id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.194 Rolnummer: A. 165156/XII-4514 Zaak: Arrest 151194 - - 10/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-26 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-03 04:27 Fiche Arrest nr 151.194 van 10 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.194 van 10 november 2005 in de zaak A. 165.156/XII-
- In zake : Peter PEETERS, die woonplaats kiest bij advocaten W. Van Betsbrugge, W. Vandebempt en Partners, kantoor houdende te Tienen, IVe Lansierslaan 70 tegen : de STAD LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat B. Beelen, kantoor houdende te Leuven, Justus Lipsiusstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter Peeters op 2 september 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 5 juli 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven om Hugo Dams tot ploegbaas te bevorderen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur M. Lefever; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 oktober 2005; XII-4514-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. Van Betsbrugge, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. Beelen, die loco advocaat B. Beelen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. Lefever; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Leuven op 13 januari 2004 beslist een vergelijkende selectieprocedure in te richten met het oog op de samenstelling van een bevorderingsreserve voor de functie van ploegbaas groendienst; dat verzoeker, vast benoemd geschoold arbeider tuinbouw, eerste laureaat van de selectieprocedure is en door het schepencollege op 22 april 2005 in de bevorderingsreserve van ploegbaas groendienst wordt opgenomen; Overwegende dat op 13 april 2005 de controleur en het diensthoofd van de groendienst verzoeker de evaluatie “voldoende” toekennen; dat verzoeker daar met brief van 2 mei 2005 beroep tegen instelt bij het college van burgemeester en schepenen; dat de evaluatiecommissie op 11 mei 2005 voorstelt de eindbeoordeling “voldoende” te handhaven; dat het college op 3 juni 2005 beslist het advies te volgen; Overwegende dat op 5 juli 2005 het college van burgemeester en schepenen Hugo Dams bevordert tot ploegbaas vanaf 1 augustus 2005; dat wordt gemotiveerd dat verzoeker als eerste in de selectieproeven werd gerangschikt, dat artikel 100, § 1, van deel 1 van het administratief statuut bepaalt dat voor een bevordering het personeelslid een gunstige evaluatie moet krijgen, dat verzoeker als evaluatie “voldoende” kreeg en dat “hierdoor de tweede gerangschikte, de heer Hugo Dams, kan bevorderd worden”; XII-4514-2/6 Overwegende dat verwerende partij verzoekers belang bij de vordering betwist; dat een onderzoek van en een uitspraak over de exceptie zich slechts zouden opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan zou zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat verzoeker in de eerste plaats doet gelden dat de duurtijd van de wervingsreserve beperkt is tot 28 februari 2010 en dat “het zeer goed mogelijk [is] dat verzoeker niet meer aan bod komt [om te worden bevorderd] zelfs indien hij bij verdere evaluaties nog gunstig of bijzonder gunstig zou worden gecatalogeerd”; Overwegende dat het gevaar dat verzoeker zonder inwilliging van zijn vordering riskeert niet meer tot ploegbaas bevorderd te geraken, in de huidige stand van zaken als al te hypothetisch moet worden beschouwd; dat, enerzijds, verwerende partij geloofwaardig argumenteert dat er over twee à drie jaar “3 plaatsen als ploegbaas vrijkomen”; dat het gaat om de plaatsen die momenteel bezet zijn door J. Van Mensel, J. Hermans en H. Boisschot; dat wordt uiteengezet dat de eerste twee, respectievelijk 58 en 57 jaar oud, verklaarden met zestig jaar op pensioen te gaan, en dat H. Boisschot normaal L. Buellens, controleur-stockbeheer, zal opvolgen, die in 2008 verplicht met pensioen gaat; dat, anderzijds, om voor die bevorderingen in aanmerking te komen, het vanwege artikel 100, § 1, 6, van het personeelsstatuut van de stad Leuven vereist is, maar ook volstaat, dat verzoeker op dàt ogenblik, hetzij dus over twee à drie jaar, gunstig geëvalueerd is; dat dit voor verzoeker niet onoverkomelijk kan zijn; dat, gelet op de artikelen 83 en 69 van het personeelsstatuut, de evaluatie jaarlijks dient plaats te vinden, in de loop van het eerste kwartaal; dat, XII-4514-3/6 zoals overigens de evaluatiecommissie in haar advies van 11 mei 2005 uitdrukkelijk in het vooruitzicht stelt, een volgende evaluatie van verzoeker begin 2006 moet plaatshebben; dat het eerste nadeel geen schorsing verantwoordt; Overwegende dat verzoeker als tweede nadeel doet gelden dat Hugo Dams bevorderd kan worden tot controleur, minstens ervaring kan opdoen die zijn promotiekansen vergroot; Overwegende dat Hugo Dams niet tot controleur bevorderd kan worden dan nadat hij in een bekwaamheidsproef daartoe slaagde en op voorwaarde dat er een plaats van controleur beschikbaar is; dat, wat het eerste betreft, niet blijkt, of zelfs maar beweerd wordt, dat hij daar aan voldoet; dat, wat het tweede betreft, verwerende partij verklaart dat “er lange tijd geen plaatsen van controleur zullen vrijkomen”, afgezien dan van de plaats die L. Buellens thans bezet, en die in 2008 in principe naar H. Boisschot zal gaan, gelet op zijn uitslag in het betreffende vergelijkend examen; dat immers “de huidige controleurs allen dertigers en veertigers zijn”; dat bijgevolg ook het gevaar van een bevordering van Hugo Dams tot controleur, vooraleer de Raad van State uitspraak heeft gedaan over verzoekers vordering tot nietigverklaring van zijn benoeming tot ploegbaas, in de huidige stand van zaken té hypothetisch voorkomt; dat, nà een retroactieve vernietiging, Hugo Dams in rechte geacht zal moeten worden nooit ploegbaas te zijn geweest en bijgevolg ook nooit “ervaring als ploegbaas in functie opgebouwd” te hebben; Overwegende dat, ten slotte, verzoeker zich op een financieel en een moreel nadeel beroept; Overwegende dat hij het financieel nadeel met geen woord toelicht, noch met enig stuk staaft; dat het dan ook niet naar behoren beoordeeld kan worden; Overwegende dat verzoeker ter adstructie van zijn moreel nadeel wezenlijk betoogt dat hij “geboycot” wordt in zijn streven om de ploeg te leiden en om zijn visie naar voor te brengen bij de uitvoering van de werkzaamheden, dat hij XII-4514-4/6 in een “sfeer van verdachtmakingen” terechtkomt en dat er een “extra morele en psychische druk” is omdat hij de eerste in het vergelijkend examen was en hij “een normale verwachting had” dat “de bevordering in orde was”; Overwegende dat met verzoeker kan worden aangenomen dat de bestreden beslissing hem een koude douche heeft bezorgd, waar hij, op grond van zijn eerste plaats in de bevorderingsreserve, dacht de betrokken bevordering zelf bijna op zak te hebben; dat evenwel ook voor verzoeker de voorwaarde van artikel 100, § 1, 6, van het personeelsstatuut van de stad Leuven geldt, volgens welke bepaling de personeelsleden op het ogenblik van de bevordering gunstig geëvalueerd moeten zijn om voor bevordering in aanmerking te komen; dat hij dat niet was, en alleen om die reden is voorbijgezien; dat het aldus in essentie aan zijn evaluatie “voldoende” is toe te schrijven dat verzoekers verwachting om tot ploegbaas bevorderd te worden, niet is uitgekomen; dat, dienvolgens, het besproken morele nadeel in wezen teruggaat op verzoekers evaluatie “voldoende”, waartegen hij overigens een afzonderlijke vordering tot schorsing heeft ingesteld; dat hij daarin hetzelfde moreel nadeel heeft doen gelden als te dezen; dat het bij arrest nr. 151.193 van 10 november 2005 verworpen is geworden omdat het niet de voor een schorsing vereiste ernst vertoont; dat de Raad van State bij dat oordeel blijft; dat ook het derde nadeel niet wordt aangenomen; Overwegende dat niet aan de tweede grondvoorwaarde voor een schorsing voldaan is; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. XII-4514-5/6 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien november 2005, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4514-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.194 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.318 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.088 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.