id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.196 Rolnummer: A. 163743/XII-4480 Zaak: Arrest 151196 - - 10/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-24 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 04:28 Fiche Arrest nr 151.196 van 10 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.196 van 10 november 2005 in de zaak A. 163.743/XII-
- In zake : Wesley DEMEESTERE, die woonplaats kiest bij advocaat F. Delporte, kantoor houdende te Kuurne, Koning Albertstraat 13 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Wesley Demeestere op 27 juni 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 28 april 2005 van de minister van Binnenlandse Zaken om hem geen identificatiekaart uit te reiken voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 20 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 oktober 2005, welke zitting werd uitgesteld naar 14 oktober 2005; XII-4480-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Delporte, die verschijnt voor verzoeker, en van attaché D. Van Dam, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bewakingsonderneming BVBA Argon op 20 juni 2003 een aanvraag indient tot het verkrijgen van een identificatiekaart voor verzoeker, voor een uitvoerende functie binnen de onderneming; dat dientengevolge een zogenaamd veiligheidsonderzoek aangaande verzoeker wordt gevoerd; dat in zijn verslag daarover, van 27 augustus 2004, de hoofdinspecteur van de federale politie gewag maakt van feiten in verband met opzettelijke slagen en verwondingen, diefstal en verboden wapendracht; dat met een brief van 2 september 2004 aan verzoeker wordt meegedeeld dat de minister van Binnenlandse Zaken vanwege die feiten overweegt de aangevraagde kaart te weigeren; dat verzoekers raadsvrouw op 6 oktober 2004 een verweerschrift indient; dat op 28 april 2005 de minister beslist de identificatiekaart te weigeren omdat verzoeker “niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, lid 1, 8/ van de bewakingswet”; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; XII-4480-2/7 Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert “van het artikel 6, 8/ van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, beveiligingsondernemingen en interne bewakingsdiensten”; dat verzoeker toelicht dat de bestreden beslissing uitgaat van een aantal feiten van 1996 tot 2004, dat de letter en de geest van de wet worden miskend door rekening te houden met feiten uit 1996, dat de feiten die een ernstige tekortkoming zouden uitmaken aan de beroepsdeontologie zich situeren op een ogenblik dat verzoeker niet aan enige beroepsdeontologie was onderworpen of voor wat het feit uit 2004 betreft, op een ogenblik dat verzoeker in de strikte privésfeer was, dat “geen verregaande maatregel [kan] worden opgelegd voor een tekortkoming die met het beroep als veiligheidsagent niets te maken heeft”; Overwegende dat naar eis van artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten -thans de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en de bijzondere veiligheid-, verzoeker moet voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden, noodzakelijk voor een uitvoerende functie, en geen feiten gepleegd mag hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie uitmaken en daarom raken aan het vertrouwen in de betrokkene; dat vooralsnog met de verwerende partij, in de bestreden beslissing, wordt aangenomen dat met de hiervoor vermelde feiten bedoeld worden: feiten die uitwijzen dat de betrokkene niet over de ingesteldheid en integriteit beschikt die verwacht mag worden van een moreel en professioneel betrouwbare bewakingsagent; dat, op het eerste gezicht, de overheid ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt; Overwegende dat de bestreden beslissing vier feiten in aanmerking neemt; dat, met betrekking tot twee feiten van slagen en verwondingen, de verwerende partij motiveert dat zij het vermoeden doen rijzen dat verzoeker tijdens de uitoefening van zijn bewakingsactiviteiten niet op een geweldloze manier te werk zou gaan en dat hij niet in staat is om in een conflictsituatie zijn kalmte en zelfbeheersing te bewaren, terwijl nochtans het gebruik van geweld niet is toegestaan tijdens de uitoefening van XII-4480-3/7 bewakingsactiviteiten; dat, aangaande een feit van winkeldiefstal, de bestreden beslissing stelt dat “er met reden twijfel bestaat of een persoon die in het verleden het eigendomsrecht van derden niet respecteerde en diefstal pleegde, over de vereiste ingesteldheid beschikt om het beroep van bewakingsagent uit te oefenen, hetgeen inhoudt dat hij de goederen van derden onder meer tegen diefstal moet beschermen”; dat, wat ten slotte een feit van verboden wapendracht betreft, in de beslissing wordt overwogen dat, ofschoon de bewakingsactiviteiten in beginsel ongewapend dienen te worden uitgeoefend en bewakingsagenten niet gerechtigd zijn enige dwang of geweld te gebruiken, er voor gevreesd kan worden “dat verzoeker, die activiteiten wenst uit te oefenen die in se conflictueuze situaties met zich mee kunnen brengen, zijn toevlucht zal nemen tot een verboden wapen zo hij zich bij de uitoefening van zijn bewakingsactiviteiten bedreigd zou voelen”; Overwegende dat het feit van de slagen en verwondingen in 1996 niet zo achterhaald lijkt als verzoeker wil doen geloven; dat het is gevolgd door nieuwe feiten in 1998, 1999 en 2004, die er de blijvende actualiteit van lijken aan te tonen; dat, voorts, het feit van 2004 het dragen van een verboden wapen op de openbare weg betreft en, daardoor, een overtreding van de wapenwetgeving; dat, op het eerste gezicht, het voorval verzoekers “strikte privésfeer” beslist te buiten gaat en door de verwerende partij terecht als “een doorslaggevend element” kon worden beschouwd met betrekking tot verzoekers moraliteit; Overwegende dat in de huidige stand van zaken niet blijkt dat verwerende partij de grenzen van haar appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door op grond van het geheel van de hoger vermelde feiten en argumentaties te hebben gemeend dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van het artikel 6, lid 1, 8/, van de wet van 10 april 1990; Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; Overwegende dat verzoeker in een tweede middel het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden acht, doordat de bestreden beslissing steunt op XII-4480-4/7 nauwelijks onderzochte en geseponeerde dossiers; dat hij doet gelden dat het “ontstellend” is dat een geseponeerd onderzoek kan leiden tot een beroepsverbod en dat hij veroordeeld wordt zonder zich te hebben kunnen verantwoorden; Overwegende dat, zoals uit het hoger vermelde artikel 6, eerste lid, 8/, van de wet van 10 april 1990 volgt, verwerende partij ook feiten die niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling mag betrekken bij het nemen van de beslissing om aan verzoeker al dan niet een identificatiekaart uit te reiken; dat daaraan -dus- niet in de weg staat dat verzoeker “nooit de kans heeft gehad” om zich voor de feiten die tegen hem in rekening worden gebracht, voor een rechtbank te verdedigen; dat zulks geenszins betekent dat hij door de bestreden beslissing “veroordeeld” zou zijn zonder de gelegenheid te hebben gehad zich te verantwoorden; dat de bestreden beslissing hem tot niets veroordeelt, maar alleen een identificatiekaart als bewakingsagent weigert; dat, bovendien, verzoeker wel degelijk verweermiddelen tegen de feiten heeft kunnen inbrengen; Overwegende dat verwerende partij verzoeker met brief van 2 september 2004 heeft uitgenodigd om zich te verweren tegen de feiten waarop, naderhand, de bestreden beslissing is gesteund geworden; dat, verre van de feiten in zijn verweerschrift van 6 oktober 2004 te betwisten of onjuist te noemen, verzoeker er in wezen alleen begrip voor vroeg; dat het volgens hem om “jeugdzonden” ging en hij “een steek heeft laten vallen”; dat, in zoverre verzoeker betwist dat hij zich een verboden wapen heeft aangeschaft, dit niet ter zake doet; dat hem alleen verboden wapendracht wordt verweten; Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; Overwegende dat in een derde middel het zorgvuldigheids- en het proportionaliteitsbeginsel geschonden worden genoemd, doordat het disproportioneel is om verzoeker een zeer zware sanctie op te leggen op grond van feiten die ver in het verleden liggen of die zich in de strikte privésfeer afspelen; XII-4480-5/7 Overwegende dat het middel goeddeels samenvalt met het eerste middel; dat de Raad van State er in de huidige stand van de procedure niet toe kan komen om het feit uit 1996, en de andere van vóór verzoekers meerderjarigheid, irrelevant te vinden, om het feit uit 2004 als een zuivere privékwestie te aanzien en om de bestreden beslissing het resultaat te achten van een onzorgvuldige en onevenwichtige belangenafweging; dat de motivering van de beslissing van het tegendeel doet blijken; dat zij weliswaar getuigt van een grote strengheid, maar strengheid geen synoniem is van onwettigheid; dat ook het derde middel niet ernstig is; Overwegende dat niet aan de eerste van de twee cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan is; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel . De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4480-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien november 2005, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4480-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.196 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.237 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.