← België

Arrest 151200 - Milieuvergunningen - 10/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.200 Rolnummer: A. 160829/VII-33667 Zaak: Arrest 151200 - Milieuvergunningen - 10/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-17 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-03 04:30 Fiche Arrest nr 151.200 van 10 november 2005 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.200 van 10 november 2005 in de zaak A. 160.829/VII-33.667. In zake : 1. Fernande DE BECKER, 2. Katrien COLENBIE, 3. Philippe HUTSEBAUT, 4. Tancha COCKX, 5. Evelyne LODEWICK, 6. Bea KOCKAERT, 7. de v.z.w. BOREAS, die woonplaats kiezen bij advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat 64. tussenkomende partij : de n.v. BRUSSELS INTERNATIONAL AIRPORT COMPANY (B.I.A.C.), die woonplaats kiest bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Fernande DE BECKER, Katrien COLENBIE, Philippe HUTSEBAUT, Tancha COCKX, Evelyne LODEWICK, Bea KOCKAERT en de v.z.w. BOREAS op 15 maart 2005 hebben ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 30 december 2004 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, waarbij de beroepen aangetekend tegen het besluit van 8 juli 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de n.v. BIAC, om de Luchthaven Brussel Nationaal, gelegen op het grondgebied van de gemeenten Zaventem, Steenokkerzeel, Machelen en VII-33.667-1/10 Kortenberg verder te exploiteren en te veranderen door toevoeging, voor een termijn tot 8 juli 2024, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en het beroepen besluit deels wordt gewijzigd en wordt bevestigd voor het overige; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 9 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 oktober 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. LARMUSEAU, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur P. PROVOOST; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende, wat de rechtspleging betreft, dat de n.v. Brussels International Airport Company (B.I.A.C.), begunstigde van de bestreden vergunning, met een verzoekschrift van 4 april 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd; 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen VII-33.667-2/10 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.1. Overwegende, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, dat de verzoekende partijen een betoog houden dat achttien bladzijden beslaat; Overwegende dat de zevende verzoekende partij doet gelden dat zij "ijvert voor een eerlijke en democratische spreiding van alle dag- en nachtvluchten rond de regio van de luchthaven Brussel-Nationaal"; dat zij stelt dat in de mate dat zij "als v.z.w. haar bestaansreden vindt in deze doelstelling, mag duidelijk zijn dat zij ernstig wordt getroffen door het leed dat ingevolge het (op het vlak van spreiding ten onrechte stilzwijgende) bestreden besluit aan de omwonenden van de luchthaven wordt aangedaan"; Overwegende dat de andere verzoekende partijen betogen dat hun woningen zijn gelegen "binnen een afstand van 20 kilometer van het centrum van het vliegveld van Zaventem en ten noordwesten daarvan"; dat zij er op wijzen dat zij vrijwel alle dagen en avonden overvlogen worden door vertrekkende vliegtuigen, dat zij vanaf 2000 geconfronteerd werden met een concentratie van 1.013 dagvertrekken en 65 nachtvertrekken per week, en zij zich "nu bevinden in een situatie van 944 dagvertrekken per week en 48 nachtvertrekken per week"; dat zij zich er vervolgens in essentie over beklagen dat zij tien maal meer vluchten boven hun woning moeten ondergaan dan de inwoners van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest die op dezelfde afstand van de luchthaven wonen; dat zij doen gelden dat zij "onherstelbare schade en hinder" ondervinden, en daarna een uitvoerige uiteenzetting geven over "de uitermate ernstige gezondheidsimplicaties"; dat zij hierbij de definitie hanteren van de Wereldgezondheidsorganisatie die gezondheid omschrijft als "een toestand van volkomen fysisch, mentaal en sociaal welbevinden en dus niet enkel de afwezigheid van ziekte of gebrekkigheid"; dat zij aanvoeren dat onthouding van slaap een element is van onmenselijke en vernederende behandeling en zelfs foltering in de zin van artikel 3 van het E.V.R.M.; dat zij vervolgens bladzijden lang verwijzen naar mogelijke nadelige gevolgen van blootstelling aan geluidshinder, voornamelijk Overwegende dat de verzoekende partijen vervolgens ingaan op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel met de volgende bewoordingen : VII-33.667-3/10 "De naleving van de in het bestreden besluit opgenomen vergunning resp. vergunningsvoorwaarden zal niet volstaan om de met de exploitatie gepaard gaande geluidshinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken (zie de middelen). Bij het verlenen van de vergunning is immers niet met kennis van zaken op het vlak van geluidshinder geoordeeld ingevolge de afwezigheid van (een) milieu-effectenrapport. Nu de exploitant via het bestreden besluit ten onrechte titularis is geworden van een ( heid) enkel en alleen een geldelijke compensatie, maar geen rechtstreekse maatregel ter beëindiging van de hinder zal kunnen vorderen (cfr. Cass. 14 december 1995, TRD & I 1996, afl. 3, 37; J.L.MB. 1996, 966, noot P. HENRY; R.W. 1996-97, 188; AJT. 1995-1996, 525, noot S. SNAET; zie ook H. BOCKEN, Wat betreft de perspectieven op het vlak van een wijziging van de opgelegde bijzondere milieuvoorwaarden, moeten verzoekers duidelijk ook niet hopen : wanneer de vergunningverlenende overheid nu reeds poneert dat, omwille van de voorgesteld alternatief (op gevaar af zich op dat moment opzichtens de exploitant schuldig te maken aan een schending van het vertrouwensbeginsel) (zie in dit verband ook het vijfde middel). Bij één en ander dient bovendien te worden bedacht dat er een groei wordt gesignaleerd van het luchtverkeer (en dus een dreiging van (meer dan) totale onleefbaarheid voor de komende 20 jaar). De n.v. BIAC werd immers geprivatiseerd en voor 70% verkocht aan Macquarie Airports. Deze overeenkomst werd overigens één dag na het afleveren van de betwiste milieuvergunning, op 31 december 2004, ondertekend. De bedoeling van de uitbater is maximale groei van de luchthaven in Zaventem. In het kader van de tekoopstelling werd het nog openstaande Dit alles heeft voor gevolg dat élk van de verzoekende partijen - bij gebrek aan een schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit - in de VII-33.667-4/10 volgende jaren lijdzaam (cfr. de onmogelijkheid tot optreden) zullen moet toezien/toehoren op een (meer dan) onaanvaardbare geluidshinder. De eerste tot en met de zesde verzoekende partij zullen de onhoudbare geluidshinder afkomstig van de exploitatie van het vliegveld verder moet(

  1. en)ondergaan tot zij hier fysisch en psychisch aan bezwijken en finaal (mogelijk) aan overlijden. Op basis van het bovenstaande kan niet worden miskend dat het ernstig nadeel, dat de verzoekende partijen ingevolge de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit lijden, slechts moeilijk kan worden hersteld"; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij hier in haar nota onder meer op repliceert dat de statutaire doelstellingen van de zevende verzoekende partij, nl. ijveren voor een eerlijke spreiding van alle dag- en nachtvluchten, geen betrekking hebben op de bestreden beslissing, waarbij een milieuvergunning wordt afgeleverd voor de uitbating van het vliegveld, en die beslissing ook niet verhindert dat een spreiding van de vluchten wordt opgelegd; dat zij ten aanzien van de andere verzoekende partijen repliceert dat het aangevoerde nadeel niet het rechtstreeks gevolg is van de bestreden beslissing, maar van de "concentratiebeweging", die het gevolg is van het beleid van de luchthavenuitbaters en van beslissingen van de federale overheid; dat zij er vervolgens op wijst dat de gegevens die de verzoekende partijen zelf verstrekken ervan doen blijken dat het aantal overvliegende vertrekken de laatste jaren is gedaald; dat zij voorts doet gelden dat de verzoekende partijen geen concreet beeld geven van hun eigen, persoonlijke, situatie en gezondheidstoestand, doch zich beperken tot het aanhalen van algemene studies ; dat zij vervolgt : "3.1.2. Het vermeende nadeel is niet moeilijk te herstellen 10. Verzoekende partijen zijn verkeerd wanneer zij stellen dat zij Zij verliezen immers uit het oog dat een eventueel succesvol beroep tot nietigverklaring bij uw Raad kan leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing. De duur van de annulatieprocedure kan daarbij niet beschouwd worden als een nadeel dat verband houdt met de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing (R.v.St. nr. 116.007). Bovendien kan de verleende vergunning steeds worden bijgestuurd conform art. 45 VLAREM I (cf. infra randnr. 45). De verzoekende partijen moeten dus helemaal niet 11. De mogelijke groei van het luchtverkeer (en eventuele Het is vaststaande rechtspraak van uw Raad dat er een rechtstreeks oorzakelijk verband dient te bestaan tussen de bestreden beslissing en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel (W. WEYMEERSCH, VII-33.667-5/10 herstellen ernstig nadeel', in G. DEBERSAQUES, M. VAN DAMME e.a. (eds), 4. Rechtsbescherming door de Raad van State. 15 jaar procedurele vernieuwing, Brugge, Die keure, 2004, 164). 12. Het eventuele nadeel dat de verzoekende partijen opwerpen is niet moeilijk te herstellen, in die zin dat het een schorsing zou verantwoorden. Het eventuele nadeel van de verzoekende partijen wordt niet onomkeerbaar wanneer de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet wordt geschorst. Een eventuele latere vernietiging van de bestreden beslissing kan volstaan om aan de verzoekende partijen een genoegzaam herstel van het ingeroepen nadeel te waarborgen (R.v.St. nr. 39.064; 38.385; 37.040; 36.236). 3.2. Belangenafweging 13. Indien aanwezig, moet het beweerde ernstige nadeel worden vergeleken met de gevolgen van de schorsing, die nog erger zijn (E. LANCKSWEERDT, Het administratief kort geding, Antwerpen, Kluwer, 1993, 140). Wanneer de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing (en dus de vergunning) zou worden geschorst dient de uitbating van de nationale luchthaven te worden stopgezet. Wanneer men het belang van de verzoekende partijen afweegt tegen het algemene economische belang, is het duidelijk dat dit laatste zwaarder doorweegt (R.v.St. nr. 33.144; 34.359) (cf. ook onder weerlegging van het tweede middel). Bij de belangenafweging kan ook rekening worden gehouden met de anterioriteit. Personen die zich (later) vestigen in de buurt van een bestaande luchthaven moeten zich er bewust van zijn dat dit geen geluidsarme omgeving is"; 3.1.3. Overwegende dat de tussenkomende partij op de eerste plaats antwoordt dat uit de uiteenzetting van de verzoekende partijen zelf blijkt dat de vermeende nadelige effecten niet voortvloeien uit de bestreden beslissing, doch uit de beslissingen van de federale regering inzake het spreidingsplan en meer in het bijzonder de concentratiebeweging; dat zij er op wijst dat ook de emissievoorschriften terzake het geluid voor de luchthaven “federaal” worden geregeld; dat zij vervolgt dat "minstens ook kan gesteld worden dat de bestreden beslissing geen versoepeling inhoudt van de eerder opgelegde voorwaarden in de milieuvergunning ... van 29 september 2000"; dat zij er op wijst dat de mogelijke hinderlijke effecten van de luchthavenactiviteiten aan de hand van vele onderzoeken door bevoegde deskundigen en adviezen van diverse adviesverlenende organen, op een zorgvuldige wijze werden onderzocht voorafgaandelijk aan en tijdens de behandeling van de milieuvergunningsaanvraag; dat zij met betrekking tot het voor de inrichting ongunstig subadvies van de afdeling preventieve en sociale gezondheidszorg onder meer doet gelden dat dit werd weerlegd door de gewestelijke milieuvergunningscommissie, waarvan de genoemde afdeling ook deel uitmaakt, en dat die commissie unaniem gunstig adviseerde; VII-33.667-6/10 3.2.1. Overwegende dat de bestreden beslissing een milieuvergunning verleent aan de n.v. Brussels International Airport Company (B.I.A.C.) om het vliegveld Luchthaven Brussel Nationaal te Zaventem, Steenokkerzeel, Machelen en Kortenberg, verder te exploiteren en te veranderen; Overwegende dat de verandering slaat op de toevoeging van percelen en op aanpassingen ingevolge wijzigingen van perceelnummers; dat de toegevoegde percelen terreinen betreffen die ofwel ongebruikt tussen de andere percelen liggen, ofwel worden gebruikt door andere exploitanten aan wie reeds de nodige vergunningen werden verleend; dat de partijen niet betwisten dat het aspect "verandering" van geen belang is voor de zaak, en dan ook buiten beschouwing kan worden gelaten; 3.2.2. Overwegende dat de eerste zes verzoekende partijen stellen dat hun woningen gelegen zijn "binnen een afstand van 20 kilometer van het centrum van het vliegveld van Zaventem en ten noordwesten daarvan"; dat, ondanks die grote afstand, kan worden aangenomen dat zij ten gevolge van de talrijke vertrekken van vliegtuigen, zowel overdag als 3.2.3. Overwegende dat het nadeel evenwel ook moeilijk te herstellen moet zijn in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat in geval van vernietiging van de bestreden milieuvergunning de exploitatie van de betrokken luchthaven in rechte niet meer op grond van die vergunning kan worden voortgezet, en de ingeroepen nadelen die door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing worden veroorzaakt, niet meer moeten worden ondergaan; dat dit impliceert dat aan de desbetreffende schorsingsvoorwaarde maar is voldaan, wanneer de aangevoerde nadelen zo zwaar zijn dat ze ook niet tijdelijk, met name tot de uitspraak over het annulatieberoep, kunnen worden verdragen; dat bij de beoordeling daarvan ook de gevolgen voor derden van een schorsing van de bestreden beslissing kunnen worden betrokken; 3.2.4. Overwegende dat bij het beoordelen van dit aspect van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel er vooreerst moet worden aan herinnerd dat de bestreden beslissing in hoofdzaak de hernieuwing van de bestaande milieuvergunning voor de VII-33.667-7/10 exploitatie van de nationale luchthaven betreft; dat de nadelen gerelateerd aan die exploitatie niet nieuw zijn en reeds jarenlang worden ondergaan, onder meer ten gevolge van de vorige, niet bestreden milieuvergunning van 29 september 2000; Overwegende bovendien dat de verzoekende partijen de schorsing van de exploitatie van de luchthaven als een middel pogen aan te wenden, algemeen, om de nadelige gevolgen van die exploitatie zoveel als mogelijk te beperken, en, meer in het bijzonder, om een voor hen gunstiger spreiding van het aantal vliegbewegingen af te dwingen -getuige onder meer hun vergelijking van hun situatie met die van de inwoners van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en het statutair doel van de zevende verzoekende partij- veeleer dan de stillegging van de nationale luchthaven als uiteindelijk doel na te streven; dat, in alle redelijkheid, moet worden vastgesteld dat dit gehanteerde middel onevenredig is met het nagestreefde einddoel; dat immers, vermits de bestreden vergunning in de plaats is getreden van de in eerste aanleg op 8 juli 2004 door de bestendige deputatie verleende vergunning -en trouwens tegen die in eerste aanleg verleende vergunning ook een op grond van artikel 23, § 3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : het milieuvergunningsdecreet) schorsend administratief beroep werd ingesteld door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wemmel- de gevorderde schorsing tot gevolg zou hebben dat de tussenkomende partij niet meer beschikt over een uitvoerbare milieuvergunning, dewelke, op grond van artikel 4, § 1, van het milieuvergunningsdecreet, nodig is om de nationale luchthaven te exploiteren; dat een mogelijke maandenlange volledige stopzetting van de uitbating van die luchthaven enorme economische, financiële, sociaal-economische, en sociaal-culturele gevolgen zou teweegbrengen voor bedrijven, werknemers, en de talloze personen die als reiziger van de luchthaven gebruik maken; dat daarbij nog moet worden bedacht dat die enorme gevolgen zouden worden teweeggebracht louter op grond van een prima facie onderzoek van de “ernst” van de middelen, welk onderzoek per definitie enkel tot voorlopige conclusies kan leiden, vermits het alleen kan gevoerd worden met inachtneming van de thans, in het kort geding, voorliggende gegevens en argumenten; dat bovendien het werkelijke einddoel van de verzoekende partijen kan worden benaarstigd met andere rechtsmiddelen en -gedingen, rechtstreeks gericht tegen de spreiding zelf van de vliegbewegingen, en die niet tot een volledige stopzetting van de exploitatie van de nationale luchthaven moeten leiden; dat dergelijke rechtsgedingen trouwens ook daadwerkelijk blijken te worden gevoerd; VII-33.667-8/10 Overwegende dat uit al die elementen moet worden besloten dat niet is aangetoond dat de door de eerste zes verzoekende partijen ingeroepen nadelen voldoende zwaar en dermate moeilijk te herstellen zijn, dat ze een schorsing met dergelijke vérstrekkende gevolgen kunnen rechtvaardigen; dat in hoofde van die partijen aan de desbetreffende schorsingsvoorwaarde niet is voldaan; 3.2.5. Overwegende dat de zevende verzoekende partij haar nadeel zoekt in het leed dat aan de "omwonenden" van de luchthaven door de geluidshinder en de ermee samengaande lasten en ongemakken wordt aangedaan; dat, daargelaten de vaststelling dat een rechtspersoon zelf geen dergelijk leed kan ondergaan, en eveneens daargelaten de vraag of personen die wonen op een afstand van twintig kilometer wel als omwonenden kunnen worden gekwalificeerd, uit hetgeen werd besloten ten aanzien van die "omwonenden" zelf, uiteraard dient te worden geconcludeerd dat die zevende verzoekende partij des te minder een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantoont dat de gevraagde schorsing vermag te rechtvaardigen; dat de vordering moet worden afgewezen, BESLUIT: Artikel 1 . Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. BRUSSELS INTERNATIONAL AIRPORT COMPANY (B.I.A.C.) in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-33.667-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien november tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS staatsraad Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-33.667-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.200 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.230.331 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.