← België

Arrest 151193 - - 10/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.193 Rolnummer: A. 165157/XII-4515 Zaak: Arrest 151193 - - 10/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-25 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-03 04:26 Fiche Arrest nr 151.193 van 10 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.193 van 10 november 2005 in de zaak A. 165.157/XII-

  1. In zake : Peter PEETERS, die woonplaats kiest bij advocaten Van Betsbrugge, Vandebempt en Partners, kantoor houdende te Tienen, Vierde Lansierslaan 70 tegen : de STAD LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat B. Beelen, kantoor houdende te Leuven, Justus Lipsiusstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter Peeters op 16 augustus 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 3 juni 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven tot bevestiging van zijn 13 april 2005 gedateerde evaluatie “voldoende”, evenals van die evaluatie zelf; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur M. Lefever; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-4515-1/6 Gelet op de beschikking van 23 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 oktober 2005, welke zitting wordt uitgesteld naar 14 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. Van Betsbrugge die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. Beelen, die loco advocaat B. Beelen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. Lefever; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven op 13 januari 2004 beslist een vergelijkende selectieprocedure in te richten met het oog op de samenstelling van een bevorderingsreserve voor de functie van ploegbaas groendienst; dat verzoeker, vast benoemd geschoold arbeider tuinbouw, eerste laureaat van de selectieprocedure is en door het schepencollege op 22 april 2005 in de bevorderingsreserve van ploegbaas groendienst wordt opgenomen; Overwegende dat op 13 april 2005 de controleur en het diensthoofd van de groendienst verzoeker de evaluatie “voldoende” toekennen; dat verzoeker daar met brief van 2 mei 2005 beroep tegen instelt bij het college van burgemeester en schepenen; dat de evaluatiecommissie op 11 mei 2005 voorstelt de eindbeoordeling “voldoende” te handhaven; dat het college op 3 juni 2005 beslist het advies te volgen; Overwegende dat op 5 juli 2005 het college van burgemeester en schepenen Hugo Dams bevordert tot ploegbaas vanaf 1 augustus 2005; dat wordt gemotiveerd dat verzoeker als eerste in de selectieproeven werd gerangschikt, dat artikel 100, § 1, van deel 1 van het administratief statuut bepaalt dat voor een XII-4515-2/6 bevordering het personeelslid een gunstige evaluatie moet krijgen, dat verzoeker als evaluatie “voldoende” kreeg en dat “hierdoor de tweede gerangschikte, de heer Hugo Dams, kan bevorderd worden”; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat verzoeker in de eerste plaats doet gelden dat “de minder gerangschikten in de plaats van hem worden benoemd bij het openvallen van plaatsen als ploegbaas”, zoals is gebeurd bij de bevordering van Hugo Dams; Overwegende dat overeenkomstig artikel 100, § 1, 6, van het personeelsstatuut van de stad Leuven, voor bevordering alleen in aanmerking komen de personeelsleden die gunstig geëvalueerd zijn op het ogenblik van de bevordering; dat verzoeker niet gunstig geëvalueerd was op 5 juli 2005 en daarom is voorbijgezien ten gunste van Hugo Dams; dat een schorsing van de bestreden beslissingen daar niets zou aan veranderen; dat een schorsing immers slechts voor de toekomst werkt; dat nieuwe bevorderingen tot ploegbaas, dan weer, volgens verwerende partij “pas over twee à drie jaar” te verwachten zijn; dat verzoeker dat niet (meer) betwist; dat het aldus, met het oog op die bevorderingen, voor verzoeker zaak is om “over twee à drie jaar” gunstig geëvalueerd te zijn; dat niet duidelijk is hoe een schorsing van de bestreden evaluatie, die slaat op de periode van 1 januari 2004 tot 31 december 2004, daartoe kan bijdragen; dat, gelet op de artikelen 83 en 69 van het personeelsstatuut, de evaluatie jaarlijks dient plaats te vinden, in de loop van het eerste kwartaal; dat, zoals overigens de evaluatiecommissie in haar advies van 11 mei 2005 uitdrukkelijk in het vooruitzicht stelt, een volgende evaluatie van verzoeker begin 2006 moet plaatshebben; dat dan ook voor een bevordering “over twee à drie jaar” die evaluatie, XII-4515-3/6 zo al niet een nog latere -in het eerste kwartaal van 2007 of 2008-, van tel zal zijn; dat het eerste nadeel geen schorsing verantwoordt; Overwegende dat verzoeker als tweede nadeel doet gelden dat de opname in de wervingsreserve beperkt is in de tijd en dat na 2010 de mogelijkheid tot bevordering vervalt; Overwegende dat, zoals gezien, nieuwe bevorderingen tot ploegbaas normaal pas ten vroegste vanaf 2007 zullen gebeuren en daarvoor dan alleen in aanmerking komen de personeelsleden die op dat ogenblik gunstig geëvalueerd zijn; dat voorts moet worden aangenomen dat op genoemd ogenblik niet de aangevochten evaluatie van verzoeker over het jaar 2004 van belang zal zijn, maar die over het jaar 2005 of zelfs nog over een later jaar; dat met betrekking tot deze toekomstige evaluatie de gevraagde schorsing verzoeker niets kan bijbrengen; Overwegende dat, ten slotte, verzoeker zich op een financieel en een moreel nadeel beroept; Overwegende dat hij het financieel nadeel met geen woord toelicht, nog met enig stuk staaft; dat het dan ook niet naar behoren beoordeeld kan worden; Overwegende dat verzoeker ter adstructie van zijn moreel nadeel wezenlijk betoogt dat hij “geboycot” wordt in zijn streven om de ploeg te leiden en om zijn visie naar voor te brengen bij de uitvoering van de werkzaamheden, dat hij in een “sfeer van verdachtmakingen” terechtkomt, dat hij “continu bevelen [moet] opvolgen van een ploegbaas hoewel hij conform de examenresultaten zelf moest worden aangesteld”, en dat zulks de werksfeer en zijn moreel gevoel onherstelbaar belast; Overwegende dat de bestreden beslissingen verzoeker tijdelijk afhouden van een benoeming tot ploegbaas en meebrengen dat hij voorlopig voort “moet luisteren naar de bevelen van de ploegbaas”; dat, ongetwijfeld, de beslissingen XII-4515-4/6 door verzoeker als een koude douche zijn ervaren, waar hij de benoeming, op grond van zijn rangschikking in de bevorderingsreserve, reeds bijna verworven zag; dat er niettemin reden is het morele nadeel dat hij lijdt danig te relativeren; dat verzoeker als geschoold arbeider tuinbouw gewoon is -of zou moeten zijn- de bevelen van de ploegbaas uit te voeren; dat hij, voorts, sinds 1 juli 2005 door de verwerende partij dan toch als vervangende ploegbaas van de ploeg Heverlee aangesteld blijkt; dat, bovendien, verzoeker de beweerde “verdachtmakingen” niet hard maakt; dat hij per slot van rekening in de evaluatie “gunstig” gequoteerd is geworden voor vakkennis en “voldoende” voor verantwoordelijkheidszin, inzet en samenwerking; dat, in zoverre er hem een al te kritische ingesteldheid in wordt aangewreven, dit bezwaarlijk als een kwaadwillige aantijging kan worden uitgelegd; dat verzoeker in zijn verzoekschrift zelf ronduit stelt dat het voor hem “karakterieel moeilijk” is “om geen eigen mening te hebben”; dat het aangevoerde moreel nadeel niet de voor een schorsing vereiste ernst vertoont; Overwegende dat niet aan de tweede grondvoorwaarde voor een schorsing voldaan is; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  3. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4515-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien november 2005, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4515-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.193 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.474 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.