in België geplaatste GSM-installaties in de praktijk vele malen onder deze normen blijven, dat het voorzorgsprincipe op die wijze volledig gerespecteerd is, en dat ervan uitgegaan kan worden dat het gezondheidsaspect voldoende onder controle is; dat het, wat betreft de esthetische aantasting van de omgeving, overweegt dat de bouwplaats is gelegen langs de spoorweg en paalt aan een brug, dat de constructie is voorzien in vakwerk en van een onopvallende kleur is, en dat de aanvraag dan ook verenigbaar is met de bestaande plaatselijke aanleg; Overwegende dat het bestreden besluit ten slotte vaststelt dat de bouwplaats is gelegen in een landelijke omgeving met gespreide bebouwing en - nogmaals- dat deze paalt aan een spoorweg en aan een brug over deze spoorweg, dat X-12.541-4/7 de aanvraag tot doel heeft om een vakwerkpyloon met technische installatie te plaatsen, en dat de mast een hoogte heeft van 24 m; dat het onder het opschrift "beoordeling van de goede ruimtelijke ordening" overweegt dat de aanvraag, gelet op de plaatsing van de mast in de nabijheid van andere lijninfrastructuren en op het feit dat de aanvraag deel uitmaakt van het netwerk van openbaar nut, verenigbaar is met de gewenste plaatselijke aanleg; Overwegende dat het bestreden besluit aldus de juridische en de feitelijke overwegingen lijkt te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat het bovendien een uitdrukkelijk antwoord bevat op elk van de bezwaren van de eerste vier verzoekers, en bijgevolg ook op het advies van de vijfde verzoekster, die de genoemde bezwaren gegrond verklaard heeft en op grond van die bezwaren een ongunstig advies heeft gegeven; Overwegende dat, nu het bestreden besluit de redenen opgeeft ter verantwoording van het verlenen van de vergunning voor het oprichten van een mast op de door de tussenkomende partij aangegeven plaats, het niet meer hoefde in te gaan op de argumenten die door de eerste vier verzoekers in hun bezwaar waren aangevoerd ter verantwoording van de door hen geopperde mogelijkheid tot oprichting van de mast op een andere plaats; Overwegende dat het bestreden besluit aldus geen miskenning lijkt in te houden van de formele motiveringsplicht, opgelegd bij de artikelen 2 en 3, eerste lid, van de wet van 29 juli 1991; Overwegende, wat betreft de ingeroepen schending van het algemeen rechtsbeginsel dat elke bestuurshandeling een materiële grondslag moet hebben, dat dit beginsel te dezen geconcretiseerd wordt in artikel 3, tweede lid, van de wet van 29 juli 1991; dat volgens die bepaling de motivering afdoende moet zijn; dat dit betekent dat de opgegeven redenen het betrokken besluit moeten kunnen dragen; Overwegende dat, zoals uit de hiervóór aangehaalde redenen blijkt, het bestreden besluit verwijst naar artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 als rechtsgrond voor de afwijking van de bestemming van het betrokken perceel volgens het gewestplan; dat het voorts de concrete redenen opgeeft waarom de aanvraag verenigbaar geacht wordt met de goede ruimtelijke X-12.541-5/7 ordening; dat de verzoekers niet aanvoeren dat de genoemde bepaling te dezen niet relevant zou zijn, of dat de feitelijke gegevens waarvan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar is uitgegaan, niet correct zouden zijn; dat niet blijkt dat het bestreden besluit een miskenning zou inhouden van de materiële motiveringsplicht als opgelegd bij artikel 3, tweede lid, van de wet van 29 juli 1991; Overwegende, wat betreft de ingeroepen schending van het redelijkheidsbeginsel, dat de verzoekers verwijzen naar de zeer ernstige bezwaren tegen de oprichting van de mast, in het bijzonder omwille van de visuele hinder en de schade voor de gezondheid van de omwonenden, en naar de weigering van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar om rekening te houden met de mogelijkheid om de mast op te richten op een plaats waar ze geen hinder voor enige omwonende zou veroorzaken; dat, zoals hiervóór is opgemerkt, het bestreden besluit uitdrukkelijk aangeeft waarom het beweerde risico voor de gezondheid en de beweerde esthetische aantasting van de omgeving niet eraan in de weg staan dat de aanvraag verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening; dat het de Raad van State, als rechter belast met het wettigheidstoezicht op handelingen van administratieve overheden, niet toekomt om zijn beoordeling van de feitelijke gegevens in de plaats te stellen van die van de vergunningverlenende overheid; dat de verzoekers geen concrete gegevens aanbrengen die in deze stand van het geding de conclusie kunnen wettigen dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar kennelijk onredelijk is; dat uit het feit dat in het bestreden besluit niet ingegaan wordt op de door de verzoekers geopperde mogelijkheid dat een mast eventueel op een andere plaats opgericht zou kunnen worden, niet lijkt te volgen dat de beoordeling van de aanvraag, zoals ingediend door de tussenkomende partij, kennelijk onredelijk is; dat een schending van het redelijkheidsbeginsel dan ook niet lijkt te worden aangetoond; Overwegende dat het middel niet ernstig is; X-12.541-6/7
- Overwegende dat niet is voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de NMBS HOLDING in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien november 2005, door : de H.. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.541-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.159 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.096 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.