← België

Arrest 151225 - - 14/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.225 Rolnummer: A. 126094/XIV-11481 Zaak: Arrest 151225 - - 14/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 04:39 Fiche Arrest nr 151.225 van 14 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.225 van 14 november 2005 in de zaak A. 126.094/XIV-11.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 22 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van Minister van Binnenlandse Zaken van 4 januari 2002 tot weigering van regularisatie; Gelet op het arrest nr. 126.138 van 8 december 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-11.481-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HINNEKENS die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Pakistaanse nationaliteit, en zijn echtengote L zijn op 21 september 1999 in België binnengekomen en hebben zich vluchteling verklaard op 24 september
  4. 1.
  5. Op 29 januari 2000 heeft verzoeker een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 1/. Deze aanvraag was tevens ingediend voor zijn echtgenote en minderjarig kind. 1.
  6. De nota van het onderzoekssecretariaat dateert van 9 mei
  7. 1.
  8. Verzoeker is door de Commissie op 24 september 2001, bijgestaan door een raadsman, gehoord. Verzoeker heeft ter zitting tevens de uitbreiding van zijn aanvraag naar de artikelen 2, 2/ en 2, 4/ gevraagd. 1.
  9. De vierde Kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 7 november 2001 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “Volgens de nota van het Secretariaat werd het dossier aan de kamers overgemaakt wegens twijfel op het punt van: ÷ Duur van de asielprocedure is te kort De aanvraag De regularisatieaanvraag werd op 29 januari 2000 ingediend op grond van art. 2, l/ Wet 22 december
  10. De regularisatieaanvraag werd tevens ingediend voor de partner L en voor het kind M, geboren op 26 januari
  11. Ter zitting wordt de aanvraag uitgebreid voor K, geboren te Gent op 6 juni
  12. Art. 2, l/ XIV-11.481-2/8 De aanvraag verklaarde zich politiek vluchteling op 24 september
  13. Uit de stukken blijkt dat de aanvrager en zijn echtgenote op 11 januari 2000 een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten, werd betekend. Art. 2, 1/ kan derhalve niet tot een gunstig advies leiden. Art. 2,2/ Ter zitting van 24 september 2001 beroept de aanvrager zich tevens op de onmogelijkheid tot terugkeer. De verklaring die de aanvrager daaromtrent voorlegt, is zeer algemeen, weinig gedetailleerd en niet overtuigend. In zover de aanvrager zich beroept op het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 behoort de beoordeling daarvan aan de daartoe bevoegde instanties Art. 2,2/ kan evenmin tot een gunstig advies leiden. Art. 2,4/ Overeenkomstig art. 9,9/ Wet 22 december 1999 moet degene die zich op art. 2,4/ beroept het bewijs leveren dat hij voldoet aan minstens één van de drie criteria die in art. 9,9/ genoemd worden. De aanvrager kwam België binnen op 24 september
  14. De vereiste periode van 6 jaar of 5 jaar voor gezinnen met minderjarige schoolgaande kinderen is dus niet bereikt. Om humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen in België aan te tonen legt de aanvrager volgende stukken neer: ÷ Een getuigschrift van basisschool Gaspard Van De Vijver te Gent d.d. 19 september 2001 waaruit blijkt (dat) het kind M ingeschreven is in de school sedert 13 maart 2000 en de lessen volgt van het tweede leerjaar, wat gelet op de leeftijd van het kind onmogelijk is, vermoedelijk wordt bedoeld de tweede kleuterklas, ÷ Een fotokopie van de geboorteakte van K, geboren op 6 juni 2000 te Gent, ÷ Een fotokopie van de oprichtingsakte d.d. 23 november 2000 van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, genaamd ‘Choudary’, volgens de verklaring ter zitting een nachtwinkel, waarvan de aanvrager en zijn echtgenote mede-oprichter en tevens bestuurder(s) zijn, ÷ Een zeer beknopte verklaring (met fotokopie van de identiteitskaart) van drie Belgische onderdanen die verklaren de aanvrager te kennen, ÷ Een verklaring van de kleuterleidster van M, waarin de regelmatige aanwezigheid op school wordt bevestigd alsook de coöperatieve betrokkenheid van de ouders. Gelet op het standpunt dat hoe korter het verblijf in België is, hoe meer belang moet gehecht worden aan de humanitaire redenen en de duurzame sociale bindingen, kunnen de voorgelegde stukken niet overtuigen. Bijgevolg kan ook art. 2, 4/ niet tot een gunstig advies leiden. De aanvrager geeft b.v. geen enkele blijk van bereidheid of voornemen om een van de landstalen te leren, noch is b.v. zijn leeftijd een beletsel om terug te keren naar het land van herkomst om er een nieuw leven te beginnen.”. 1.
  15. Op 4 januari 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de bestreden beslissing.
  16. Over de gegrondheid van het beroep. XIV-11.481-3/8 2.
  17. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (Wet van 29 juli 1991); van het artikel 62 van de Vreemdelingenwet (wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen); van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en van de zorgvuldigheidsverplichting. Manifeste beoordelingsfout Dat dient opgemerkt te worden dat verzoekers hun regularisatieaanvraag indienden op grond van de artikelen 2,2/ en 2,4/ van de Regularisatiewet. Dat verzoekers sedert september 1999 in België onafgebroken verblijven. Dat verzoekers op 11 januari 2000 door de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend waartegen door verzoekers op 13 januari 2000 bij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een dringend beroep werd ingediend waardoor het bevel werd opgeschort. Dat zij derhalve voldoen aan minstens één van de niet-cumulatieve voorwaarden van het artikel 9,9/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken in de bestreden beslissing dd. 4.01.2002, die het advies van de Commissie voor Regularisatie dd. 7.11.2001 overneemt en volgt, stelt dat verzoekers niet voldoen aan de vereiste van artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, daar humanitaire redenen en duurzame sociale ontbreken. Dat de Minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing, die het advies van de Commissie voor Regularisatie dd. 7.11.2001 overneemt en volgt, bij de beoordeling van de regularisatieaanvraag van verzoeker een aantal feiten over het hoofd heeft gezien waardoor de zorgvuldigheids-en de motiveringsverplichting geschonden werd. Dat verzoekers in eerste instantie opmerken dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken in de bestreden beslissing, die het advies van de Commissie voor Regularisatie dd. 7.11.2001 overneemt en volgt, nergens afdoende motiveert waarom de bewijsstukken, welke verzoekers ter ondersteuning van hun regularisatieaanvraag indienden (cf. oprichting coöperatieve vennootschap, schoolgaand kind en geboren kind in België, stuk 2), niet werden weerhouden als bewijs dat verzoekers de nodige inspanningen hebben geleverd tot integratie in de Belgische samenleving en dat derhalve humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen bestaan in hoofde van verzoekers. Dat door de Minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing, die het advies van de Commissie voor Regularisatie dd. 17.11.2001 overneemt en volgt, bij de beoordeling van verzoekers regularisatieaanvraag onvoldoende werd rekening gehouden met de door verzoekers neergelegde bewijsstukken aangaande hun integratie. Dat derhalve de bestreden beslissing dd. 4.01.2002 niet afdoende gemotiveerd is en derhalve de motiveringsverplichting schendt Dat verweerder in de bestreden beslissing, die het advies van de Commissie voor Regularisatie dd. 7.11.2001 overneemt en volgt, een manifeste beoordelingsfout maakte. Dat verder de bestreden beslissing, die het advies van de Commissie voor Regularisatie dd. 7.11.2001 overneemt en volgt, de zorgvuldigheidsverplichting en de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schendt en een manifeste beoordelingsfout maakt, wanneer deze nalaat de argumenten van verzoekers, aangaande hun onmogelijkheid naar Pakistan terug te keren, grondig te weerleggen. Dat dient opgemerkt te worden dat verzoekers hun regularisatieaanvraag steunden op het artikel 2,2/ van de Regularisatiewet ("hetzij om redenen onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar ze voor hun aankomst in België gewoonlijk verbleven hebben noch naar hun land van herkomst noch naar het land waarvan ze de nationaliteit hebben"). XIV-11.481-4/8 Dat verzoekers dienaangaande opmerken dat zij in hun land vervolgd werden wegens verzoekers lidmaatschap van de MQM. Dat derhalve verweerder in de bestreden beslissing een manifeste beoordelingsfout maakte en zorgvuldigheids- en de motiveringsplicht schendde door de motieven van verzoekers, die hen onmogelijk maken naar Pakistan terug te keren, niet grondig te onderzoeken en te toetsen aan het artikel 2,2/ van de Regularisatiewet. Dat de Minister van Binnenlandse Zaken heeft nagelaten alvorens de beslissing aangaande verzoekers regularisatieaanvraag te nemen de toestand van de mensenrechten te onderzoeken. Dat verweerder, die verwijst naar de beoordeling door de asielinstantie, geenszins gehouden is zijn onderzoek en zijn toetsing van verzoekers regularisatieaanvraag aan het artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk te beperken tot de criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie van Genève van 28 juli
  18. Dat verweerder integendeel gehouden is een ruimer onderzoek in te stellen en met alle redenen en aangebracht elementen, welke verzoekers in de onmogelijkheid stellen om naar hun land terug te keren, rekening te houden. Dat verweerder over een ruimere interpretatiemogelijkheid ("om reden onafhankelijk van hun wil niet kunnen terugkeren") beschikt dan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (deze laatste is gebonden aan de Vluchtelingenconventie) en daar geenszins gebruik van maakte. Dat tenslotte dient vastgesteld te worden uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk blijkt zelfs dat de regularisatieaanvragen met de nodige soepelheid dienen behandeld te worden : "Voor de aanvragers die door hun verblijfsduur tussen de eerste en de vierde categorie vallen, zal hun situatie met voldoende soepelheid worden beoordeeld om ernstig onrechtvaardige situaties te vermijden"... " (cf. Parl. St. Kamer, 234/005, p. 13, stuk 4). Bovendien dient te worden rekening gehouden met de "concrete toestand van de vreemdelingen en dient de humanitaire redenen geval per geval te worden benardee " " (cf. Parl. St. Kamer, 234/001, p. 8 en 12, stuk 5) Dat geenszins kan vastgesteld worden dan verweerder in de bestreden beslissing, die het advies van de Commissie voor Regularisatie dd. 7.11.2001 overneemt en volgt, bij de behandeling van verzoekers regularisatieaanvraag enige soepelheid aan de dag legde en rekening hield met de concrete toestand van verzoekers, namelijk hun verblijf in België sedert 1999 waar zij de nodige inspanningen doen om zich te integreren en te overleven, hun onmogelijkheid naar Pakistan terug te keren, hun integratie en hun schoolgaand kind in België, hun in België geboren kind en hun in België opgerichtte vennootschap.”; 2.
  19. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Eerste en enig middel: "Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; van de artikelen 2.2/ en 2.4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en van de zorgvuldigheidsverplichting. Manifeste beoordelingsfout." De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat kan worden afgeleid uit de werking van de regularisatiewet dat aan de Minister de formele beslissingsbevoegdheid wordt opgedragen, nu overeenkomstig artikel 3 van de wet van 22 december 1999 een Commissie voor regularisatie wordt opgericht, die bestaat uit enerzijds kamers en anderzijds een secretariaat, die de ingediende aanvragen onderzoeken en desgevallend de aanvrager persoonlijk horen. De aldus uitgebreid ingerichte commissie verstrekt conform artikel 4 lid 2 een advies aan de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde die oordeelt over de aanvragen en die in voorkomend geval een machtiging tot verblijf afgeeft bij toepassing XIV-11.481-5/8 van artikel 13 van de wet van 15 december 1980 met betrekking tot de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Enkel in de gevallen bedoeld in artikel 5 van de wet van 22 december 1999 speelt de Commissie geen rol. Daaruit volgt dat de Minister van Binnenlandse Zaken niet omtrent de regularisatieaanvraag kan beslissen zonder advies, bij uitzondering in de gevallen van artikel 5 van de wet van 5 december
  20. Zelfs indien de opstelling van de regularisatiewet een discretionaire bevoegdheid laat vermoeden in hoofde van de Minister van Binnenlandse Zaken, ook in de andere gevallen dan die bedoeld in artikel 5, is het voorafgaand advies van de Commissie noodzakelijk, m.a.w. een wettelijke vereiste. Desbetreffend stellen Ingrid Opdebeek en Ann Coolsaet in “Formele motivering van bestuurshandelingen”, Administratieve rechtsbibliotheek, Algemene reeks n/ 7, Die Keure, p. 149: “Alleen wanneer de overheid zich aansluit bij de wettelijk vereiste voorafgaande adviezen kan een summiere motivering, waarin de overheid zich hierbij aansluit volstaan, indien uiteraard het advies zelf afdoende gemotiveerd is en aan de betrokkene ter kennis wordt gebracht.” Verzoeker diende een dossier in, er werd door het Secretariaat een nota opgesteld waarin de aanvraag werd geanalyseerd en verzoeker werd opgeroepen en gehoord door de Kamer, die het advies verstrekte dat aan verzoeker en zijn advocaat werd ter kennis gebracht. In de bestreden beslissing sluit de Minister van Binnenlandse Zaken zich aan bij het advies, stellend dat hij het advies volgt en duidend op de mogelijkheid van verhaal bij de Raad van State. De bestreden beslissing beantwoordt dienvolgens aan de bij wet gestelde motiveringsverplichting. Het enig middel is niet gegrond.”; 2.3.
  21. Overwegende dat de verzoekende partij in wat als eerste onderdeel kan worden beschouwd de schending aanvoert van artikel 9, 9/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet) doordat hij wel degelijk voldoet aan één van de voorwaarden van deze bepaling aangezien hij een dringend beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf; dat verzoeker er verkeerdelijk van uitgaat dat hij tengevolge van de indiening van een dringend beroep over een wettig verblijf in de zin van artikel 9, 9/ beschikt; dat artikel 9, tweede lid van de Regularisatiewet evenwel bepaalt dat als een relevant wettig verblijf onder meer niet worden beschouwd, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchteling in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag wordt toegelaten, hetgeen in casu het geval is; dat, aangezien verzoeker niet betwist dat hij ook niet voldoet aan één van de twee overige voorwaarden van artikel 9, 9/, de Minister in navolging van de Commissie voor regularisatie terecht tot het besluit komt dat hij niet voldoet aan artikel 9, 9/; 2.3.
  22. Overwegende dat de verzoekende partij, in wat als een tweede onderdeel kan worden beschouwd, doet gelden dat de bestreden beslissing nalaat te motiveren waarom de neergelegde bewijsstukken niet wijzen op duurzame sociale bindingen in België en humanitaire redenen zoals gesteld in artikel 2, 4/; dat, om in aanmerking te komen voor regularisatie overeenkomstig artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet, uit de samenlezing van XIV-11.481-6/8 artikel 2, 4/ en 9, 9/ van de Regularisatiewet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verblijft op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/ van de Regularisatiewet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat, zoals hierboven is gesteld de aanvrager die zich beroept op artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet voorafgaandelijk dient aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 9, 9/; dat, gezien verzoeker hier in casu niet aan voldoet, de Commissie en de minister niet verder dienden te onderzoeken of hij duurzame sociale bindingen in België had ontwikkeld en humanitaire redenen kon laten gelden; dat zulks ook inhoudt dat niet formeel moet worden gemotiveerd waarom de overgelegde stukken niet op hun merites ex artikel 2, 4/, van de Regularisatiewet werden getoetst; 2.3.
  23. Overwegende dat, verzoeker, in wat als een derde onderdeel kan worden beschouwd de motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht geschonden acht omdat de bestreden beslissing nalaat de argumenten aangaande zijn onmogelijkheid tot terugkeer naar Pakistan, grondig te weerleggen; dat hij stelt dat de Regularisatiewet nergens bij de toepassing van artikel 2, 2/ motieven, die mogelijks buiten het toepassingsgebied van het Verdrag van Genève vallen, heeft uitgesloten; dat uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid dat de Minister van Binnenlandse Zaken zich ertoe heeft beperkt de door verzoeker ingeroepen motieven te toetsen aan het Verdrag van Genève; dat de verwerende partij, naast een verwijzing naar het asielverzoek, de onmogelijkheid tot terugkeer verder heeft onderzocht; dat in de beslissing het volgende wordt overwogen “de verklaring die de aanvrager daaromtrent neerlegt, is zeer algemeen, weinig gedetailleerd en niet overtuigend”; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de Minister van Binnenlandse Zaken ten onrechte tot de vaststelling is gekomen dat zij enkel vage verklaringen heeft voorgelegd; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  24. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  25. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien november tweeduizend en vijf, door : XIV-11.481-7/8 de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-11.481-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.225 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.