← België

Arrest 151198 - - 10/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.198 Rolnummer: A. 115437/XIV-8048 Zaak: Arrest 151198 - - 10/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-03 04:29 Fiche Arrest nr 151.198 van 10 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.198 van 10 november 2005 in de zaak A. 115.437/XIV-8048. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat M. DEKUYPER, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 83 bus 1 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 5 maart 1942 en van Kazachse nationaliteit, op 7 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 december 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 6 februari 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partij; Gezien het verslag d.d. 24 februari 2005 opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 28 februari 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 oktober 2005 om 10.00 uur; XIV-8048-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DEKUYPER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 29 september 1999 en verklaart zich vluchteling op dezelfde datum. 1.2. Op 4 juli 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 6 december 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is en kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dagen, ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, van Kazachse nationaliteit, verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw schoonzoon op 5 februari 1999 op zakenreis vertrok. Hij zou echter niet zijn teruggekeerd. Uw dochter zou naar de politie gegaan zijn om de verdwijning aan te geven, maar de politie zou uw dochter weggestuurd hebben. Verder zou uw dochter (zou) afgeperst zijn door drie mannen, van wie één een politieuniform droeg. Op 13 april 1999 zou uw dochter haar zoon aan u toevertrouwd hebben. Op 18 april 1999 zou u vernomen hebben dat er enkele mannen in het appartement van uw dochter zouden zijn binnengedrongen en haar geslagen zouden hebben. Er zou opnieuw geld van uw dochter geëist zijn. Hierna zou uw dochter naar de politie gegaan zijn, maar haar klacht zou niet aanvaard zijn. Eind mei 1999 zou uw dochter bij u zijn komen wonen. In juni 1999 zou de politie af en toe op de deur zijn komen kloppen. Op 25 juni 1999 zouden drie mannen gepoogd hebben uw kleinzoon te ontvoeren. Zowel u als uw dochter en kleinzoon zouden geslagen zijn. U zou nadien een ambulance gebeld hebben en uw dochter zou in het ziekenhuis ondervraagd zijn door de politie. U en uw XIV-8048-2/7 kleinzoon zouden in het appartement van uw dochter zijn gaan wonen. Intussen zou de gezondheid van u(

  1. w)kleinzoon achteruit gegaan zijn en uw dochter zou met hem bij een zenuwarts geweest zijn. Toen uw dochter de dag na de raadpleging een voorschrift ging halen, zou zij onderweg naar huis aangevallen zijn. Zij zou in een auto gesleurd en geslagen zijn. Zij zou eraan herinnerd zijn dat zij nog diende te betalen. Hierna zou uw dochter bij een vriend om raad gegaan zijn. Hij zou voorgesteld hebben onder te duiken, wat u dan ook gedaan zou hebben. In september 1999 zou u meermaals naar uw appartement zijn teruggekeerd om documenten te halen, maar zij (
  2. u)zou niet binnengeraakt zijn omdat het slot van de deur veranderd was. Uw buurvrouw zou u geen informatie hebben willen geven en enkel gezegd hebben dat er iemand bij haar naar u kwam vragen en haar bedreigde. Later zou u vernomen hebben dat er Kazachen in uw appartement waren komen wonen. Hierna zou u Kazachstan verlaten hebben. Op 20 september zou u samen met uw dochter P. M.) Kazachstan verlaten hebben Op 29 september 1999 vroeg u in België asiel aan. De door u aangehaalde vervolging door de Kazachse overheid en de etnisch-Kazachse bevolking stemt niet overeen met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. In deze documentatie (Missierapport Kazachstan van de Immigratieambtenaar Ministerie van Binnenlandse Zaken 14 september-10 oktober 2000; 13 november – 19 december 2000; 6 januari – 23 januari 2001 en Informatie Kazachstan Cedoca, februari 2001; De Standaard en La Libre Belgique, 31 oktober 2000; Le Soir, 20 december 2000; De Standaard – Online-, 3 februari 2001) wordt nergens melding gemaakt van dergelijke vervolging. Meer nog, uit deze informatie blijkt dat er geen sprake is van enige vervolging van de Slavische bevolkingsgroep. Er moet aldus worden vastgesteld dat u bedrieglijke verklaringen heeft afgelegd. Daarenboven moet worden vastgesteld dat de door u tot staving van uw asielaanvraag ingeroepen feiten hoe dan ook niet als een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie gekwalificeerd kunnen worden. Uit voormelde informatie blijkt dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning, waardoor het op dit niveau voor personen van Slavische afkomst mogelijk is bescherming te krijgen. Bijgevolg kan niet worden gesteld dat u omwille van uw etnie niet op bescherming van de Kazachse overheid zou kunnen rekenen. Aldus kan in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door u neergelegde documenten (rijbewijs, geboorteakte dochter en geboorteakte kleinzoon) zijn niet van die aard dat zij het bovenstaande wijzigen, aangezien zij enkel persoonsgegevens betreffen. Ook in het kader van uw dochter P. M. werd een bevestigende beslissing genomen. De Commissaris-generaal meent dat, ondanks uw verzoek in uw beroepschrift, niet moet worden overgegaan tot een oproeping van u, aangezien uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken voldoende duidelijk blijkt dat uw asielmotieven bedrieglijk en kennelijk ongegrond zijn. (...)”. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen ; dat zij stelt dat het dossier geen inventaris bevat, dat de tolken geen eed hebben afgelegd, dat aan verzoekster geen kopie werd afgeleverd van het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken, dat ze niet werd gehoord op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dat er wordt verwezen naar een niet-tegensprekelijk CEDOCA-rapport waarin nochtans melding wordt gemaakt van problemen voor de Russische bevolking in Kazachstan, en dat verzoekster niet werd ondervraagd over dit rapport; dat zij hieraan toevoegt dat zij geen eerlijke behandeling van haar zaak heeft gehad, dat de mensenrechten werden geschonden evenals de artikelen 30, 10 en 11 van de Grondwet en substantiële pleegvormen; dat er sprake is van bevoegdheidsoverschrijding en machtsoverschrijding; XIV-8048-3/7 2.1.2. Overwegende dat verzoekster in haar toelichtende memorie hieraan toevoegt dat ondanks het feit dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen administratief rechtscollege is, toch de motiveringsplicht moet worden nageleefd en dat er daarvoor een dossier nodig is, tot stand gebracht op basis van verhoren en niet zozeer van neergelegde stukken; 2.1.3. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat niet wettelijk is voorgeschreven dat het dossier van het Commissariaat-generaal een inventaris moet bevatten, noch dat de tolken op de Dienst Vreemdelingenzaken een eed dienen af te leggen; dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken op regelmatige wijze is verlopen, dat verzoekster dit verhoorverslag heeft ondertekend en dat zij geen opmerkingen heeft gemaakt over de tolk of de gemaakte vertaling; dat zij inzage kon vragen in haar dossier om aldus het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken en het Missierapport te raadplegen en om eventueel kopieën van deze stukken te bestellen; Overwegende dat niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat- vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat hij van een verhoor kan afzien wanneer hij van oordeel is dat hij voldoende ingelicht is omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat enkel vereist is dat de kandidaat-vluchteling nuttig voor zijn belangen en rechten kan opkomen; dat verzoekster bij het indienen van haar dringend beroep de mogelijkheid had haar relaas uitvoerig schriftelijk uiteen te zetten; dat zij de vragenlijst van het Commissariaat-generaal heeft ingevuld en dat het haar vrij stond een schriftelijke verklaring aan het Commissariaat-generaal over te maken; dat de Commissaris-generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon XIV-8048-4/7 nemen zonder verzoekster te horen; dat de Commissaris-generaal bovendien in de bestreden beslissing motiveert waarom hij van een verhoor heeft afgezien; dat verzoekster niet aantoont op welke wijze eventuele nieuwe verklaringen, die zij niet preciseert, de bestreden beslissing in positieve zin hadden kunnen ombuigen; Overwegende dat verzoekster in verband met het CEDOCA-rapport passages aanhaalt die het hebben over algemene schendingen van mensenrechten en discriminatie van de Russisch-sprekende bevolkingsgroep; dat het evenwel niet volstaat te verwijzen naar fragmenten van algemene aard zonder deze te betrekken op haar eigen persoonlijke toestand; dat CEDOCA een onafhankelijke en officiële Belgische documentatie- en onderzoeksdienst is en dat de informatie die in het Missierapport van de Immigratieambtenaar wordt vermeld, afkomstig is van o.m. de Nederlandse Ambassade in Almaty, van de “International Organisation for Migration (IOM)”, van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties, van het “Kazakstan International Bureau for Human Rights and Rule of Law”, van “The Almaty Helsinki Committee”, van het “U.S. Department of State”, van Amnesty International en van Human Rights Watch; dat al deze bronnen tot dezelfde conclusie komen, met name dat er in Kazachstan geen sprake is van vervolging van de Slavische bevolkingsgroep, dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning en dat eventuele bescherming dan ook niet zou worden geweigerd; Overwegende dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing niet op pertinente wijze aanvecht; dat deze motieven worden weergegeven onder punt 1.3. van dit arrest en neerkomen op het feit dat de door verzoekster aangehaalde vervolging door de Kazachse overheid en de etnisch-Kazachse bevolking niet overeenstemt met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat deze motieven draagkrachtig zijn, afdoende, deugdelijk en pertinent; dat dit onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat verzoekster de “schending van de mensenrechten”, de schending van de artikelen 30, 10 en 11 van de Grondwet, de schending van substantiële pleegvormen, de bevoegdheidsoverschrijding en de machtsoverschrijding niet met concrete gegevens onderbouwt; dat dit onderdeel van het eerste middel onontvankelijk is; Overwegende dat het eerste middel in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat verzoekster aanvoert dat de proceduretaal het Nederlands is maar XIV-8048-5/7 dat het CEDOCA-rapport passages bevat in het Engels en in het Frans; dat verzoekster tevens aanvoert dat stukken in het Russisch opgesteld, die zij zelf heeft ingediend, niet werden vertaald of dat zij de kans niet kreeg om deze te laten vertalen; 2.2.2. Overwegende dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet de wijze bepaalt waarop de taal van het onderzoek van de asielaanvraag wordt vastgelegd en van de daaropvolgende beslissingen, en dat de vreemdeling een beroep kan doen op een tolk; dat deze bepaling niet de verplichting inhoudt dat alle stukken van het dossier vertaald moeten worden; dat het verzoekster vrij stond om de stukken die zij heeft ingediend, te laten vertalen en deze vertaling bij te voegen; dat zij in het middel niet aanduidt om welke stukken het gaat; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-8048-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien november tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-8048-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.198 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.