id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.211 Rolnummer: A. 162261/XII-5737 Zaak: Arrest 151211 - - 14/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-28 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-03 04:35 Fiche Arrest nr 151.211 van 14 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.211 van 14 november 2005 in de zaak A. 162.261/IX-
- In zake : Jack GAYSE, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEFREYNE, kantoor houdend te IZEGEM, Papestraat 9 tegen : 1) het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van ROESELARE, dat woonplaats kiest bij advocaat Alain COPPENS, kantoor houdend te ROESELARE, Westlaan 358, 2) de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdend te BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jack GAYSE op 4 mei 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : - het besluit van 22 september 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna “OCMW”) van Roeselare, waarbij hij bij tuchtmaatregel met ingang van 5 juli 2004 van ambtswege wordt ontslagen; - het besluit van 15 maart 2005 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, waarbij verzoekers hoger beroep tegen het besluit van 2 december 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van IX-4880-1/26 West-Vlaanderen, houdende de goedkeuring van het voormelde tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Roeselare, niet wordt ingewilligd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 oktober 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEFREYNE, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat A. COPPENS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat N. DE CLERCQ, die loco advocaat B. STAELENS, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-4880-2/26
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker staat als directeur aan het hoofd van de sociale dienst van het OCMW van Roeselare. 1.
- Op 11 mei 2004 stelt de secretaris van het OCMW ten laste van verzoeker een tuchtverslag op, waarin hij hem verscheidene financiële onregelmatigheden op de sociale dienst ten laste legt. De secretaris vermeldt in dat verslag dat hij eind november 2001 op de hoogte is gebracht van “al dan niet onwettige geldtransacties” binnen de sociale dienst; dat hij een intern onderzoek heeft opgestart waarvan de resultaten in aanwezigheid van verzoeker werden voorgesteld op een vergadering van 15 januari 2002; dat vervolgens door het OCMW een klacht werd neergelegd bij de procureur des Konings te Kortrijk, welke aanleiding heeft gegeven tot een opsporingsonderzoek; dat verzoeker op 11 maart 2004 is gedagvaard voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk; dat aan de procureur-generaal inmiddels machtiging werd gevraagd om het strafdossier aan te wenden in een tuchtprocedure; dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten worden geput uit het strafdossier. De secretaris stelt dat uit de resultaten van het intern onderzoek en het opsporingsonderzoek het volgende is gebleken : “De heer Gayse zou de zwarte kas hebben gestart en beheerd. Over de periode van 20 november 1997 tot en met 5 februari 2002 zou er minstens 1.133.340 BEF in de zwarte kas zijn terecht gekomen. Dit geld zou op systematische wijze in de zwarte kas terecht gekomen zijn via een 6-tal geldstromen, het zou meer bepaald gaan om gelden inzake overleden steuntrekkers, afgeschreven steuntrekkers of uitgewezen politieke vluchtelingen, huurwaarborgen, verwarmingskosten, artikel 60, § 7 OCMW-wet en treinticketten. De heer Gayse zou zich trouwens schuldig hebben gemaakt aan valse verklaringen en valsheid in geschrifte. De heer Gayse zou tevens in het bezit zijn geweest van 2 toestellen die waren aangekocht met gelden van de zwarte kas (cfr. PV nr. 1349/2003, stuk 3)”. IX-4880-3/26 Na een nadere uiteenzetting van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, besluit de secretaris dat deze feiten als tuchtfeiten kunnen worden gekwalificeerd. Hij stelt aan de raad voor maatschappelijk welzijn voor om verzoeker voor de ten laste gelegde feiten die hij heeft bekend, bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan. 1.
- Met een aangetekende brief van 13 mei 2004, welke verzoeker een dag later in ontvangst neemt, wordt hij uitgenodigd om op 2 juni 2004 door de raad voor maatschappelijk welzijn over deze feiten te worden gehoord. 1.
- Met een brief van 18 mei 2004 deelt de raadsman van verzoeker mede dat zijn cliënt verzaakt aan de mogelijkheid getuigen te laten verhoren, mits hem op de hoorzitting wordt toegestaan vragen te stellen over het tuchtverslag. 1.
- Op 19 mei 2004 neemt de raadsman inzage van het tuchtdossier. 1.
- Op 2 juni 2004 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn tegen verzoeker een tuchtprocedure in te leiden. Tijdens dezelfde vergadering wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord. Verzoeker legt besluiten neer. Van het verhoor wordt een proces-verbaal opgesteld, dat verzoeker voor goedkeuring ondertekent. 1.
- Op 30 juni 2004 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn verzoeker met ingang van 5 juli 2004 bij tuchtmaatregel af te zetten. 1.
- Het college van burgemeester en schepenen verleent geen advies binnen de door de OCMW-wet voorgeschreven termijn. De bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van haar kant besluit op 2 september 2004 de aan verzoeker opgelegde tuchtmaatregel niet goed te keuren, daarbij inzonderheid steunend op de volgende overwegingen : “Overwegende [...] dat evenwel uit de bestreden beslissing niet afdoende blijkt waarom de tuchtoverheid de tuchtstraf van afzetting oplegde en dit terwijl betrokkene in zijn conclusies voor de raad voor maatschappelijk welzijn stelde dat een ontslag IX-4880-4/26 van ambtswege een te zware en te verregaande sanctie is en bovendien verzachtende omstandigheden had ingeroepen; Overwegende dat in het tuchtverslag door de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een strafvoorstel wordt gedaan namelijk het ontslag van ambtswege en dat er bovendien in het administratief dossier geen stuk voorhanden is waaruit betrokkene kan afleiden waarom werd geopteerd voor een afzetting in plaats van een ontslag van ambtswege; dat bijgevolg het opleggen van de tuchtstraf afzetting tevens geen steun vindt in het administratief dossier; Overwegende dat bij de geheime stemming in de raadzitting van 30 juni 2004, 10- ja-stemmen werden bekomen voor afzetting en 3 ja-stemmen voor ontslag van ambtswege; Overwegende dat de feiten bijgevolg, alhoewel ze als ernstig kunnen worden bestempeld, geen dermate graad van ernst vertonen dat het meteen voor ieder redelijk denkend mens duidelijk is dat ze enkel met de tuchtstraf van afzetting konden worden bestraft; dat bijgevolg gemotiveerd diende te worden waarom een afzetting en geen ontslag van ambtswege werd opgelegd; Overwegende dat het besluit van 30 juni in strijd is met artikel 305, §3 van de nieuwe gemeentewet en tevens in strijd is met de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en aldus de wet heeft geschonden;”. 1.
- Met een brief van 7 september 2004 informeert de raadsman van verzoeker naar de intenties van het OCMW na de niet-goedkeuring van het tuchtbesluit. Hij verzoekt er akte van te willen nemen dat, in geval het bestuur zou overwegen een nieuw tuchtbesluit te nemen, zijn cliënt gehoord wenst te worden over het dossier en in het bijzonder ook over de tussen de raadszittingen van 2 en 30 juni 2004 afgenomen getuigenverklaringen in de tuchtdossiers van medebeklaagden Brigitte DESEGHER en Hilde VERGOTE. 1.
- Op 22 september 2004 neemt de raad voor maatschappelijk welzijn akte van de niet-goedkeuring van zijn tuchtbesluit van 30 juni 2004 door de bestendige deputatie. De raad neemt tevens, zonder verzoeker of zijn raadsman nog te horen, een nieuw tuchtbesluit, waarbij verzoeker ditmaal met ingang van 5 juli 2004 van ambtswege wordt ontslagen. Dit besluit maakt het eerste voorwerp uit van de onderhavige vordering tot schorsing. IX-4880-5/26 1.
- Op 4 oktober 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen een gunstig advies. De bestendige deputatie besluit op 2 december 2004 het tuchtbesluit goed te keuren. 1.
- Verzoeker stelt tegen dit goedkeuringsbesluit hoger beroep in bij de Vlaamse minister die het binnenlands bestuur onder zijn bevoegdheid heeft. Nadat hij werd gehoord door een gemachtigde ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, besluit de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering op 15 maart 2005 echter het beroep van verzoeker niet in te willigen. Deze beslissing maakt het tweede voorwerp uit van deze vordering tot schorsing.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel tegen het tuchtbesluit van 22 september 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn de schending aanvoert van het recht van verdediging en de hoorplicht en de artikelen 301 en 302 van de nieuwe gemeentewet, samen met artikel 300 van dezelfde wet welke verplicht tot samenstellen van een volledig tuchtdossier, doordat de raad voor maatschappelijk welzijn na het verhoor van verzoeker op 2 juni 2004 en vóór het opleggen van een tuchtmaatregel op 30 juni 2004 en vervolgens op 22 september 2004, nog kennis heeft genomen van een aantal gegevens die zijn oordeel over de tuchtvordering ten laste van verzoeker noodzakelijkerwijze hebben beïnvloed, zonder dat die gegevens ter kennis van verzoeker zijn gebracht en verzoeker daarover tegenspraak heeft kunnen voeren; dat die gegevens vooreerst de verklaringen betreffen van Brigitte DESEGHER en Hilde VERGOTE IX-4880-6/26 in het kader van de tuchtprocedure die ook tegen hen werd gevoerd, op grond van feiten welke eveneens aan verzoeker ten laste zijn gelegd en in de strafprocedure samenhangend zijn behandeld, en voorts ook de verklaringen van de getuigen die in het kader van de voormelde tuchtprocedure werden opgeroepen; dat verzoeker vreest dat voornoemde personeelsleden en hun getuigen de schuld voor de ten laste gelegde feiten maximaal in zijn richting hebben geschoven; dat hij stelt dat hij de mogelijkheid moest hebben gehad om kennis te nemen van en te repliceren op de strafverzwarende elementen, maar ook op de gunstige zaken die door hen ter sprake zijn gebracht; dat verzoeker voorts vaststelt dat de tuchtoverheid in het tuchtbesluit akte neemt van het vonnis van 29 juni 2004 van de Correctionele Rechtbank te Kortrijk, waarbij hij strafrechtelijk werd veroordeeld; dat hij betoogt dat hij op de hoorzitting van 2 juni 2004 uiteraard nog geen kennis had van dat vonnis, waartegen hij overigens hoger beroep heeft ingesteld, zodat hij zijn standpunt dienaangaande niet aan de tuchtoverheid heeft kunnen kenbaar maken; dat verzoeker ten slotte aanvoert dat hij na de niet- goedkeuring van het initiële tuchtbesluit van 30 juni 2004, op grond van artikel 299 van de nieuwe gemeentewet door de tuchtoverheid alleszins opnieuw had moeten worden gehoord over de feiten en de strafmaat; dat hij daarvoor verwijst naar het arrest nr. 51.701 van 21 februari 1995 van de Raad van State en naar punt III 4, van de omzendbrief BA-G-92/12 van 9 september 1992 van de Gemeenschapsminister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende toelichtingen inzake de toepassing van de wet van 24 mei 1991 tot wijziging van de Nieuwe Gemeentewet wat de tuchtregeling betreft en van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet; 3.1.
- Overwegende dat geen rechtsregel het bestuur ertoe verplicht de tuchtvordering lastens verscheidene personeelsleden die zich schuldig hebben gemaakt aan feiten welke door de strafrechter als samenhangend zouden zijn beschouwd, samen te voegen en gezamenlijk te behandelen; dat voorts noch uit het bestreden tuchtbesluit, noch uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat het bestreden tuchtbesluit rekening zou hebben gehouden met gegevens waarvan verzoeker ter gelegenheid van IX-4880-7/26 zijn verhoor door de tuchtoverheid op 2 juni 2004 nog geen kennis zou hebben gehad, te weten verklaringen die hetzij door personeelsleden, hetzij door opgeroepen getuigen in andere tuchtzaken zijn afgelegd; dat moet worden vastgesteld dat het tuchtbesluit van 22 september 2004 exact dezelfde feiten in aanmerking neemt als dat van 20 juni 2004, daaromtrent een vrijwel identieke motivering bevat en het enkel wat de gewijzigde strafmaat betreft verschillend is gemotiveerd; dat in het bestreden tuchtbesluit uitdrukkelijk wordt overwogen dat de gevoerde tuchtprocedure enkel verzoeker betreft en dat er geen beïnvloeding is vanwege andere tuchtprocedures; Overwegende dat het bestreden tuchtbesluit vermeldt dat akte werd genomen van het vonnis van 29 juni 2004 van de Correctionele Rechtbank te Kortrijk; dat de tuchtoverheid er echter niet toe gehouden is haar beslissing uit te stellen totdat de uitspraak van de strafrechter definitief is geworden; dat nergens uit blijkt dat het bestreden tuchtbesluit op dat vonnis zou zijn gesteund; dat het tuchtbesluit op grond van een eigen redengeving, hoofdzakelijk gebaseerd op de verklaringen die verzoeker in het kader van het opsporingsonderzoek heeft afgelegd, tot de conclusie komt dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn; Overwegende dat het antwoord op de vraag of de tuchtoverheid na de niet-goedkeuring van het initiële tuchtbesluit verplicht is om het betrokken personeelslid opnieuw te horen, afhangt van het motief dat tot de niet-goedkeuring heeft geleid; dat zij de tuchtprocedure kan hernemen vanaf het punt waarop ze, volgens het niet-goedkeuringsmotief, is ontspoord; dat in de onderhavige zaak dat motief, blijkens het besluit van 2 september 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, de ontoereikende motivering van de tuchtstraf van de afzetting betrof; dat het niet-goedkeuringsbesluit er derhalve niet aan in de weg stond dat de tuchtoverheid de tuchtprocedure ten laste van verzoeker hernam vanaf de beraadslaging en zonder verzoeker opnieuw te horen; dat verzoekers verwijzing naar het arrest nr. 51.701 van 21 februari 1995 in de onderhavige zaak niet dienstig is , omdat in de desbetreffende zaak de vastgestelde onregelmatigheid gesitueerd was bij de beoordeling van het bestaan van de feiten zelf en niet alleen bij het afwegen van de strafmaat ten opzichte van die feiten; IX-4880-8/26 Overwegende dat punt III, 4, van de omzendbrief BA-G-92/12 van 9 september 1992 van de gemeenschapsminister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, waarnaar verzoeker ook verwijst, luidt als volgt : “Wanneer de tuchtprocedure, na niet-goedkeuring door de beroepsinstantie wordt hernomen, betekent de bepaling van het artikel 305, § 2, van de nieuwe gemeentewet omtrent de samenstelling van de tuchtoverheid met het oog op het onderzoek, de beraadslaging en de stemming over de op te leggen straf, niet dat het tuchtcollege dat opnieuw de zaak herneemt, dezelfde samenstelling hoeft te hebben als de eerste maal. Vermits voor het treffen van het nieuwe besluit alle procedurewaarborgen opnieuw moeten in acht genomen worden, volstaat het dat de samenstelling van het tuchtorgaan dezelfde blijft vanaf het moment waarop de nieuwe procedure wordt gestart, dus vanaf het opnieuw oproepen van de betrokkene om voor de tuchtrechtelijke overheid te verschijnen. Hieruit vloeit uiteraard voort dat de betrokkene opnieuw moet gehoord worden. Het is wel zo dat enkel geldig kan gestemd worden door de leden van de tuchtoverheid die de volledige hoorzitting hebben bijgewoond.”; Overwegende dat de betrokken passage van de omzendbrief in de eerste plaats de gevallen viseert waar om de hiervoor vermelde reden het betrokken personeelslid opnieuw gehoord moet worden: wat dat betreft stelt de minister dat de samenstelling niet dezelfde hoeft te zijn als toen de niet-goedgekeurde beslissing werd genomen, maar preciseert hij, in overeenstemming met de geldende beginselen van het tuchtrecht, dat enkel degenen die de volledige hoorzitting hebben bijgewoond aan de besluitvorming kunnen deelnemen; dat wanneer uit het niet-goedkeuringsbesluit niet volgt dat de tuchtoverheid de betrokkene opnieuw dient te horen, dezelfde beginselen vereisen dat het tuchtcollege enkel een nieuwe beslissing kan nemen ingeval het uitsluitend samengesteld is uit personen die de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar gehoord hebben vooraleer de niet-goedkeurde beslissing genomen werd; dat in de tweede plaats de omzendbrief geacht kan worden het geval te viseren waar het tuchtcollege niet in dezelfde samenstelling bijeen kan komen -bijvoorbeeld na een verkiezing: in die hypothese moet de betrokken ambtenaar uiteraard opnieuw worden gehoord omdat anders aan de besluitvorming personen zouden deelnemen die zijn verdediging niet hebben aanhoord; dat ter zake niet blijkt dat de raad voor maatschappelijk welzijn die het bestreden besluit van 22 september 2004 heeft genomen anders was samengesteld dan die welke het door de bestendige deputatie niet goedgekeurde tuchtbesluit van 30 juni heeft genomen; IX-4880-9/26 Overwegende dat het eerste middel onder geen van zijn aspecten ernstig is; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel onregelmatigheid bij de stemming, alsook een schending van het onpartijdigheidsbeginsel aanvoert; dat hij laat gelden dat de tuchtoverheid een aantal van de hem ten laste gelegde feiten bewezen acht en andere dan weer niet, maar dat uit het bestreden tuchtbesluit niet blijkt dat daarover is gestemd op de wijze voorgeschreven door artikel 33 van de OCMW-wet; dat hij voorts betoogt dat het onpartijdigheidsvereiste manifest is geschonden, doordat aan de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn de mogelijkheid is onthouden om hem de tuchtsanctie van inhouding van wedde op te leggen, wijl de stembiljetten geen melding maakten van deze tuchtsanctie; dat volgens verzoeker de niet-vermelding van deze mogelijke tuchtsanctie een gewilde vergetelheid geweest kan zijn, aangezien de secretaris van het OCMW na de niet-goedkeuring van het initiële tuchtbesluit en voordat het thans bestreden tuchtbesluit werd genomen, tegen de pers heeft verklaard dat er gezocht werd naar een uitweg waarbij verzoeker niet zou kunnen terugkeren naar het OCMW; 3.2.
- Overwegende dat artikel 33 van de OCMW-wet de wijze regelt waarop de raad voor maatschappelijk welzijn besluiten neemt, namelijk bij volstrekte meerderheid van stemmen, bij geheime stemming als het over personen gaat, zonder rekening te houden met onthoudingen, blanco of nietige stembiljetten; dat het de tuchtoverheid niet voorschrijft apart te stemmen over het al dan niet bewezen zijn van de aan het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid ten laste gelegde feiten; dat echter wel uit de formele motivering van het tuchtbesluit moet blijken welke van de ten laste gelegde feiten door de tuchtoverheid bewezen worden geacht en als tuchtfeiten in aanmerking worden genomen; dat te dezen zulks genoegzaam het geval is aangezien uit de omstandigheid dat de raad voor maatschappelijk welzijn op grond van de veruitwendigde motieven van het tuchtbesluit uiteindelijk met volstrekte meerderheid van de stemmen beslist om verzoeker voor de in aanmerking genomen tuchtfeiten een tuchtsanctie op te leggen, impliciet, maar zeker, blijkt dat de raad de desbetreffende motieven, met inbegrip van deze betreffende het al dan niet bewezen zijn van de ten laste gelegde IX-4880-10/26 feiten, daadwerkelijk tot de zijne maakt; dat uit de motivering van het bestreden tuchtbesluit voorts blijkt dat de raad voor maatschappelijk welzijn van oordeel is dat verzoeker definitief onwaardig is zijn ambt verder uit te oefenen en “dat zich derhalve een maximale bestraffing opdringt”; dat luidens artikel 283 van de nieuwe gemeentewet, dat krachtens artikel 52 van de OCMW-wet ook van toepassing is op de vast benoemde personeelsleden van het OCMW, de “maximumstraffen” zijn: het ontslag van ambtswege en de afzetting; dat gelet op de duidelijke intentie van de raad om verzoeker een maximumstraf op te leggen, niet kan worden ingezien dat verzoeker in zijn belangen zou zijn geschaad, doordat op de stembiljetten voor de leden van de raad geen melding werd gemaakt van een lichtere straf zoals de inhouding van wedde; dat de verklaringen die de secretaris aan de pers zou hebben afgelegd, als zodanig niet toelaten te besluiten dat de inhouding van wedde gewild niet op de stembiljetten werd vermeld; dat overigens van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn lijkt te mogen worden verwacht dat zij de mogelijk op te leggen straffen kennen, minstens dat zij voorbehoud zouden maken of zich bij de stemming zouden onthouden indien zij geen geschikte straf op het stembiljet vermeld zien; dat in de onderhavige zaak echter een absolute meerderheid van de leden zonder enig voorbehoud gestemd heeft voor het ontslag van ambtswege als op te leggen tuchtsanctie; dat het tweede middel derhalve evenmin ernstig is; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel aanvoert dat de opgelegde tuchtsanctie onwettig is wegens retroactiviteit, schending van de formele motiveringswet en inbreuk op het beginsel “non bis in idem”; dat hij betoogt dat de niet-goedkeuring van een besluit van een onder toezicht staand bestuur door de toezichthoudende overheid enkel voor de toekomst geldt en niet ex tunc werkt, zoals een vernietiging; dat in het geval van niet-goedkeuring van een besluit door de toezichthoudende overheid, het onder toezicht staande bestuur aan een nieuwe beslissing slechts terugwerkende kracht kan verlenen wanneer ze het niet-goedgekeurde besluit intrekt; dat in de onderhavige zaak het tuchtbesluit van 30 juni 2004 niet is ingetrokken; Overwegende dat verzoeker daaruit afleidt dat het thans bestreden tuchtbesluit niet kan terugwerken tot de periode van 5 juli 2004 tot 2 september 2004, omdat voor die periode het niet-goedgekeurde tuchtbesluit niet uit het rechtsverkeer IX-4880-11/26 is verdwenen, doch ook niet tot de periode van 2 september 2004 tot 22 september 2004, omdat daarvoor geen enkel motief in het bestreden besluit is opgenomen; dat volgens verzoeker ingevolge de terugwerking van het bestreden tuchtbesluit tijdens de periode van 5 juli 2004 tot 2 september 2004 voor hem twee tuchtsancties golden, wat tevens een schending betekent van het beginsel “non bis in idem”; 3.3.
- Overwegende dat het tuchtbesluit van 30 juni 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn waarbij verzoeker met ingang van 5 juli 2004 bij tuchtmaatregel werd afgezet, op 2 september 2004 door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen niet werd goedgekeurd op grond van formele redenen, namelijk het ontbreken van een formele verantwoording voor de opgelegde tuchtmaatregel van de afzetting; dat de tuchtoverheid zulk een gebrek kan rechtzetten mits, zoals ter zake, de tuchtprocedure na de niet-goedkeuring met gepaste spoed te hernemen; dat zulks neerkomt op een intrekking van het niet goedgekeurde besluit; dat aangezien geen verkregen rechtssituaties in het gedrang komen en billijkheids- noch rechtmatigheidsbezwaren eraan in de weg staan, aan die rechtzetting terugwerkende kracht kan worden verleend; Overwegende dat de terugwerking van het thans bestreden tuchtbesluit voorts geen schending van het beginsel “non bis in idem” teweeg brengt; dat, immers, het initiële tuchtbesluit ingevolge zijn niet-goedkeuring geen definitieve uitvoerbare kracht heeft verkregen; dat het dus niet zo is dat verzoeker ingevolge de terugwerking van het bestreden tuchtbesluit, tijdens de periode van 5 juli 2004 tot 2 september 2004, een dubbele tuchtmaatregel voor dezelfde feiten zou moeten ondergaan; dat het derde middel niet ernstig is; 3.4.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel aanvoert dat zekere ten laste gelegde en gegrond verklaarde feiten verjaard zijn; dat hij stelt dat hij niet strafrechtelijk is vervolgd voor de volgende feiten die hem wel tuchtrechtelijk ten laste zijn gelegd : “- (op)starten van de zgn. zwarte kas; - ‘baas zijn over de zgn. zwarte kas’; IX-4880-12/26 - beslissingen in handen hebben inzake de aankopen met de zgn. zwarte kas; - afleggen van een verkeerde verklaring op de vergadering van 15 januari 2002 en het daaraan corresponderende verslag; - aankoop met gelden van de zwarte kas van een fototoestel en dicteerapparaat.”; Overwegende dat volgens verzoeker de tuchtoverheid reeds meer dan zes maanden voor het opstarten van de tuchtprocedure kennis had van die feiten, zodat ze verjaard zijn; dat hij ook vaststelt dat noch de tuchtoverheid, noch de toezichthoudende minister ambtshalve de verjaring van de tuchtfeiten heeft onderzocht en hij hierin een schending van de formele motiveringswet onderkent; 3.4.
- Overwegende dat artikel 317, eerste en tweede lid, van de nieuwe gemeentewet bepalen : “De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten. In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt.”; Overwegende dat het OCMW van Roeselare met een aangetekende brief van 19 februari 2002 de procureur des Konings te Kortrijk verzocht heeft een onderzoek in te stellen naar de financiële transacties op de sociale dienst van het OCMW, teneinde klaarheid te brengen in dit dossier; dat niet blijkt dat de tuchtoverheid reeds meer dan zes maanden voordien kennis had van de aan verzoeker ten laste gelegde tuchtfeiten of deze feiten had vastgesteld, waardoor ze op dat ogenblik al tuchtrechtelijk verjaard zouden geweest zijn overeenkomstig het voorschrift van artikel 317, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet; dat de tweede verwerende partij terecht argumenteert dat alle aan verzoeker ten laste gelegde tuchtfeiten geput zijn uit de bevindingen van het gevraagde strafrechtelijk onderzoek; dat de omstandigheid dat sommige aan verzoeker ten laste gelegde tuchtfeiten, zoals die welke verzoeker aanwijst, niet als zodanig strafrechtelijk zijn gekwalificeerd en vervolgd, niet verhindert dat ze uit de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek kunnen worden afgeleid, zodat ten aanzien van die feiten, overeenkomstig het aangehaalde artikel 317, tweede lid, van de nieuwe IX-4880-13/26 gemeentewet, de verjaringstermijn pas aanvangt op het ogenblik dat er een definitieve uitspraak is over die bevindingen en de strafvordering die erop is gebaseerd; Overwegende dat, wijl er geen bezwaar rijst omtrent de verjaring van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, aan de tuchtoverheid en de toezichthoudende minister niet kan worden verweten dat zij in hun respectieve bestreden besluiten daarvan niet expliciet melding hebben gemaakt; dat er dan ook geen schending is van de formele motiveringsplicht; dat het vierde middel niet ernstig is; 3.5.
- Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert; dat hij uiteenzet dat de tuchtoverheid geen blijk geeft van de vereiste omzichtigheid wanneer ze hem bij tuchtmaatregel van ambtswege ontslaat zonder het definitieve oordeel van de strafrechter af te wachten, alsook wanneer ze wel akte neemt van het vonnis waarbij hij strafrechtelijk wordt veroordeeld, maar dat vonnis niet in het tuchtdossier opneemt, noch er verzoekers standpunt over vraagt; dat verzoeker erop wijst dat het oordeel van de strafrechter bindend zal zijn voor de tuchtoverheid; dat wanneer de strafrechter de bewijsmiddelen nietig zal bevinden dit ook gevolgen heeft voor het tuchtdossier dat geen andere stukken bevat dan deze van het strafdossier; dat de kans op een vrijspraak door de strafrechter reëel is en dat hij dan ook tuchtrechtelijk moet worden vrijgesproken; dat verzoeker ook laat gelden dat uit het bestreden tuchtbesluit niet blijkt waarom het oordeel van de strafrechter niet wordt afgewacht en dat de motivering van het bestreden tuchtbesluit dienaangaande louter stijlformules bevat; 3.5.
- Overwegende dat de tuchtvordering in principe los staat van de strafvordering; dat de tuchtoverheid dan ook over de tuchtvordering uitspraak kan doen zonder de definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten; dat weliswaar, indien de strafrechter uiteindelijk vaststelt dat de strafrechtelijk vervolgde feiten, die ook aan de basis liggen van de tuchtvordering, niet bewezen zijn, zulks ook de rechtsgeldigheid van de inmiddels op grond van die feiten uitgesproken tuchtstraf aantast zodat op de tuchtoverheid de plicht rust deze in te trekken; dat de tuchtoverheid bijgevolg een risico neemt door zich uit te spreken over de tuchtvordering vooraleer de strafrechter IX-4880-14/26 een definitieve uitspraak heeft gedaan over dezelfde feiten, doch discretionair oordeelt of ze dat risico kan of moet nemen; Overwegende dat het bestreden tuchtbesluit dienaangaande overweegt : “Overwegende dat het bestuur akte heeft genomen van het vonnis van de Correctionele Rechtbank van Kortrijk, achtste kamer, dd. 29 juni 2004, in de zaak met not. nr. KO20.99.114-02; Overwegende dat het tuchtrecht uitsluitend tekortkomingen aan de beroepsplichten als ambtenaar, handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen of overtredingen van een cumulverbod bestraft (artikel 51 OCMW-wet, juncto artikel 282 Nieuwe Gemeentewet); Overwegende dat de tuchtoverheid niet verplicht is haar beslissing uit te stellen tot de strafrechter uitspraak heeft gedaan en het vonnis of arrest definitief is geworden; Overwegende dat de ernst van de vergrijpen eraan in de weg staat dat langer getalmd wordt met een tuchtrechtelijke beslissing. De tuchtrechtelijke overheid heeft, zodra toelating tot kennisneming werd verleend in het strafdossier met not.-nr. KO.20.99.000114/2002, het nodige gedaan om haar inzagerecht uit te oefenen en, gezien de zwaarwichtige inhoud ervan, een tuchtzaak in te stellen; Overwegende dat in het andere geval de tuchtoverheid verweten zou kunnen worden de redelijke termijn in tuchtzaken niet te respecteren, zeker nu zij sinds het intern onderzoek van de Secretaris weet van financiële malversaties binnen de Sociale Dienst zonder evenwel de individuele verantwoordelijkheid van de betrokkenen te kunnen vastleggen; Overwegende dat op het bestuur trouwens de verplichting rust om een tuchtzaak met bekwame spoed af te handelen en dat dit een op zichzelf staande verplichting is, waarbij het bestuur zich niet mag laten leiden door de ijver waarmee de betrokken ambtenaar zelf zijn zaak benaarstigt; Overwegende trouwens dat ons bestuur hier geen uitspraak doet over het feit of de heer Jack Gayse zich al dan niet schuldig maakt aan een misdrijf, daar enkel de strafrechter daartoe de bevoegdheid heeft; Overwegende dat ons bestuur enkel beslist of de betrokkene al dan niet een tuchtfout heeft begaan;” Overwegende dat die overwegingen een uitspraak over de tuchtvordering vooraleer de strafvordering definitief haar beslag heeft gekregen afdoende lijken te kunnen verantwoorden; dat het vijfde middel evenmin ernstig is; 3.6.
- Overwegende dat verzoeker in een zesde middel de schending aanvoert van de artikelen 301 en 302 van de nieuwe gemeentewet; dat hij vooreerst laat gelden dat het tuchtdossier geen twaalf vrije dagen voor de hoorzitting te zijner inzage heeft IX-4880-15/26 gelegen, wat hij als volgt verduidelijkt: de oproeping voor de hoorzitting werd op donderdag 13 mei 2004 ter post aangetekend verzonden; die oproeping heeft hij op 14 mei 2004 ontvangen; op de zaterdagen 15 en 22 mei 2004 heeft het tuchtdossier niet ter inzage gelegen, evenmin als op donderdag 20 mei 2004 (O.L.H. Hemelvaart), vrijdag 21 mei 2004 (brugdag) en maandag 31 mei 2004 (tweede pinksterdag); de omstandigheid dat zijn raadsman het dossier één keer is komen inzien is niet relevant, omdat hij nu eenmaal over twaalf dagen moet kunnen beschikken om zijn dossier in te zien en zijn verweer voor te bereiden; dat verzoeker voorts betoogt dat de oproepingsbrief voor het verhoor geen melding maakt van de feiten die hem in concreto ten laste worden gelegd en dat de verwijzing in de oproepingsbrief naar het tuchtverslag van de secretaris geen duidelijkheid biedt over de feiten waarvoor hij zich diende te verdedigen; 3.6.
- Overwegende dat artikel 301 van de nieuwe gemeentewet als volgt luidt : “Ten minste twaalf werkdagen vóór zijn verschijning wordt de betrokkene opgeroepen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door afgifte van de oproepingsbrief tegen ontvangstbewijs. De oproeping dient melding te maken van: 1/ al de ten laste gelegde feiten; 2/ het feit dat een tuchtstraf wordt overwogen en dat een tuchtdossier is aangelegd; 3/ plaats, dag en uur van de hoorzitting; 4/ het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een verdediger van zijn keuze; 5/ de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien; 6/ het recht van de betrokkene de openbaarheid van de hoorzitting te vragen, indien hij voor de gemeenteraad dient te verschijnen; 7/ het recht om het horen van getuigen te vragen alsmede de openbaarheid van dat verhoor.”; Overwegende dat de oproepingstermijn voorgeschreven door het eerste lid van het aangehaalde wetsartikel, het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid in staat moet stellen de hoorzitting voor te bereiden, een beroep te doen op een verdediger en het tuchtdossier in te zien; Overwegende dat artikel 302 van de nieuwe gemeentewet bepaalt : IX-4880-16/26 “Vanaf de oproeping om voor de tuchtoverheid te verschijnen tot en met de dag vóór de dag van verschijning kunnen de betrokkene en zijn verdediger het tuchtdossier raadplegen en desgewenst de verdedigingsmiddelen schriftelijk mededelen aan de tuchtoverheid.”; Overwegende dat in de onderhavige zaak de door artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet voorgeschreven termijn van twaalf werkdagen werd geëerbiedigd: de oproepingsbrief werd op 13 mei 2004 ter post aangetekend naar verzoeker gezonden; hij heeft die brief, naar eigen zeggen, op 14 mei 2004 ontvangen; pas op 2 juni 2004 had de hoorzitting plaats; Overwegende dat, in acht genomen dat bij gebrek aan enige aanwijzing in een andere zin, het begrip werkdag in artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, moet worden begrepen in zijn gebruikelijke betekenis, dat wil zeggen elke dag van de week, met uitzondering van de zon- en feestdagen, verzoeker tussen 14 mei 2004 en 2 juni 2004 over méér dan twaalf werkdagen heeft beschikt om de hoorzitting voor te bereiden, een beroep te doen op een verdediger en het tuchtdossier in te zien; dat artikel 302 van de nieuwe gemeentewet niet vergt dat het tuchtdossier tijdens de oproepingstermijn ononderbroken ter inzage ligt; dat het ter zake kon worden ingezien tijdens de bureeluren, wat ter eerbiediging van verzoekers rechten van verdediging volstond; dat overigens de raadsman van verzoeker van deze mogelijkheid tot inzage van het tuchtdossier gebruik heeft gemaakt; dat de oproepingsbrief en het daarbij gevoegde tuchtverslag van de secretaris, in tegenstelling tot wat verzoeker lijkt aan te voeren, bij betrokkene geen enkele twijfel of misverstand kon doen ontstaan over de feiten waarvoor hij zich tuchtrechtelijk diende te verantwoorden; dat het zesde middel niet ernstig is; 3.7.
- Overwegende dat verzoeker in een zevende middel de schending van het onpartijdigheidsvereiste aanvoert; dat volgens hem de eerste verwerende partij niet meer onpartijdig over zijn tuchtzaak kon oordelen, aangezien zij op 1 juni 2004 bij de correctionele rechtbank een nota heeft neergelegd waarin zij overweegt dat de feiten ten laste van verzoeker bewezen zijn; dat hij betoogt dat uit deze burgerlijke partijstelling blijkt dat de tuchtoverheid zich reeds een oordeel had gevormd over zijn IX-4880-17/26 tuchtzaak alvorens hem te horen en dat zij, op zijn minst, haar tuchtoordeel had moeten opschorten tot de strafrechter definitief uitspraak zou hebben gedaan over de vordering van het OCMW; dat verzoeker er hierbij op wijst dat de raad voor maatschappelijk welzijn alzo in twee gerechtelijke procedures tegen hem optreedt en er dan ook belang kon bij hebben dat hij tuchtrechtelijk werd veroordeeld; 3.7.
- Overwegende dat door zich tegen verzoeker burgerlijke partij te stellen bij de strafrechter, het OCMW slechts beoogde zijn belangen te vrijwaren; dat een dergelijke bewarende maatregel niet doet blijken van een vooringenomenheid of partijdigheid van de tuchtoverheid in verzoekers tuchtzaak; dat daarover anders oordelen, erop neerkomt dat het bestuur na een burgerlijke partijstelling in de onmogelijkheid verkeert om zijn tuchtbevoegdheid uit te oefenen, aangezien de beslissingsbevoegdheid in beide aangelegenheden aan dezelfde organen toebehoort, namelijk aan de raad voor maatschappelijk welzijn, desgevallend aan het vast bureau; dat niet in te zien valt hoe het afwachten van de uitspraak van de strafrechter over de burgerlijke partijstelling zulks zou kunnen verhelpen; dat het zevende middel evenmin ernstig is; 3.8.
- Overwegende dat verzoeker in een achtste middel de schending van het beroepsgeheim aanvoert, stellende dat zijn tuchtdossier uitsluitend bestaat uit processen-verbaal die werden opgesteld in het kader van het opsporingsonderzoek; dat die processen-verbaal verklaringen bevatten van personeelsleden en raadsleden van het OCMW van Roeselare; dat echter deze personeelsleden en raadsleden krachtens de artikelen 36, tweede lid, en 50 van de OCMW-wet en artikel 458 van het Strafwetboek gebonden zijn door het beroepsgeheim, wat betekent dat zij niets uit een individueel steunverleningsdossier mogen bekendmaken aan derden; dat ook de identiteit van de steuntrekkers onder dat beroepsgeheim valt; dat verklaringen van personeelsleden en raadsleden ten aanzien van derden, waarbij de identiteit van steuntrekkers en/of de steun die deze hebben ontvangen, worden bekendgemaakt, strijdig zijn met het beroepsgeheim en dienvolgens rechtens nietig zijn; dat zodoende de processen-verbaal waarop het bestreden tuchtbesluit is gesteund, eveneens nietig zijn; 3.8.
- Overwegende dat artikel 458 van het Strafwetboek bepaalt : IX-4880-18/26 “Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank.”; Overwegende dat krachtens de artikelen 36, derde lid, en 50 van de OCMW-wet de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en de personeelsleden van het OCMW tot geheimhouding verplicht zijn; Overwegende dat, daargelaten de vraag of het beroepsgeheim van de personeelsleden van het OCMW in de betrokken aangelegenheden ook geldt tegenover hun hiërarchische meerderen, de schending van het beroepsgeheim een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf uitmaakt; dat het niet aan de Raad van State behoort om de schending van het beroepsgeheim vast te stellen; dat te dezen niet blijkt dat klachten over de miskenning van het beroepsgeheim door de personeelsleden en raadsleden die een verklaring hebben afgelegd in het kader van het opsporingsonderzoek tegen verzoeker werden ingediend en dat een bevoegd rechtscollege daarover uitspraak heeft gedaan; dat de Raad van State dan ook niet kan vaststellen dat de verklaringen waarop het bestreden tuchtbesluit is gesteund onrechtmatig werden afgelegd en dat het bestreden tuchtbesluit en de bestreden goedkeuring van dat tuchtbesluit daardoor zouden zijn aangetast; dat het achtste middel niet ernstig is; 3.9.
- Overwegende dat verzoeker in een negende middel aanvoert dat de ten laste gelegde feiten hem niet toegerekend kunnen worden, omdat de kwestieuze financiële malversaties zich hebben voorgedaan in individuele dossiers die onder de verantwoordelijkheid vallen van de maatschappelijk werkers, welke in dezen krachtens artikel 47, § 1, van de OCMW-wet enkel instructies kunnen krijgen van de secretaris van het OCMW; dat hij het minstens een inbreuk acht op de formele motiveringswet dat hij wordt gesanctioneerd zonder dat wordt aangegeven welke zijn verantwoordelijk- heid is in die individuele dossiers; IX-4880-19/26 3.9.
- Overwegende dat het bestreden tuchtbesluit in verband met de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van verzoeker overweegt : “Overwegende dat de tuchtoverheid in dit tuchtdossier geen uitspraak wenst te doen over de eventuele individuele verantwoordelijkheid bij de uitvoering van de wettelijke opdracht van de maatschappelijk werkers, doch dat het in onderhavig geval gaat om de rol die de heer Jack Gayse heeft gespeeld in voornoemde geldstromen; Overwegende dat inderdaad reeds is aangehaald dat de heer Jack Gayse, als Directeur Sociale Dienst, weliswaar geen individuele dossiers beheerde, doch in zijn hoedanigheid van Directeur Sociale Dienst wel de zwarte kas heeft opgestart, de geldstromen van de overleden steuntrekkers (dossiers Perneel en Lefevere), afgeschreven steuntrekkers of uitgewezen politieke vluchtelingen, huurwaarborgen, verwarmingskosten, artikel 60 §7 OCMW-wet liet toepassen en de fiches in het dossier Debels vervalste en de opdracht gaf om een bedrag in de zwarte kas te deponeren in het dossier Mendez [...]; Overwegende de functiebeschrijving van de Directeur Sociale Dienst geeft deze leiding aan het voltallig personeelsbestand van de Sociale Dienst; Overwegende dat de Directeur Sociale Dienst de 1ste of 2de beoordelaar is voor de evaluaties van de personeelsleden van de Sociale Dienst OCMW; Overwegende dat de verantwoordelijke van de Sociale Dienst (artikel 47 § 2 OCMW-wet) mag geacht worden verantwoordelijk te zijn over de Sociale Dienst en derhalve de hiërarchische overste is van de Sociale Dienst, zoals ook is vastgesteld in de functiebeschrijving van de functie Directeur Sociale Dienst en zijn (hoofd)maatschappelijk werkers onder hem hiërarchische gehoorzaamheidsplicht verschuldigd; Overwegende dat aannemen dat de Directeur Sociale Dienst niet de hiërarchische overste is van de Sociale Dienst en geen leiding geeft aan de Sociale Dienst, quod non, zou betekenen dat deze functie totaal overbodig zou zijn en de eraan corresponderende hogere weddeschalen totaal onverantwoord zou zijn; Overwegende dat, als men al zou aannemen dat de Directeur Sociale Dienst, geen opdrachten zou kunnen geven aan de (hoofd)maatschappelijk werkers die ter zake aldus niet zouden gehouden zijn tot hiërarchische gehoorzaamheidsplicht, quod non, dan dient hij overeenkomstig artikel 47 §2 OCMW-wet de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, het Vast Bureau, het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst of de Secretaris in te lichten over de algemene behoeften die hij bij de vervulling van zijn taak vaststelt en de maatregelen voor te stellen om daaraan tegemoet te komen, zo had hij als er nood was aan fondsen om bepaalde aankopen binnen de Sociale Dienst te bekostigen (radio’s, kaders, drank, e.d.) dit moeten melden in plaats van een zwarte kas op te starten (cfr. verklaring naar aanleiding van de interne vergadering van 23 januari 2002); Overwegende dat de heer Jack Gayse overeenkomstig artikel 10 van het organiek administratief statuut diende in te staan voor de behoorlijke werking van de dienst waarvan de leiding hem was opgedragen. Hij moest dan ook alle misbruiken of nalatigheden die hij bij de uitoefening van zijn ambt vaststelde doen ophouden of het nodige doen om ze te doen ophouden”; IX-4880-20/26 Overwegende dat het bestreden tuchtbesluit derhalve niet beoogt verzoeker te sanctioneren voor tekortkomingen in concrete individuele dossiers, doch wel -in het algemeen gesteld- voor het feit dat hij als directeur van de sociale dienst een zwarte kas heeft opgestart en de geldstromen daar naar toe heeft georganiseerd en gedirigeerd; dat uiteraard hem dat feit, dat geen tekortkoming uitmaakt in de behandeling van individuele dossiers, maar wel in de uitoefening van verzoekers hiërarchisch leidinggevende functie, tuchtrechtelijk kan worden aangerekend; dat het middel niet ernstig is; 3.10.
- Overwegende dat verzoeker in een tiende middel laat gelden, met betrekking tot de tenlastelegging dat hij inzake de dossiers “artikel 60, § 7, van de OCMW-wet” bewust verkeerde voorstellen heeft voorgelegd aan het bijzonder comité voor de sociale dienst, dat elf van die dossiers, waarvoor hij strafrechtelijk wordt vervolgd, door het voornoemde bijzonder comité werden behandeld op 1 juli 1998 en 9 augustus 2000 toen hij met vakantie was, zodat ze niet te zijnen laste kunnen worden gelegd; dat volgens hem de tuchtoverheid de zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden, doordat ze ervan is uitgegaan dat hij als verantwoordelijke voor de sociale dienst alle voorstellen voor het voornoemde bijzonder comité heeft gebracht; dat verzoeker voorts aanvoert dat de zaken ten onrechte zo worden voorgesteld alsof hij met de gelden van de zwarte kas goederen voor zichzelf heeft aangekocht; 3.10.
- Overwegende, nogmaals, dat het bestreden tuchtbesluit verzoeker niet sanctioneert voor zijn optreden in welbepaalde concrete dossiers, wel voor het feit dat hij als directeur een zwarte kas heeft opgericht en de financiering daarvan langs diverse kanalen, waaronder de zogenaamde dossiers “artikel 60, § 7”, heeft georganiseerd en gedirigeerd; dat de tweede verwerende partij er terecht op wijst dat verzoeker zijn frauduleus handelen, ook inzake de dossiers “artikel 60, § 7”, tijdens het strafonderzoek heeft toegegeven; dat de materiële grondslag van de bestreden tuchtmaatregel niet in het gedrang komt door het feit dat verzoeker bij de behandeling van elf dossiers “artikel 60 § 7” in het bijzonder comité voor de sociale dienst niet aanwezig was wegens vakantie, terwijl luidens het tuchtverslag van de OCMW-secretaris onregelmatigheden werden gepleegd in “een 36-tal dossiers”; dat het tiende middel evenmin ernstig is; IX-4880-21/26 3.11.
- Overwegende dat verzoeker in een elfde middel de opportuniteit van de opgelegde tuchtmaatregel betwist; dat hij aanvoert dat hij dertig jaar in dienst is van het OCMW zonder dat ooit een opmerking werd gemaakt over zijn functioneren of hem een tuchtsanctie werd opgelegd, dat de hem ten laste gelegde feiten, die een manifeste vorm van collusie uitmaken, bekend waren bij het bestuur; dat de strafrechter zich nog moet uitspreken over het hoger beroep tegen zijn strafrechtelijke veroordeling, een toekomstige vrijspraak niet denkbeeldig is en dat het dan ook niet opportuun was in de toenmalige stand van het dossier het ontslag van ambtswege op te leggen; dat verzoeker voorts nog betoogt dat een ontslag van ambtswege bij tuchtmaatregel slechts gerechtvaardigd zou zijn indien zou blijken of worden aangetoond dat hij “definitief onwaardig” is, dat hij echter sedert maart 2003 effectief gewerkt heeft bij het OCMW zonder dat dit de rust op de dienst heeft geschaad, dat de tuchtoverheid niet aangeeft waarom een lichte of een zware straf geen adequate straf zou zijn, dat er bij de sociale dienst effectief een normvervaging bestond, dat hij na het aan het licht komen van bepaalde feiten een terugzetting in de graad van maatschappelijk werker heeft gevraagd en gekregen en dat hij dus reeds feitelijk gestraft is terwijl de thans bestreden tuchtsanctie daar bovenop komt; dat verzoeker stelt dat in het bestreden tuchtbesluit niet wordt aangegeven waaruit zijn definitieve onwaardigheid blijkt, gelet op zijn huidige functie van maatschappelijk werker waarin hij geen enkel hiërarchisch gezag meer heeft tegenover zijn collega’s; 3.11.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij er terecht op wijst dat de Raad van State met betrekking tot de aard en de maat van de opgelegde tuchtmaatregel slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt, hetgeen impliceert dat de Raad van State niet zomaar een tuchtmaatregel die hij “niet opportuun” acht, onwettig kan verklaren; dat hij enkel vermag dat te doen met een tuchtstraf die volkomen in wanverhouding staat tot de bewezen feiten, dat wil zeggen een tuchtstraf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die feiten zou opleggen; Overwegende dat verzoeker in het middel niet aanvoert dat er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de hem ten laste gelegde tuchtfeiten en de opgelegde tuchtstraf; dat een dergelijke wanverhouding ook niet spontaan blijkt uit IX-4880-22/26 de gegevens van de zaak; dat verzoeker zich immers schuldig heeft gemaakt aan de organisatie van een fraudesysteem, waarbij sommige gelden afkomstig van en bestemd voor behoeftige cliënten van het OCMW werden afgeleid naar een zwarte kas; dat hij met dat oogmerk bij de behandeling van dossiers valse verklaringen heeft afgelegd; dat de ten laste gelegde feiten in redelijkheid als ernstig voorkomen en de overheid konden doen besluiten dat de goede werking van de dienst zou worden geschaad wegens een verlies van vertrouwen en dat bij gebrek van een ernstige sanctionering bij de andere ambtenaren en de publieke opinie de indruk zou ontstaan van een algemene normvervaging; dat overigens blijkt dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat alle relevante elementen heeft afgewogen: het tuchtrechtelijke verleden van verzoeker, de aard van de functie die hij bekleedde ten tijde van de ten laste gelegde feiten en van zijn actuele functie, de ernst van de feiten, het repetitieve karakter ervan en de weerslag ervan op de werking van de dienst en op het aanzien van het bestuur bij het publiek; Overwegende dat de omstandigheid dat verzoeker na het aan het licht komen van de financiële malversaties op de sociale dienst begin 2002, vanaf maart 2003 toch nog binnen het bestuur heeft gefunctioneerd als maatschappelijk werker,aan het redelijk karakter van de opgelegde tuchtstraf geen afbreuk kan doen; dat het immers aannemelijk lijkt dat het bestuur pas ingevolge de kennisneming van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek begin 2004 een preciezer inzicht heeft gekregen in hetgeen verzoeker concreet ten laste kon worden gelegd en in zijn individuele schuld, wat onverwijld heeft geresulteerd in een tuchtverslag van de secretaris waarbij het ontslag van ambtswege van verzoeker werd voorgesteld; dat het elfde middel niet ernstig is; 4.1.
- Overwegende dat verzoeker tegen het goedkeuringsbesluit van 15 maart 2005 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering als eerste middel de schending aanvoert van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti”; dat hij stelt dat de gemeenschapsminister in punt III, 4, van zijn omzendbrief BA-G-92/12 van 9 september 1992 heeft voorgeschreven dat in het geval van een herneming van de tuchtprocedure na de niet-goedkeuring van het initiële tuchtbesluit, het betrokken personeelslid opnieuw moet worden gehoord, dat in deze het bestreden tuchtbesluit tot stand gekomen is zonder dat verzoeker opnieuw is gehoord, IX-4880-23/26 zodat de voornoemde minister het bestreden tuchtbesluit niet had mogen goedkeuren, of had moeten aangeven waarom hij van de beleidslijn die uit de voormelde omzendbrief blijkt, is afgeweken; 4.1.
- Overwegende dat bij de bespreking van verzoekers eerste middel tegen het tuchtbesluit van 22 september 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn reeds is uitgemaakt dat verzoeker niet in een geval verkeert dat geviseerd wordt door de omzendbrief BA-G-92/12 van 9 september 1992; dat het middel niet ernstig is; 4.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel tegen het goedkeuringsbesluit de schending van de formele motiveringswet van 29 juli 1991 aanvoert; dat hij vooreerst betoogt dat aangezien het bestreden tuchtbesluit onwettig is, het bestreden besluit van de minister dat er goedkeuring aan verleent, dat evenzeer is, vermits het niet op rechtens aanvaardbare motieven kan zijn gesteund; dat hij voorts laat gelden dat de toezichthoudende overheid weliswaar niet verplicht is op elk van zijn argumenten te antwoorden, maar dat hij toch aan de hand van de motivering van het toezichtsbesluit moet kunnen nagaan waarom bepaalde argumenten die op het eerste gezicht niet geheel onredelijk zijn, toch niet tot de niet-goedkeuring van de opgelegde tuchtmaatregel hebben geleid; dat de minister in casu niet heeft geantwoord op zijn argumenten inzake het verjaard zijn van de in aanmerking genomen tuchtfeiten, de niet-toerekenbaarheid van sommige tuchtfeiten en het afwijken van de in de omzendbrief BA-G-92/12 uitgestippelde beleidslijn; 4.2.
- Overwegende dat het tweede bestreden besluit de goedkeuring -na hoger beroep tegen het goedkeuringsbesluit van 2 december 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen- inhoudt van het tuchtbesluit van 22 september 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn; dat hiervoor is vastgesteld dat verzoeker geen ernstige middelen aanvoert tegen het bestreden tuchtbesluit, zodat niet kan worden aangenomen dat ook het goedkeuringsbesluit door dezelfde beweerde onwettigheden is aangetast; dat de tweede verwerende partij bij de uitoefening van haar goedkeuringstoe- zicht niet de hele tuchtvordering tegen verzoeker over hoefde te doen, doch slechts diende na te gaan of de tuchtoverheid wettig tot haar besluit was gekomen en het IX-4880-24/26 algemeen belang niet had geschaad; dat zij bij de uitoefening van dat toezicht niet verplicht was een antwoord te verstrekken op alle argumenten die verzoeker in de loop van de procedure had aangevoerd; dat de formele motiveringsplicht welke de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen heeft ingesteld, weliswaar vergt dat uit het goedkeuringsbesluit van de minister afdoende blijkt hoe deze tot de overtuiging is gekomen dat verzoekers bezwaren tegen het goedkeuringsbe- sluit van de bestendige deputatie, minstens in het algemeen, niet gegrond waren en het kwestieuze tuchtbesluit zijn goedkeuring verdiende; dat in de onderhavige zaak de minister dat uitvoerig heeft gedaan in een zeventien pagina’s omvattende motivering, waarin de wezenlijke argumentatie van verzoeker wordt weerlegd; dat die motivering in redelijkheid geen twijfel laat bestaan over het standpunt van de minister dat de aan verzoeker ten laste gelegde tuchtfeiten niet verjaard en aan verzoeker toerekenbaar zijn en dat er voor de tuchtoverheid geen verplichting bestond om verzoeker na het hernemen van de tuchtprocedure opnieuw te horen; dat verzoeker er overigens niet toe komt dat standpunt van de minister concreet te betwisten; dat het middel niet ernstig is;
- Overwegende dat de vaststelling dat geen der middelen ernstig is volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien november 2000 en vijf, door : IX-4880-25/26 de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4880-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.211 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.241 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.