← België

Arrest 151197 - - 10/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.197 Rolnummer: A. 115453/XIV-8051 Zaak: Arrest 151197 - - 10/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 04:28 Fiche Arrest nr 151.197 van 10 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.197 van 10 november 2005 in de zaak A. 115.453/XIV-8051. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat M. DEKUYPER, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 83 bus 1 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 9 mei 1968 en van Kazachse nationaliteit, op 7 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 6 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST d.d. 24 februari 2005, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 28 februari 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-8051-1/8 Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DEKUYPER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 29 september 1999 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.2. Op 24 oktober 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 6 december 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is en kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dagen, ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, van Kazachse nationaliteit, verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw echtgenoot op 5 februari 1999 vertrokken is naar Akhmala (Kazachstan) en niet meer is teruggekeerd. Op 25 februari 1999 zou u de verdwijning zijn gaan aangeven bij de politie, maar die zou gezegd hebben de verdwijning niet zo zwaar op te nemen. U zou nog verscheidene malen naar de politie zijn gegaan. Op 29 februari 1999 zou u door onbekenden zijn opgebeld die (

  1. uw)u aanmaanden niet meer naar de politie te gaan. Op 10 maart 1999 zou u naar het hoofdkantoor van de politie gestapt zijn, maar wegens gebrek aan bewijzen zou er niets ondernomen zijn. Op 12 maart 1999 zou u door drie mannen, van wie één in politieuniform, XIV-8051-2/8 geslagen, beledigd en bedreigd zijn. Die nacht zou u een miskraam gekregen hebben en opgenomen zijn in het ziekenhuis tot 16 maart 1999. De artsen zouden de politie gebeld hebben en u zou een medische expertise ondergaan hebben. Na uw ontslag uit het ziekenhuis zou u naar de politie gegaan zijn, maar de documenten van de medische expertise zouden verdwenen zijn. Op 20 maart 1999 zou u door één van uw belagers (de man in politieuniform) zijn opgebeld en hij zou 20 000 dollar geëist hebben. U zou naar verscheidene instanties gestapt zijn, maar de klacht zou nergens aanhoord zijn wegens gebrek aan bewijzen. Op 22 maart zou uw belager opnieuw opgebeld hebben en onder het uiten van bedreigingen 35 000 dollar geëist hebben. Op 4 april 1999 zou u het geëiste bedrag betaald hebben. Enkele dagen later zou uw belager nog eens 35 000 dollar geëist hebben. Op 13 april 1999 zou u uw kind naar uw moeder gebracht hebben en op 15 april 1999 zou u door een onbekende zijn opgebeld met de vraag of u dacht uw kind te kunnen verstoppen. Op 17 april 1999 zou u bij de procureur klacht hebben willen indien tegen de politie, maar de klacht zou geweigerd zijn. Die avond zou u thuis door drie mannen geslagen en vernederd zijn. Eind april 1999 zou u naar uw moeder verhuisd zijn. Eind mei 1999 zou u telefonisch bedreigd zijn door een onbekende. Op 25 juni 1999 zouden u en uw zoontje dichtbij huis zijn aangevallen. Drie mannen zouden geprobeerd hebben uw zoontje te ontvoeren, maar het kind zou zijn kunnen ontkomen. Ook uw moeder zou geslagen zijn. U zou het bewustzijn verloren hebben en ontwaakt zijn in het ziekenhuis. De politie zou gewaarschuwd zijn en u zou een medische expertise hebben ondergaan. Op 24 augustus 1999 zou u onderweg naar huis door één van uw vroegere belagers in de auto getrokken zijn en in het gezicht geslagen zijn. Hij zou naar geld gevraagd hebben en u zou tot 12 september 1999 de tijd gekregen hebben om het gevraagde bedrag bij elkaar te krijgen. U zou naar een kennis gegaan zijn om geld te lenen, deze zou u(
  2. w)echter aangeraden hebben het land te verlaten. Op 20 september 1999 zou u samen met uw zoontje en uw moeder P. L.) Kazachstan verlaten hebben. Op 29 september 1999 zou u in België zijn aangekomen, waar u dezelfde dag asiel aanvroeg. De door u aangehaalde vervolging door de Kazachse overheid en de etnisch-Kazachse bevolking stemt niet overeen met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport Kazachstan van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september-10 oktober 2000; 13 november – 19 december 2000; 6 januari – 23 januari 2001 en Informatie Kazachstan Cedoca, februari 2001; De Standaard en La Libre Belgique, 31 oktober 2000; Le Soir, 20 december 2000; De Standaard – Online-, 3 februari 2001) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging van de Slavische bevolkingsgroep. Er moet aldus worden vastgesteld dat u bedrieglijke verklaringen heeft afgelegd. Daarenboven moet worden vastgesteld dat de door u tot staving van uw asielaanvraag ingeroepen feiten hoe dan ook niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie gekwalificeerd kunnen worden. Uit voormelde informatie blijkt dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning, waardoor het op dit niveau voor personen van Slavische afkomst mogelijk is bescherming te krijgen. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat u omwille van uw etnie niet op bescherming van de Kazachse overheid zou kunnen rekenen. Aldus kan in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door u neergelegde documenten (akte van medische expertise, brief van politie, medisch attest zoon, geboorteakte en geboorteakte zoon) zijn niet van die aard dat zij het bovenstaande wijzigen. Ook in het kader van uw moeder P. L. werd een bevestigende beslissing genomen. De Commissaris-generaal meent dat, ondanks uw verzoek in uw beroepschrift, niet moet worden overgegaan tot een oproeping van u, aangezien uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken voldoende duidelijk blijkt dat uw asielmotieven bedrieglijk en kennelijk ongegrond zijn. (...)”. 2. Over de ontvankelijkheid. 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat het verzoekschrift niet ontvankelijk is omdat het geen uiteenzetting bevat van feiten, zoals vereist door artikel 20, eerste lid, ten tweede van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-8051-3/8 2.2. Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord uiteenzet dat de memorie van de verwerende partij uit de debatten moet worden geweerd omdat ze is opgesteld door een ambtenaar die niet bewijst hiertoe gemachtigd te zijn; dat zij daarnaast verduidelijkt dat de feiten voldoende worden weergegeven in het verzoekschrift; 2.3. Overwegende dat de vertegenwoordiger van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over de rechtens vereiste hoedanigheid en over de wettelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikt om in rechte op te treden voor de Raad van State namens de tegenpartij; dat de overheid zich kan laten vertegenwoordigen door een Advocaat of door een aangestelde of vertegenwoordiger van haar diensten die daartoe gemachtigd werd door de terzake bevoegde overheid; dat de tegenpartij hiertoe periodiek lijsten opstelt die zij verstuurt naar ondermeer de Raad van State; dat de memorie van antwoord bijgevolg regelmatig werd ingediend; Overwegende dat verzoekster in haar verzoekschrift wel degelijk een uiteenzetting van de feiten geeft en middelen ontwikkelt die voldoende duidelijk zijn opdat de Raad van State er zou kunnen op antwoorden; dat deze exceptie wordt verworpen; 3. Over de gegrondheid van de zaak. 3.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen ; dat zij stelt dat het dossier geen inventaris bevat, dat de tolken geen eed hebben afgelegd, dat aan verzoekster geen kopie werd afgeleverd van het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken, dat ze niet werd gehoord op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dat er wordt verwezen naar informatie opgenomen in het dossier van verzoeksters moeder, met name een niet-tegensprekelijk CEDOCA-rapport waarin nochtans melding wordt gemaakt van problemen voor de Slavische bevolking in Kazachstan, en dat verzoekster niet werd ondervraagd over dit rapport; dat zij hieraan toevoegt dat zij geen eerlijke behandeling van haar zaak heeft gehad, dat de mensenrechten werden geschonden evenals de artikelen 30, 10 en 11 van de Grondwet en substantiële pleegvormen; dat er sprake is van bevoegdheidsoverschrijding en machtsoverschrijding; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord samengevat repliceert dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen administratief rechtscollege is waar de hoorplicht en de rechten van de verdediging moeten worden gerespecteerd; dat verzoekster niet met concrete punten XIV-8051-4/8 aanduidt welke opmerkingen zij heeft betreffende het geleverde vertaalwerk; dat er geen hoorplicht bestaat voor het Commissariaat-generaal; dat verzoekster bij de Dienst Vreemdelingenzaken haar asielrelaas heeft toegelicht en dat ze dit schriftelijk kon doen door middel van haar dringend beroepschrift; dat verzoekster bepaalde passages van het Missierapport uit de context rukt en dat zelfs uit deze passages blijkt dat er geen sprake is van vervolging op basis van etnie; 3.1.3. Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord hieraan toevoegt dat ondanks het feit dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen administratief rechtscollege is, de motiveringsplicht toch moet worden nageleefd en dat er daarvoor een dossier nodig is, tot stand gebracht op basis van verhoren en niet zozeer van neergelegde stukken; 3.1.4. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat niet wettelijk is voorgeschreven dat het dossier van het Commissariaat-generaal een inventaris moet bevatten, noch dat de tolken op de Dienst Vreemdelingenzaken een eed dienen af te leggen; dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken op regelmatige wijze is verlopen, dat verzoekster dit verhoorverslag heeft ondertekend en dat zij geen opmerkingen heeft gemaakt over de tolk of de gemaakte vertaling; dat zij inzage kon vragen in haar dossier om aldus het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken en het Missierapport te raadplegen en om eventuele kopieën van deze stukken te bestellen; Overwegende dat niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat- vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat hij van een verhoor kan afzien wanneer hij van oordeel is dat hij voldoende XIV-8051-5/8 ingelicht is omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat enkel vereist is dat de kandidaat-vluchteling nuttig voor zijn belangen en rechten kan opkomen; dat verzoekster bij het indienen van haar dringend beroep de mogelijkheid had haar relaas uitvoerig schriftelijk uiteen te zetten; dat zij de vragenlijst heeft ingevuld en dat het haar vrij stond een schriftelijke verklaring aan het Commissariaat-generaal over te maken; dat de Commissaris-generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon nemen zonder verzoekster te horen; dat de Commissaris-generaal bovendien in de bestreden beslissing motiveert waarom hij van een verhoor heeft afgezien; dat verzoekster niet aantoont op welke wijze eventuele nieuwe verklaringen, die zij niet preciseert, de bestreden beslissing in positieve zin hadden kunnen ombuigen; Overwegende dat verzoekster in verband met het CEDOCA-rapport passages aanhaalt die het hebben over algemene schendingen van mensenrechten en discriminatie; dat het evenwel niet volstaat te verwijzen naar fragmenten van algemene aard zonder deze te betrekken op haar eigen persoonlijke toestand; dat CEDOCA een onafhankelijke en officiële Belgische documentatie- en onderzoeksdienst is en dat de informatie die in het Missierapport van de Immigratieambtenaar wordt vermeld, afkomstig is van o.m. de Nederlandse Ambassade in Almaty, van de “International Organisation for Migration (IOM)”, van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties, van het “Kazakstan International Bureau for Human Rights and Rule of Law”, van “The Almaty Helsinki Committee”, van het “U.S. Department of State”, van Amnesty International en van Human Rights Watch; dat al deze bronnen tot dezelfde conclusie komen, met name dat er in Kazachstan geen sprake is van vervolging van de Slavische bevolkingsgroep, dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning en dat eventuele bescherming dan ook niet zou worden geweigerd; Overwegende dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing niet op pertinente wijze aanvecht; dat deze motieven worden weergegeven onder punt 1.3. van dit arrest en neerkomen op het feit dat de door verzoekster aangehaalde vervolging door de Kazachse overheid en de etnisch-Kazachse bevolking niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat deze motieven draagkrachtig zijn, afdoende, deugdelijk en pertinent; dat dit onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat verzoekster de “schending van de mensenrechten”, de schending van de artikelen 30, 10 en 11 van de Grondwet, de schending van substantiële pleegvormen, de bevoegdheidsoverschrijding en de machtsoverschrijding niet met concrete gegevens onderbouwt; dat dit onderdeel van het eerste middel onontvankelijk is; XIV-8051-6/8 Overwegende dat het eerste middel in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; 3.2.1. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoekster aanvoert dat de proceduretaal het Nederlands is maar dat het CEDOCA-rapport passages bevat in het Engels en in het Frans; dat verzoekster tevens aanvoert dat stukken in het Russisch opgesteld, die zij zelf heeft ingediend, niet werden vertaald of dat zij de kans niet kreeg om deze te laten vertalen; 3.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert dat verzoekster niet aantoont hoe zij hierdoor een nadeel zou hebben ondervonden bij de behandeling van haar dossier of welke stukken niet correct zouden zijn geïnterpreteerd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de verwerende partij hieraan toevoegt dat op het Commissariaat-generaal competente medewerkers zijn tewerkgesteld die over meer dan voldoende bekwaamheid beschikken om een anderstalig document te interpreteren; 3.2.3. Overwegende dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet de wijze bepaalt waarop de taal van het onderzoek van de asielaanvraag wordt vastgesteld en van de daaropvolgende beslissingen, en dat de vreemdeling een beroep kan doen op een tolk; dat deze bepaling niet de verplichting inhoudt dat alle stukken van het dossier vertaald moeten worden; dat het verzoekster vrij stond om de stukken die zij heeft ingediend, te laten vertalen en deze vertaling bij te voegen; dat zij in het middel niet aanduidt om welke stukken het gaat; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is, XIV-8051-7/8 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien november tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-8051-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.197 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.