id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.183 Rolnummer: A. 124489/XIV-11008 Zaak: Arrest 151183 - - 10/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 04:24 Fiche Arrest nr 151.183 van 10 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.183 van 10 november 2005 in de zaak A. 124.489/XIV-11.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat R. COLLIN, kantoor houdende te 6900 MARCHE-EN-FAMENNE, Avenue de la Toison d’Or 27 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 13 maart 1970 en van Nepalese nationaliteit, op 25 juli 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 juni 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 januari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 31 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag d.d. 1 maart 2005 opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-11.008-1/8 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 1 juni 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MEULEMANS die, loco Advocaat R. COLLIN, verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 4 december 2001 en verklaart zich vluchteling op 5 december
- 1.
- Op 22 januari 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 27 juni 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Buiten dit criterium steun ik mij op de volgende grond, voorzien in art. 52 van de Vreemdelingenwet: kennelijk ongegrond. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandig- heden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde de Nepalese nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Dhojkun in Sindhupalchowk. Sinds 01/06/2057 (Gregoriaanse kalender 17 september 2000) zou u aanhanger zijn geworden van de “Communist Party Nepal – Maoist” (CPN – M). Hiertoe zou u een financiële bijdrage hebben geleverd, waarvan u een ontvangstbewijs zou hebben verkregen. U zou “postbode” hebben gespeeld voor “Maobadi”. Bij uw zoektocht naar uw vader in het districtspolitiekantoor van Chautara, waar uw vader na zijn arrestatie op 18/08/2056 (4 XIV-11.008-2/8 december 1999) zou zijn opgesloten, zou de politie u hebben aangehouden op grond van het verlenen van hulp aan de maoïsten. Vijf dagen later zou u evenals uw vader zijn vrijgelaten. Aan een theestalletje te Maithan V.D.C., op uw weg naar Tauthali V.D.C., zou u door de politie zijn aangehouden op 24/07/2057 (9 november 2000) en zijn opgesloten in het plaatselijke politiekantoor. U zou ervan beschuldigd zijn een maoïst te zijn. Echter, bij gebrek aan bewijzen zou u de volgende ochtend zijn vrijgelaten. Op 15/03/2057 (29 juni 2000) zou u zijn gedwongen door enkele leden van “Maobadi” om met hen mee te gaan met het doel een strafcampagne uit te voeren op de corrupte L. B. B.. De volgende dag zou u door L. B. B. zijn aangewezen als schuldige en zou u zijn opgepakt door de politie. U zou vijf dagen zijn opgesloten in het politiekantoor van Barabise. Via tussenkomst van een lid van de politieke partij “United Marxist Leninist” uit uw V.D.C. zou u zijn vrijgekomen. Bij uw terugkeer vanuit Gaire op 12/09/2057 (27 december 2000) zou u Ram Prasad Sapkota hebben ontmoet. Op straat zou u samen door de politie zijn opgepakt. Later bleek Ram Prasad Sapkota een gezocht “Maobadi”-lid te zijn. U zou zijn opgesloten in het districtspolitiekantoor van Charikot. De volgende ochtend zou u op garantie van uw schoonbroer uit Charikot zijn vrijgelaten. Op 18/11/2057 (1 maart 2001) zou tijdens het bezoek van drie “Maobadi”-leden aan uw woning plots de politie zijn binnengeval- len. U zou gedurende 27 dagen zijn gedetineerd in het Chautara-politiekantoor. Tijdens de ondervragingen door de politie zou uw linkerarm gebroken zijn. Op 15/12/2057 (28 maart 2001) zou u met behulp van uw V.D.C.- voorzitter en V.D.C.- secretaris op vrije voeten zijn gesteld. Nadien zou u naar Kathmandu zijn gegaan om onder te duiken. In het kader van het Koningsdrama zou toen te Kathmandu een samenscholingsverbod zijn opgelegd. U zou dit echter genegeerd hebben en op 24/02/2058 (6 juni 2001) zou u door de politie zijn aangehou- den. U zou zijn opgesloten in het districtspolitiekantoor van Hanumandhoka. De volgende dag zou u zijn vrijgelaten. Op 02/08/2058 (17 november 2001) zou u naar uw V.D.C. zijn teruggekeerd. Op 04/08/2058 (19 november 2001) zou u van enkele onbekende “Maobadi”- leden de opdracht hebben gekregen de volgende dag een zak naar Khemane Thami in Chakote te brengen. De volgende ochtend zouden enkele politieagenten uw woning zijn binnengevallen om een huiszoeking te verrichten. U zou het op een lopen gezet hebben naar het “Boanthali Forest”. ’s Avonds zou u huiswaarts gekeerd zijn. Daar zou u te horen hebben gekregen dat de zak in beslag werd genomen door de politie en u beschuldigd werd van terrorisme daar er een bom verborgen zat in de zak. Daarop zou u te voet naar Jaljale V.D.C. zijn gegaan. De volgende dag zou u de bus naar Kathmandu hebben genomen, waar u op 06/08/2058 (21 november 2001) zou zijn gearriveerd. Op 12/08/2058 (27 november 2001) zou u per bus via Sunauli de grens met India zijn overgestoken naar Nautanuwa. Per riksja zou u naar Ridau zijn gegaan om daar de bus naar Delhi te nemen. Vervolgens zou u op 18/08/2058 (3 december 2001) per vliegtuig vanuit Delhi naar Parijs zijn afgereisd. Op 20/08/2058 (5 december 2001) zou u per auto België bereikt hebben. U vroeg hier dezelfde dag asiel aan. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat uw opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (D.V.Z.) en voor het Commissariaat-generaal (C.G.V.S.) enkele fundamentele tegenstrijdigheden bevatten waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas volledig in het gedrang komt, temeer daar zij de kern van uw relaas raken. Zo verklaarde u op de DVZ dat u vijf dagen na uw aanhouding op 23/08/2056 zou zijn vrijgelaten wegens gebrek aan bewijzen. Uw vader zou sinds zijn aanhouding op 18/08/2056 spoorloos zijn verdwenen. (Zie DVZ, p.12). Op het CGVS verklaarde u echter dat u op 28/08/2056 zou zijn vrijgelaten omdat uw vader, die voordien zou zijn gedetineerd in het Chautara-districtspolitiekantoor, intussen ook op vrije voeten zou zijn gesteld. (zie CGVS, p.3). Verder verklaarde u op de DVZ dat u bij uw vrijlating na uw tweede arrestatie op 16/03/2057 zelf besloten zou hebben met “Maobadi” samen te werken (zie DVZ, p.13). Op het CGVS verklaarde u daarentegen dat u onder dwang als sympathisant zou hebben gewerkt voor “Maobadi" en dat uw steun voor deze partij nooit oprecht zou zijn geweest (zie CGVS, pp.3 en 7). Ook verklaarde u op de DVZ dat u op 01/06/2057 zou zijn ingeschreven bij de Maoïstische Partij als lid (zie DVZ, p.13), terwijl u op het CGVS beweerde louter een gedwongen ”aanhanger” van de Maoïstische Partij te zijn geweest (zie pp.3 en 7). Bovendien verklaarde u op de DVZ dat u op 24/07/2057 met Shanti Parajuli en Narayan Neupane, twee andere leden van de “Maobadi”-partij, in Tauthali zou zijn opgepakt door de politie (zie DVZ, p.13). Echter, op het CGVS verklaarde u aan een theestalletje in Maithan te zijn aangesproken door een onbekende dame, Shanti Parajuli genaamd, waarna de politie u en Narayan Neupane zou hebben aangehouden (zie CGVS, pp.3 en 4). Over de arrestatie van Shanti Parajuli repte u met geen woord. Daarenboven verklaarde u op de DVZ een vierde maal te zijn aangehouden toen u samen met uw vriend Ram Prasad van een partijvergadering te Gaire naar huis zou zijn teruggekeerd (zie DVZ, p.13). Dit in tegenstelling tot het CGVS, waar u weliswaar ook beweerde te zijn opgepakt maar volhield Ram Prasad Sapkota op straat te hebben ontmoet bij uw terugkeer van een postopdracht voor de Maoïstische Partij (zie CGVS, p.4) en hem niet te hebben gekend. Tenslotte verklaarde u voor de DVZ dat u tijdens uw verblijf in België eenmaal contact zou hebben gehad met uw tante (zie DVZ, p.14), terwijl u op het CGVS beweerde sedert uw aankomst in België geen contact te hebben gehad met uw familie (zie CGVS, p.9). Vervolgens dient er gewezen te worden op het feit dat u op het CGVS geen identiteits- documenten kon voorleggen en u bijgevolg uw identiteit noch uw afkomst aannemelijk kon XIV-11.008-3/8 maken. Uit informatie waarover het CGVS beschikt, blijkt immers dat er voldoende bewijsmogelijkheden bestaan in Nepal teneinde u als Nepalese asielzoeker in staat te stellen uw identiteit op het CGVS met documenten te staven. (bron: “Missierappport Nepal dd. maart 2002” (Missie uitgevoerd door een vertegenwoordiging van CEDOCA, documentatie- en researchdienst van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de Staatlozen, p.15- 16). Bovendien bracht u op het CGVS onvoldoende gegevens naar voren waaruit afgeleid kan worden dat er in hoofde van u ernstige aanwijzingen zijn van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Génève. Uit voormeld rapport treedt immers naar voren dat het uiterst merkwaardig is wanneer u als Nepalese asielzoeker geen documenten met betrekking tot uw ingeroepen problemen kan voorleggen. (bron: “Missierapport Nepal dd. maart 2002” p.25-28). Tenslotte kan ook vermeld worden dat u als ‘gedwongen’ sympathisant van de Maoïstische Partij niet aannemelijk kan maken waarom u geen beroep gedaan hebt op het interne vluchtalternatief om zo uw plaatselijke moeilijkheden te vermijden (Missierapport Nepal, dd. Maart 2002, p. 27-28 + actualisatie Missierapport Nepal, nota CEDOCA, dd. 07/06/02). Tijdens uw verblijf van ongeveer zes maanden in Kathmandu, gedurende het Koningsdrama, zou u weliswaar eenmaal door de politie zijn opgepakt maar dit zou evenwel gebeurd zijn nadat u het samenscholingsverbod opgelegd door de Nepalese overheid moedwillig genegeerd had. Hierbij is er geen sprake van persoonlijke vervolging zoals bedoeld in de Geneefse conventie, maar uw aanhouding valt eerder te kaderen in de gemeenrechtelijke sfeer aangezien het hier hoedanook een strafrechtelijk feit betreft. (...).”.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van artikel 1 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, zowel artikel 62 van de Vreemdelingenwet als de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; 2.
- Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te XIV-11.008-4/8 bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris- generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat: - verzoekers verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat- generaal een aantal fundamentele tegenstrijdigheden bevatten; - verzoeker op het Commissariaat-generaal geen identiteitsdocumenten kon voorleggen en bijgevolg noch zijn identiteit noch zijn afkomst kon bewijzen; - verzoeker, als gedwongen sympathisant van de Maoïstische Partij, niet kon aantonen waarom hij geen beroep heeft gedaan op het interne vluchtalternatief om zo de plaatselijke moeilijkheden te vermijden; 2.2.
- Overwegende dat de tegenstrijdigheden tussen de verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal betrekking hebben op de kern van verzoekers asielrelaas: - verzoeker verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij werd aangehouden nadat hij op zoek ging naar informatie over zijn vader, die was gearresteerd, maar dat hij na vijf dagen werd vrijgelaten wegens gebrek aan bewijzen; zijn vader zou sinds zijn arrestatie spoorloos zijn; verzoeker verklaarde op het Commissariaat-generaal daarentegen dat hij zou zijn vrijgelaten omdat zijn vader vrijgelaten was; - verzoeker verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij na zijn tweede arrestatie zelf besloot om met “Maobadi” samen te werken en lid van de partij werd, terwijl hij voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij onder dwang voor “Maobadi” werkte en zijn steun voor deze partij nooit oprecht was; - verzoeker verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij samen met twee leden van de “Maobadi”-partij, waaronder Shanti Parajuli, in Tauthali werd opgepakt door de politie, terwijl hij voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij in Maithan werd aangesproken door een onbekende dame, Shanti Parajuli; hij zou na die ontmoeting samen met een ander partijlid door de politie zijn aangehouden maar vermeldde niet dat Shanti Parajuli ook werd gearresteerd; - verzoeker beweerde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij voor een vierde maal werd aangehouden toen hij met een vriend van een partijvergadering kwam, terwijl hij voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij die persoon op straat ontmoette na het vervullen van een postopdracht voor de partij; XIV-11.008-5/8 - verzoeker verklaarde bij de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij tijdens zijn verblijf in België éénmaal contact had met zijn tante, terwijl hij voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij sedert zijn aankomst geen contact heeft gehad met zijn familie; Overwegende dat verzoeker in het verzoekschrift de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden poogt te weerleggen; dat hij betoogt dat de tegenstrijdigheid betreffende de toestand van zijn vader, een gevolg is van interpretatieproblemen; dat verzoeker bevestigt dat hij altijd een sympathisant van de maoïstische partij is geweest maar nooit formeel lid en dat hij sinds 17 september 2000 hun activiteiten financieel steunde; dat verzoeker aanvoert dat er geen tegenstrijdigheid is omtrent de arrestatie van Shanti Parajuli want dat het niet abnormaal is dat hij bij de Dienst Vreemdelingenzaken deze arrestatie wel en bij het Commissariaat-generaal niet vertelde, omdat hij bij deze laatste instantie enkel antwoordde op de hem gestelde vragen; dat verzoeker betoogt dat de tegenstrijdigheid omtrent zijn vierde arrestatie het gevolg is van een verkeerde interpretatie; dat verzoeker antwoordt dat de tegenstrijdigheid betreffende het contact met zijn familie te verklaren valt doordat hij veronderstelde dat tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal hem werd gevraagd of hij sinds zijn aankomst in België nog contact heeft gehad met zijn ouders; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat, wanneer men de verhoorverslagen vergelijkt, verzoeker bij de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat zijn vader spoorloos verdwenen is en hij werd vrijgelaten na vijf dagen bij gebrek aan bewijs terwijl hij op het Commissariaat-generaal verklaarde dat hij en zijn vader werden vrijgelaten; dat eveneens uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker na zijn arrestatie besloot om samen te werken met de “Maobadi”en lid werd, terwijl uit het verslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat verzoeker verklaarde dat hij niet vrijwillig lid is geworden; dat uit het verhoorverslag blijkt dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingen- zaken verklaarde dat hij samen met twee andere leden van “Maobadi”, waaronder Shanti Parajuli, een brief van de partij moest bezorgen in Tauthali, alwaar zij werden gearresteerd, terwijl uit het verslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat hij Shanti Parajuri pas ontmoette op het festival in Maithan en dat hij haar niet kende toen hij werd gearresteerd; dat tenslotte uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker verklaarde dat hij nog contact had met zijn tante die hem vertelde dat de politie nog altijd naar hem op zoek was, maar tijdens het verhoor bij het Commissariaat-generaal verklaarde hij dat hij geen contact meer had met zijn familie; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker argumenteert dat hij geen identiteits- documenten kan voorleggen omdat hij tijdens zijn vlucht niets heeft kunnen meenemen en hij over zijn reisdocumenten geen controle had; dat uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat er in Nepal verschillende documenten bestaan die de identiteit van een kandidaat-vluchteling, afkomstig uit Nepal, zouden kunnen bewijzen; XIV-11.008-6/8 dat uit diezelfde informatie ook blijkt dat kandidaat-vluchtelingen uit Nepal documenten kunnen laten opsturen door familieleden; dat verzoeker niet aantoont waarom hij geen documenten heeft voorgelegd of heeft laten opsturen door zijn familie in Nepal; dat van een kandidaat-vluchteling nochtans volledige medewerking wordt verwacht tijdens het onderzoek van zijn asielaanvraag; dat het niet voorleggen van een begin van bewijs van verzoekers identiteit de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas aantast, wanneer hij wel de mogelijkheid had om dit bewijs te leveren; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker betoogt dat hij geen gebruik heeft gemaakt van het intern vluchtalternatief omdat de toestand in Nepal te gevaarlijk is; dat de Nepalese overheid geen bescherming kan en wil bieden, zij zelf geweld gebruikt voor kleine overtredingen en de vrijheid van meningsuiting onderdrukt; Overwegende dat uit de informatie waarop het Commissariaat-generaal steunt, blijkt dat sympathisanten of kleine leden van de Maoïstische partij die geen leidinggevende functie binnen de partij vervullen, problemen met de lokale politie kunnen vermijden door gebruik te maken van het intern vlucht-alternatief, omdat de politie niet over de middelen beschikt om hen op nationaal niveau te zoeken; 2.
- Overwegende dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan tot haar besluit is kunnen komen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; dat in een eerste deel van de bestreden beslissing, de feiten, die resulteren uit de neerslag van verzoekers verklaringen tijdens zijn verhoor op het Commissariaat-generaal, nauwkeurig worden weergegeven; dat in een tweede deel zijn verklaringen afgelegd in de loop van de asielprocedure, op een objectieve wijze worden onderzocht, wat zich vertaalt in de motieven van de bestreden beslissing; dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, de Commissaris- generaal in casu nauwkeurig motiveert waarom hij van oordeel is dat verzoekers asielaan- vraag bedrieglijk is; dat verzoeker niet aantoont dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, onwettig zijn; 2.
- Overwegende dat verzoeker de door de Commissaris-generaal weerhouden motieven niet weerlegt; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is, dat het enig middel ongegrond is; XIV-11.008-7/8
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien november tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-11.008-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.183 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.