← België

Arrest 151227 - - 14/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.227 Rolnummer: A. 146017/XIV-18270 Zaak: Arrest 151227 - - 14/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-03 04:39 Fiche Arrest nr 151.227 van 14 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.227 van 14 november 2005 in de zaak A. 146.017/XIV-18.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat P. JANSSENS, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Duboisstraat 43 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 31 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 4 december 2003 tot weigering van regularisatie; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt, van Advocaat B. CLOOSEN die, loco Advocaat P. JANSSENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; XIV-18.270-1/18 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Marokkaanse nationaliteit, heeft op 28 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 3/ en 2, 4/. 1.
  4. Verzoeker is door de Commissie voor regularisatie op 13 februari 2003, bijgestaan door een raadsman, gehoord. 1.
  5. De Kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 16 april 2003 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “Gelet op de beschikking van 23 januari 2003 van Mw. Carla Vercammen, Vice-Eerste- Voorzitter van de Commissie, met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de Nederlandstalige kamer op de zitting van 13 februari
  6. Op deze zitting verscheen de verzoekende partij in persoon en werd bijgestaan door zijn raadsman mr. Philippe Janssens advocaat aan de balie van Antwerpen en kon worden gehoord met de medewerking van een tolk. Reeds eerder had de verzoekende partij kennis kunnen nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 4 oktober 2002 en daarin was te lezen dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was zodat de aanvraag met een negatief advies voor beslissing werd overgemaakt aan de Minister zoals voorzien bij artikel 12 § 1 van de Wet van 22 december
  7. Betrokkene beschikte, na het ter kennis brengen van dit advies op de wijzen bepaald in de artikelen 10 en 13 van dezelfde wet, vanaf de tussenkomst van de gemeentepolitie bedoeld in voornoemde artikelen over een termijn van drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten aan de minister, en dit per aangetekende brief. Uit het dossier blijkt dat dit advies ter kennis werd gebracht door de politie van de stad Antwerpen aan verzoeker op 5 november 2002 en dat verzoeker daarop bij op 29 oktober 2002 verzonden aangetekende brief, en dus tijdig, gereageerd heeft. Daarbij hield verzoeker voor dat hij met het gegeven advies niet eens kon zijn omdat hij wel degelijk op het adres Lindeboomstraat 26 te Antwerpen-Berchem woonde en dit staafde met zijn onmiddellijke reactie op de hem op dat adres toegestuurde brief alsook met andere documenten die hij op dat adres ontving. Hij vond zich zoals hij met stukken wilde bewijzen goed bekend bij de stad, zijn bank en de VDAB. Hij heeft arbeidsovereenkomsten en is in orde met de sociale zekerheid, schrijft dat hij XIV-18.270-2/18 Nederlands spreekt en vindt dat hij daarmede zijn sociale bindingen en humanitaire redenen bewijst en houdt voor dat hij op 1 oktober 1999 in België verbleef. De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken met het nummer 4.995.949, dossier dat de gegevens bevat over wat aan de overheid bekend is over zijn aanwezig in het Rijk, gegevens die dus ook aan betrokkene bekend moesten zijn, maar het bevat inhoudelijk geen elementen over een aanwezigheid in het land voorafgaand aan het indienen van zijn aanvraag tot regularisatie. Bij het indienen van zijn aanvraag tot regularisatie te Berchem-Antwerpen op 28 januari 2000 gaf verzoeker op dat hij ongehuwd was en zijn woon- en verblijfplaats koos op het adres Korte Markstraat 42 te Berchem-Antwerpen. De Politie van Antwerpen maakte op 20 februari 2000 een verslag waarin stond dat deze bij een eerste controle niemand thuis vond op dat adres Kortemarkstraat 42 te Berchem-Antwerpen en bij een tweede er uitgevoerde controle werd er de eigenaar aangetroffen die verzoeker niet kende en verzekerd had dat die er niet woonde. Op 27 maart 2000 werd de bevestiging van zijn woonst om 20u30 door de politie van Antwerpen nagegaan op het adres Lindeboomplein nr 26 te Antwerpen-Berchem en deze stelt vast dat hij daar niet woonachtig was. Uit een stuk zonder datum van de Dienst Regularisaties van de stad Antwerpen bleek de wijziging van zijn adres naar Lindeboomstraat 26 te 2060-Antwerpen. Uit een ander stuk van de Dienst Regularisaties van de stad Antwerpen met als datum 21 februari 2000 stond de wijziging van zijn adres naar Korte Yperstraat 2 te Berchem- Antwerpen vermeld. Wanneer de politie van Antwerpen daar op 3 maart 2000 om 13u35 en op 9 maart 2000 om 13u40 een bevestiging van zijn woonst wilde nagaan, bleek hij daar niet woonachtig te zijn maar daar woonde toen wel een andere persoon wiens naam door de Commissie gelezen werd als El Boundatie Abdellah. Wanneer verzoeker aanbrengt dat het ontvangen van brieven via een bepaald adres moet aantonen dat hij daar woont dan vergeet hij hierbij wel dat de diensten van De Post op vraag en tegen betaling ook briefwisseling nasturen naar een ander adres en vergeet hij eveneens dat men briefwisseling zelf op een bepaald adres kan gaan afhalen. Met zijn stelling kon hij de door de politie gedane vaststellingen dan ook niet ontzenuwen. Verzoeker heeft zijn verzoek tot regularisatie ingediend op twee rechtsgronden namelijk deze van artikel 2,3/ (vreemdeling die ernstig ziek is) en 2,4/ (vreemdeling die humanitaire redenen kan laten gelden en duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in België) van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Het ingeroepen artikel 2,3/ liet het indienen toe van dergelijke aanvraag wegens het ernstig ziek zijn. Volgens artikel 9,8/ van diezelfde wet moest hierbij door de bedoelde vreemdeling een medisch attest worden overgezonden aan de beoefenaars van de geneeskunde die de Commissie voor Regularisatie bijstaan. Ten gevolge hiervan heeft dokter H. B., geneesheer aangeduid om de Commissie bij te staan bij het Ministerieel Besluit van 22 mei 2000, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 16 juni 2000, een op 26 februari 2001 gedateerd Medisch Verslag opgemaakt en daarin stond als besluit dat verzoeker niet ernstig ziek is. Dit wilde dan zeggen dat hij geen aandoening had die, zonder behandeling, de dood tot gevolg had of zijn levensverwachting inkort, een ernstige handicap veroorzaakt of veelvuldige verzorging of controles vereist. Ter gelegenheid van de behandeling van zijn aanvraag op de zitting van de Commissie heeft verzoeker uitdrukkelijk afstand gedaan van deze rechtsgrond en waardoor hij zich dus neergelegd heeft bij vermeld medisch advies. Verzoeker heeft voor zijn aanvraag tot regularisatie van verblijf eveneens beroep gedaan op het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9,9/ van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd XIV-18.270-3/18 hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. Met geen enkel toetsbaar element kon verzoeker zijn aanwezigheid in het Rijk op 1 oktober 1999 aantonen en ook de andere aan de Commissie ter kennis gebrachte elementen laten niet toe om dergelijk verblijf op ernstige wijze te gaan vermoeden. Reeds eerder door verzoeker medegedeeld kon er ter zitting door de Commissie kennis worden genomen van het origineel van zijn in Marokko afgeleverde identiteitskaart BJ275846 geldig van 14 januari 1998 tot 13 januari 2008 waarop als zijn woonplaats zijn adres in Casablanca vermeld stond. Verzoeker vertoont ook zijn paspoort L.699.963 te Antwerpen afgeleverd op 31 januari 2000 en geldig tot 30 januari 2001 met de vermelding dat hij op het Consulaat van Marokko te Antwerpen geïmmatriculeerd werd op 28 januari 2000 onder nummer 47708, dus precies op dezelfde dag als dat hij zijn aanvraag tot regularisatie ingediend heeft. Voor de behandeling van zijn verzoek kon verzoeker geen enkel echt toetsbaar element voorbrengen waaruit zijn verblijf in dit land zou kunnen vastgesteld of afgeleid worden op een tijdstip dat het indienen van zijn aanvraag want zelfs een medische verzorging kan gebeurd zijn tijdens een toevallig of kortstondig verblijf vooral als die verzorging niet echt regelmatig bleek te zijn. Er kan dan ook onmogelijk gesteld worden dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar in het Rijk voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek enige geloofwaardigheid heeft kunnen geven zodat in ieder geval de duur van het werkelijk verblijf in het land te kort is om op basis van de duur ervan tot een regularisatie te kunnen komen. Evenmin is verzoeker er in geslaagd aan te tonen dat hij reeds duurzame sociale bindingen had opgebouwd wanneer hij zijn aanvraag indiende noch dat er voor hem speciale humanitaire redenen aanwezig konen geweest zijn. Het blijft vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid dienen behandeld te worden hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij zoniet zou er mogelijkheid bestaat dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die veel later voor de Commissie konden verschijnen. Dit betekent dan ook dat alle stukken waarmee verzoeker nu aantoont dat hij na het indienen van zijn verzoek tot regularisatie hier is willen toetreden tot het officiële arbeidscircuit de beoordeling van zijn situatie in dit land voorafgaand aan het indienen van zijn aanvraag niet meer kunnen wijzigen. Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000 p.588-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari 2000.”. 1.
  8. Op 4 december 2003 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de bestreden beslissing: “(...) XIV-18.270-4/18 De Kamer van de Conunissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake- uw aanvraag tot regularisatie, door U ingediend bij de Burgemeester te ANTWERPEN, op 28/01/2000 en dat het nummer 26002000012804533 draagt. Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan U in bijlage een kopie vindt, te volgen. (...).”.
  9. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  10. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “2.
  11. Eerste middel: Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen. 2.1.
  12. Algemeen. Dat de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken een bestuurshandeling uitmaakt overeenkomstig de wet op de uitdrukkelijke motivering van de administratieve bestuurshandelingen; Dat bijgevolg de Minister van Binnenlandse Zaken zijn beslissingen op gemotiveerde wijze dient te nemen en dat zulks niet geschied is; Dat dit niet geschied is, minstens op een zeer gebrekkige wijze, moge ondermeer blijken uit de hierna (2.1.2.) opgesomde vergissingen en fouten in de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken; Dat het Hof van Cassatie geoordeeld heeft naar aanleiding van schending van het grondwettelijk principe inzake de motivering van rechtelijke beslissingen dat de motivering een wezenlijke waarborg tegen willekeur is en geldt als bewijs dat de voorgelegde middelen zorgvuldig onderzocht werden en de uitspraak beredeneerd werd; (Cass. 12 mei 1932, "Pas.", 1932, I, 166); Dat dit principe eveneens werd opgenomen in de Grondwet met name onder art. 149 van de Grondwet; Dat kan besloten worden dat indien een bestuurshandeling niet degelijk gemotiveerd werd, zulks leidt tot het gemis van een wezenlijke waarborg tegen willekeur en zulks geldt als bewijs dat de Minister van Binnenlandse Zaken de hem voorgelegde middelen niet zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak niet beredeneerd heeft; Dat er in casu enerzijds sprake is van een onjuiste en anderzijds een manifest gebrek aan motivering in de beslissing, wat ertoe leidt te besluiten dat de aan de Minister van Binnenlandse Zaken voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht werden; 2.1.
  13. Betreffende de onjuiste, gebrekkige of ontbrekende motivering van de beslissing overeenkomstig de Wet van 29 juli 1991 (voornoemd). 2.1.2.
  14. Betreffende de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken: algemeen. Dat de bestreden beslissing van de Minister qua motivering zich beperkt tot het verwijzen naar het aan verzoeker meegedeelde negatieve advies van de Commissie voor de Regularisatie; Dat de Minister van Binnenlandse Zaken de motieven en overwegingen overneemt en de zijne maakt om de aanvraag tot regularisatie over te nemen; Dat om de bestreden beslissing te toetsen aan de vereisten van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen, het door de Minister van Binnenlandse Zaken overgenomen advies van de Commissie voor regularisatie dient nagekeken te worden; Dat dit advies volgende schendingen bevat nopens de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen 2.1.2.
  15. Betreffende het adres van verzoeker Dat de Commissie een ganse bladzijde van het advies wijdt aan het adres van verzoeker. Dat met het adres van verzoeker echter niets mis is. Dat verzoeker steeds tijdig heeft gereageerd op oproepingen of verwittigingen op dit adres. XIV-18.270-5/18 Dat verzoeker kort na de aanvraag in januari 2000 verhuisd is naar het adres waar verzoeker nog steeds woont, zijnde Lindeboomstraat 26, 2060 Antwerpen. Dat de politie dit tevergeefs zoekt in Berchem en er aldaar iemand anders aantreft is niet meer dan logisch. Antwerpen en Berchem zijn verschillende gemeenten. De commissie blijkt de stelling van de politie te volgen dat verzoeker niet in Berchem woont. Verzoeker bevestigt dit, aangezien hij in Antwerpen woont. De Commissie roept verzoeker op in Antwerpen en stuurt haar advies ook op naar Antwerpen, zodat de door de Commissie ontwikkelde redeneringen door haarzelf niet gevolgd worden. Dat verzoeker dan ook een adres heeft en dat dan ook voldaan is aan de ratio legis van deze wet; ! Verder verwijst verzoeker naar de algemene rechtspraak van de kamers neergelegd in de Algemene vergaderingen van de Commissie voor Regularisatie; Dat artikel 3, §1 van het K.B. van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissies voor regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, bepaalt: "De eerste voorzitter en de vice voorzitter behoren elk tot een andere taalrol. Zij verdelen de dossiers over de verschillende kamers en waken over de eenheid van de behandeling van de aanvragen." Dat het inderdaad onmogelijk kan zijn dat het de ene aanvraag zwaardere bewijzen zou moeten voorbrengen van de wettelijke vereisten om geregulariseerd te worden dan de andere; Dat daarom in het kader van deze wettelijk plicht tot "eenheid van de behandeling", de algemene vergaderding in deze context besliste dd. 18 november 2000: “De algemene vergadering is unaniem van mening dat het bewijs van verblijf op 1 oktober geleverd is wanneer het dossier ten minste één bewijsstuk bevat met het jaar 1999 (vóór l oktober). leder geloofwaardig stuk kan een verblijf in België bewijzen. Indien de aanvrager een verblijf van 5 of 6 jaren bewijst is de voorwaarde van verblijf op 1 oktober vervuld. Voorbeelden: - ieder spoor nagelaten door financiële en/of commerciële verrichtingen, bewijzen van medische zorgverstrekking (artsen, tandartsen, kinesisten, ...) - ieder stu dat uitgaat van een instelling, zoals begrepen in het punt 1 (bvb.: abonnementen, STIB, TEC, De Lijn, ...) " Dat duidelijk uit de stukken mag blijken dat enerzijds verzoeker zijn voortdurende verblijf sedert 1993 heeft bewezen met documenten en anderzijds dat er meer dan 1 document aanwezig is waaruit zijn verblijf mag blijken in het jaar 1999( zie stukken 5 neergelegd op 13.2.2003); Dat verzoeker dan ook zeker beantwoord aan de interpretatie van de vereiste van aanwezigheid van verzoeker op 1/10/99 door de Algemene vergadering; Dat de algemene vergadering dateert van voor het bestreden advies; Zodat manifest geen rekening werd gehouden met de aanbevelingen, of adviezen; Dat dit een manifeste schending uitmaakt van de artikelen 2 en 3 van de van de Wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijk motiveringsplicht bij bestuurshandelingen (voornoemd); Dat vaststaande rechtspraak van Raad van State geoordeeld heeft dat als een beslissing afwijkt van een positief advies en/of richtlijnen die normaal gelden, het advies extra dient gemotiveerd te zijn; Dat er nergens vermeldt wordt waarom er afgeweken is van de unanieme richtlijnen van de algemene vergadering; Dat de bestreden beslissing dan dient vernietigd te worden; Dat de bestreden beslissing dan ook dient vernietigd te worden; 2.1.2.
  16. Betreffende de duur van het verblijf van verzoeker in België. Dat het advies waarop de bestreden zich steunt en dat letterlijk is overgenomen door de Minister van Binnenlandse zaken, de mening is toegedaan dat er geen ononderbroken verblijf is in hoofde van verzoeker van meer dan 6 jaar zoals overeenkomstig art. 9.2/ van de Wet van 22/12/1999 voornoemd, behoort te zijn; Dat verzoeker dit tegenspreekt; XIV-18.270-6/18 Dat verzoeker de volgende punten wenst aan te halen om aan te duiden dat de Commissie zich hierin vergist: ! Dat verzoeker bewezen heeft dat hij reeds in België verbleef van in het jaar 1993; Dat wil zeggen dat zijn verblijf in België teruggaat tot meer dan 7 jaar! Dat hij vervolgens door verschillende documenten heeft bewezen - dewelke bijna alle jaren vertegenwoordigen dat hij van 1993 tot op heden in België heeft verbleven: Dat verder een en ander eveneens kon afgeleid worden uit: 1) Doktersbewijzen 2) De getuigenverklaringen; 3) De verklaringen van gekendheid; ! Dat er in deze procedure het bewijs betreffende het verblijf van meer dan 6 jaar duidelijk zwaarder beoordeeld werd dan in talloze andere dossiers, voor andere kamers zowel als voor dezelfde kamer van de Commissie voor Regularisatie; Dat verzoeker alleen maar kan gissen waarom zijn dossier zwaarder beoordeeld werd in vergelijking met de andere dossiers; ! Dat daarenboven het advies manifest en wederom de stellingen en richtlijnen van de Algemene vergadering van de kamers tegenspreekt; Dat de algemene vergadering zijn wettelijk basis vindt in art. 3 van het K.B. van 5/1/2000 (voornoemd) waard duidelijk " de eenheid van behandeling wordt opgelegd; Dat de algemene vergadering bepaalt: “P.V. van 18 november 2000 p. 1 en volgende: A. Interpretatie van artikels 2, /4 en 9.9 van de Wet van 22 december 1999 (criterium 4) Artikel 9, 9 beoogt de 3 verschillende hypothesen in en/of- verband. Ze zijn dus niet cumulatief maar alternatief Eerste hypothese: Bewijs van de verblijfsduur van 6 of 5 jaar Het bewijs kan worden geleverd met elk rechtsmiddel, met name een geschrift uitgaande van: (volgt een opsomming in een niet exhaustieve lijst van talloze voorbeelden van bewijzen, waarvan verzoeker er verschillende voorbrengt) ... Er hoeft niet noodzakelijk voor elk jaar een nieuw document te worden afgeleverd. (...) ...Voor degenen die de verblijfsperiode van 6 of 5 jaar in het land niet helemaal volmaken en waarop een van de overige hypothesen van artikel 9,9/ niet van toepassing is, dient de Commissie zich soepel op te stellen (cfr. Parlementaire werkzaamheden) Deze passages worden zoals ook reeds vermeldt in de algemene vergadering, gesteund door de parlementaire werkzaamheden; 2.1.2.
  17. Betreffende de duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen; Dat de bestreden beslissing/advies al helemaal de wet met de voeten treedt op dit punt; Dat de bestreden beslissing/advies dit toch wel zeer belangrijke punt, ja zelfs de grond van de zaak, niet naar behoren beantwoordt. Dat men enkel stelt: "Dit betekent dan ook dat alle stukken waarmee verzoeker nu aantoont dat hij na het indienen van zijn verzoek tot regularisatie hier is willen toetreden tot het officiële arbeidscircuit de beoordeling van zijn situatie in dit land voorafgaand aan het indienen van zijn aanvraag niet meer kunnen wijzigen". Dat dergelijk motivering wraakroepend is en getuigt van een aanfluiting van alle motiveringsprincipes waaronder de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen. "B.S.", 12 september 1991; ! Dat verzoeker verwijst naar de parlementaire werkzaamheden, naar de Algemene Vergadering de Commissie voor Regularisatie en honderden legio positieve beslissingen van de Minister in deze. Dat de Algemene Vergadering als volgt kan geciteerd worden ( Proces-verbaal van 18 november 2000, p. 1 e.v.): “Zodra de voorgeschreven verblijfsduur wordt bewezen, wordt verondersteld dat er sociale bindingen en humanitaire omstandigheden bestaan. Men mag redelijkerwijze aannemen dat het langdurige verblijf in België duurzame sociale bindingen heeft doen ontstaan, zodat de persoon die zich in hachelijke omstandigheden bevindt een humanitair geval is. XIV-18.270-7/18 De Minister bevestigd trouwens dat een feitelijk verblijf van 5 of 6 jaar in het land een sterk doorslaggevend vermoeden schept dat duurzame sociale bindingen zich hebben ontwikkeld (Kamer P. 61) ...” Dat illegalen slechts sedert 1april 2000 in het legale arbeidscircuit konden en dat verzoeker zijn arbeidsovereenkomsten en loonfiches heeft voorgebracht. Dat verzoeker heeft aangetoond dat hij zonder enige onderbreking heeft gewerkt en derhalve in regel was met sociale zekerheid, belastingen, ziekenfonds, enz. Dat voor 1 april 2000 dit wettelijk niet mogelijk was, zodat de argumentatie dat men met deze feiten welke bewezen worden met stukken geen rekening mag houden volkomen absurd is. Dat de bestreden beslissing hierover geen motivatie weergeeft om deze richtlijnen van de Algemene Vergadering, de parlementaire werkzaamheden, en de Minister van Binnenlandse zaken zelf te weerleggen; Dat de bestreden beslissing dan ook de artikelen 2 en 3 van de van de Wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijk motiveringsplicht bij bestuurshandelingen (voornoemd) schendt, en dient vernietigd te worden; ! Dat verzoeker daarenboven bijkomende elementen heeft aangereikt dat er duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen voorhanden zijn om over te gaan tot regularisatie overeenkomstig art. 2, 4/ van de Wet van 22/12/1999 (voornoemd); Dat de Parlementaire werkzaamheden een aantal voorbeelden opsommen die kunnen gelden als bijkomende bewijzen van sociale duurzame bindingen en humanitaire redenen: Zo ondermeer: - Getuigenissen waaruit blijkt dat verzoeker relaties in België heeft aangeknoopt, - Het feit een betrekking te hebben of een aanwervingbelofte te hebben verkregen, - Het feit belastingen en sociale lasten te betalen, - De kennis of de bereidheid tot het leren van een van de landstalen; - ... 1) Eigen verwezenlijkingen en integratie: 1.
  18. Dat verzoeker heeft aangetoond de Nederlandse taal te beheersen en zich hierin het dagdagelijkse leven te kunnen behelpen; 1.
  19. Dat hij dit geleerd heeft in de praktijk, waaruit onmiddellijk zijn diverse contacten moge blijken met Belgische vrienden, kennissen en buren, collega's; 1.
  20. Dat verzoeker verschillende arbeidsovereenkomst(y)en heeft gehad op officiële wijze (eerst een opleidingswerkovereenkomst) 1.4.. Dat verzoeker tevens verschillende loonfiches heeft voorgebracht waaruit duidelijk kan afgeleid worden dat hij tevens in regel is met de sociale zekerheid, pensioenen, belastingen, enz. zoals elke goedgeaarde Belg; Dat met andere woorden verzoeker zijn volledige leven geregulariseerd heeft en op punt staat. Dat dit alles genegeerd werd door de Commissie voor Regularisatie; Dat deze humanitaire omstandigheden bewezen werden door ondermeer de bijkomende stukken ter zitting door verzoeker neergelegd met inventaris der stukken; Dat dit alles door de Commissie voor Regularisatie van tafel geveegd wordt door één paragraaf, nl. dat men er geen rekening mee houdt. De Commissie voor regularisatie en de beslissing van de Minister motiveren niet waarom enerzijds de duidelijk bewijzen die verzoeker voorlegt (zie supra) en anderzijds de eigen richtlijnen (Algemene vergadering, verklaringen Minister van Binnenlandse zaken zelf, parlementaire werkzaamheden) tegengesproken zouden moeten worden; Als een overheid afwijkt van haar eigen richtlijnen en adviezen, dient zij extra te motiveren waarom zij afwijkt van deze richtlijnen en adviezen; Dit is niet geschied en maakt dan ook een schending uit van de artikelen 2 en 3 van de van de Wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijk motiveringsplicht bij bestuurshandelingen (voornoemd), waardoor de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken dient vernietigd te worden;”; 2.1.
  21. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: XIV-18.270-8/18 “Verzoekers eerste middel: "Schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen". Eiser laat zijn eerste middel kennelijk berusten op een vermeende schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Dienaangaande stelt de verwerende partij bij lezing van de toelichting van het eerste middel vast dat verzoeker daarin overwegend inhoudelijke kritiek levert waarmee hij blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. Als zodanig spreekt verzoeker zich dan ook tegen als hij stelt de motivering van de door hem bedoelde akte manifest gebrekkig te achten, terwijl hij perfect bij machte blijkt om de motieven van die akte weer te geven in zijn middelen en uit te leggen waarom hij deze beschouwt niet afdoende. De verwerende partij is dan ook van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoeker het vereiste belang ontbeert bij de betrokken kritiek (cf. R.v.St. nr. 47.940, 14.06.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). De formele motiveringsplicht vervat in de twee wetsartikelen waarvan verzoeker de schending aanvoert, heeft immers geen ander doel dan het in kennis stellen van de bestuurde van de redenen die ten grondslag liggen aan de te zijnen of te haren opzichte genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen (R.v.St. nr. 60.751, 04.07.1996, T.B.P. 1996, 698), terwijl de voormelde vaststelling impliceert dat deze wettelijke doelstelling is bereikt. In casu is aan deze vereiste terdege voldaan. De door verzoeker kennelijk als gebrekkig gemotiveerde overwegingen die, (tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling) de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan derhalve om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. De overwegingen laten verzoeker immers toe om te achterhalen om welke redenen zijn aanvraag tot regularisatie door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken werd afgewezen, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. Er is in casu wel degelijk afdoende geantwoord op de door verzoeker in het kader van zijn aanvraag tot regularisatie voorgelegde elementen door in de bestreden beslissing deze uitvoerig te behandelen, getuige het omstandig advies. Verzoekers kritiek kan aan het bovenstaande geen afbreuk doen. Dienaangaande kan bovendien worden opgemerkt dat bij lezing van verzoekers inleidend verzoekschrift blijkt dat deze daarin niet alleen inhoudelijke kritiek levert, maar er ook in slaagt de motieven vervat in de beslissing dd. 04.12.2003 van de Minister van Binnenlandse Zaken (en dus van het advies) uitdrukkelijk weer te geven, en daarbij blijk geeft kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing. Het is volgens de verwerende partij dan ook ten overvloede dat kan worden vastgesteld dat verzoeker zichzelf tegenspreekt als hij stelt de motivering van de door hem bedoelde akte gebrekkig te achten, terwijl hij perfect bij machte blijkt om de motieven vervat in de bestreden akte weer te geven in zijn inleidend verzoekschrift en daarin uit te leggen waarom hij de motivering beschouwt als niet afdoende. De verwerende partij is dan ook van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoeker het vereiste belang ontbeert bij de betrokken kritiek (cf R.v.St. nr. 47.940, 14.6.1994, Arr. R. v. St. 1994, z.p.). Bovendien houdt de naleving van de genoemde plicht daarentegen geen verband met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (ef, wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.01.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Arr. R.v.St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.06.1998, F.J.F. 1998, 693). Waar verzoeker klaarblijkelijk het tegenovergestelde aanneemt, is zijn toelichting niet afgestemd op de rechtsregels waarvan hij de schending opwerpt, zodat deze in rechte faalt. Bijkomend merkt de verwerende partij nog op dat de concrete kritiek die in verzoekers uiteenzetting voorkomt bovendien niet aannemelijk is. XIV-18.270-9/18 Er kan aan verwerende partij niet worden verweten, zoals verzoeker dat nochtans wel doet, dat in de bestreden beslissing nergens is vermeld waarom 'Iet advies manifest en wederom de stellingen en richtlijnen van de Algemene vergadering van de kamers tegenspreekt" inzake de beoordeling van de vereiste van het verblijf in België op 01.10.1999 (zie p. 7 van het inleidend verzoekschrift). Nog afgezien van het feit dat de door verzoeker bedoelde afwijking verantwoord is in het licht van bepaalde vaststellingen die m.b.t. verzoekers specifieke situatie zijn gemaakt en die in het advies van de Commissie voor regularisatie, en daardoor ook in de bestreden beslissing, zijn aangegeven (cf. infra, de repliek op het tweede middel), zij er op gewezen dat de richtlijnen van de algemene vergadering van de Commissie voor regularisatie interne documenten zijn van en voor de leden van deze laatste instantie, die de wettelijke formele motiveringsplicht van de verwerende partij geenszins kunnen uitbreiden. Bovendien betreft deze kwestie slechts één wettelijke voorwaarde voor de inwilliging van de verblijfsregularisatieaanvraag waaraan cumulatief met één of meer andere van die voorwaarden moet zijn voldaan, zodat zelfs indien de bestreden beslissing op dit punt onvoldoende gemotiveerd zou zijn, dit daarom nog niet impliceert, wel integendeel (cf supra inzake verzoekers kennis van redenen voor de bestreden beslissing), dat dit ook m.b.t. de beoordeling de bedoelde andere voorwaarden het geval zou zijn. En als de formele motivering voldoet op een punt dat de afwijzing van de verblijfsregularisatieaanvraag rechtvaardigt, dan vertoont het feit of dit ook op een ander punt het geval is, geen belang meer (cf. R.v.St. nr. 50.583, 6.12.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). Verzoeker voert voorts m.b.t. al de bedoelde wettelijke voorwaarden nog andere argumenten aan om te stellen dat het door de verwerende partij onderschreven en overgenomen advies geen uitdrukkelijke motivering uitmaakt als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet dd. 29.07.
  22. Verzoeker doet dit echter met een kritiek die met de verplichting tot uitdrukkelijke motivering vervat in die wetsartikelen geen verband houdt. Verzoeker bekritiseert de bestreden beslissing in werkelijkheid als strijdig met meerdere bepalingen van de wet dd. 22.12.1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Verzoeker tracht bovendien door middel van zijn verzoekschrift zijn aanvraag opnieuw voor te leggen aan de Raad van State, waarbij de verwerende partij opmerkt dat, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover het bestuur te dezen beschikt, de Raad van State het niet als zijn bevoegdheid kan beschouwen om verzoekersverblijfsregularisatieaanvraag aan een volledig nieuw feitelijk onderzoek te onderwerpen. Het eerste middel kan niet aangenomen worden..”; 2.1.2.
  23. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing is aangetast door een onjuiste, gebrekkige of ontbrekende motivering overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.1.2.
  24. Overwegende dat aan de door voornoemde wet opgelegde motiveringsplicht is voldaan wanneer de weigering tot regularisatie duidelijk de redenen vermeldt waarop de beslissende overheid haar beslissing steunt en waaruit blijkt dat zij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de bestreden beslissing stelt dat verzoeker, wat betreft de toepassing van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), met geen enkel toetsbaar element zijn aanwezigheid in het Rijk op XIV-18.270-10/18 1 oktober 1999 kon aantonen en dat er dan ook onmogelijk gesteld kon worden dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar in het Rijk voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek enige geloofwaardigheid heeft kunnen geven, zodat in ieder geval de duur van het werkelijk verblijf te kort is om op basis van de duur ervan tot een regularisatie te kunnen komen; dat de bestreden beslissing tevens overweegt dat verzoeker er evenmin is in geslaagd aan te tonen dat hij reeds duurzame sociale bindingen had opgebouwd wanneer hij zijn aanvraag indiende noch dat er voor hem speciale redenen aanwezig konden zijn; dat dit dan ook betekent dat alle stukken waarmee verzoeker nu aantoont dat hij na het indienen van zijn verzoek tot regularisatie hier is willen toetreden tot het officiële arbeidscircuit de beoordeling van de situatie in dit land voorafgaand aan het indienen van zijn aanvraag niet meer kunnen wijzigen; dat deze motivering de verzoekende partij in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de bestreden beslissing is genomen; dat er derhalve is voldaan aan de formele motiveringsplicht; dat de motiveringsplicht niet vereist dat van alle stukken melding wordt gemaakt, noch van de redenen waarom ze niet in aanmerking komen; dat de bestreden beslissing ook niet moet motiveren waarom van de richtlijn van de algemene vergadering van de Commissie voor regularisatie wordt afgeweken aangezien deze richtlijnen geen bindende kracht hebben; dat, in zoverre verzoeker kritiek uit op de toepassing van artikel 2, 4/ en 9, 9/, het middel samenvalt met het tweede middel; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  25. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “2.2.Tweede middel: Schending van de art. 1, art. 2 en art. 9 Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van Vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk "B.S.", 10 januari 2000 en het artikel 3 van het K.B. van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissies voor regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvende op het grondgebied van het Rijk. "B.S.". 10 januari
  26. 2.2.
  27. Betreffende het voldaan hebben aan de vereisten van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie. Dat artikel 2, 4/ van de Wet op de regularisatie van 22/12/99 in vier subcategorieën kan onderverdeeld worden zijnde : A) Langer dan zes jaar in België verbleven hebben; B) Langer dan vijf jaar in België verbleven hebben en kinderen hebben die op 1/10/99 de schoolgaande leeftijd hebben bereikt; C) Het bewijs geleverd hebben dat zij wettig in België verbleven hebben. D) Een verklaring voorleggen waarin bevestigd wordt dat zij in de loop van de vijf voorafgaande jaren geen bevel hebben gekregen om het grondgebied te verlaten; 2.2.1.
  28. Van toepassing zijnde voorwaarden op verzoeker: Dat verzoeker zich meer bijzonder beroept op twee van deze subcategorieën van artikel 2, 4/ van de Wet betreffende de regularisatie. Dat met name de subcategorieën A en D van toepassing zijn op hem; ! Betreffende de subcategorie A: Dat verzoeker het bewijs heeft geleverd reeds van in 1993 voldoende voortdurend aanwezig te zijn geweest in België; Dat verzoeker dienaangaande verwijst naar wat vermeldt werd onder punt 2.1.2.
  29. van huidig verzoekschrift in nietigverklaring; XIV-18.270-11/18 Dat samenvattend verzoeker herhaalt dat hij weldegelijk heeft aangetoond dat hij sinds 1993 in België verblijft; Dat zulks kan afgeleid worden uit: " Door verzoeker neergelegde stukken dewelke in het geheel niet vermeld werden in de bestreden beslissing " Dat verzoeker kan aantonen dat de duur van zijn verblijf wel bijzonder zwaar getoetst is geworden door de Commissie voor Regularisatie en hij verschillende voorbeelden kan geven van positieve beslissingen van Minister van Binnenlandse zaken waar korter periodes met minder bewijsstukken in aanmerking werden genomen. " Dat er geen betwisting kan bestaan betreffende zijn verblijf op 1/10/99 zoals hiervoor mag blijken (punt 2.1.2.2.) " Dat de bestreden beslissing en het advies waarop deze gesteund is indruisen tegen de richtlijnen en aanbevelingen van de algemene Vergadering, zowel als de parlementaire werkzaamheden; " Dat verzoeker verschillende punten van het advies weerlegt; Dat verzoeker zich dan ook terecht beroept op artikel 2,4/ van de Wet op de regularisatie van 22/12/99, verblijf van meer dan 6 of 5 jaar in België met name meer dan 7 jaar. 2.2.2.
  30. Betreffende de humanitaire omstandigheden en de duurzame sociale banden; Dat verzoeker eveneens verwijst naar wat hij reeds aangaf onder punt 2.1.2.
  31. Dat samenvattend kan herhaald worden dat: ! Dat overeenkomstig de parlementaire werkzaamheden, de algemene vergadering van de Commissie voor regularisatie, de parlementaire werkzaamheden en de opmerkingen en antwoorden van de Minister van Binnenlandse zaken zelf, men moet stellen dat er in hoofde van verzoeker wel degelijk duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen kunnen vermoed worden nu hij bewezen heeft meer dan 7 jaar in België verbleven te hebben; Dat immers de Algemene vergadering van de Commissie voor regularisatie, de parlementaire werkzaamheden en de opmerkingen en antwoorden van de Minister van Binnenlandse zaken zelf stellen over een verblijf van meer dan 6 jaar, dat: “wordt verondersteld dat er sociale bindingen en humanitaire omstandigheden bestaan” en “De Minister bevestigd trouwens dat een feitelijk verblijf van 5 of 6 jaar in het land een sterk doorslaggevend vermoeden schept dat duurzame sociale bindingen” ! Dat verzoeker bovenop het reeds voldoende zijnde en bestaande sterk doorslaggevend vermoeden (dixit Minister van Binnenlandse zaken) nog verschillende bijkomende stukken heeft neergelegd die volgens de voorbeeld lijst van de parlementaire werkzaamheden kunne dienen als bewijs van duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen; ! Dat de humanitaire redenen bestaan uit eigen verwezenlijkingen waaruit de integratie van verzoeker mag blijken: Kennis Nederlandse taal, arbeidsovereenkomsten, in orde stellen met belastingen, sociale zekerheid , enz.”; 2.2.
  32. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Verzoekers tweede middel: "Schending van de artikelen 1, 2 en 9 Wet van 22 december 1999 en het artikel 3 van het KB van 5 januari 2000." In het licht van de vermelding van verzoeker dat er sprake zou zijn van een schending van de artikelen 1, 2 en 9 van de wet dd. 22.12.1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en van art. 3 van het Koninklijk besluit dd. 05.01.2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22.12.1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, merkt de verwerende partij vooreerst op dat, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover het bestuur te dezen beschikt, de Raad van State het niet als zijn bevoegdheid kan beschouwen om verzoekers verblijfsregularisatieaanvraag aan een volledig nieuw feitelijk onderzoek te onderwerpen. XIV-18.270-12/18 Er kan slechts worden geverifieerd of de verwerende partij in het geval van verzoeker geen kennelijk onredelijke invulling heeft gegeven aan de voor de beoordeling van zijn verblijfsregularisatieaanvraag relevante wettelijke begrippen. Deze begrippen vindt men alvast niet terug in art. 1 van de genoemde wet dd. 22.12.1999, waarvan men, gelet op de inhoud ervan, bezwaarlijk inziet hoe het door de verwerende partij zou kunnen zijn geschonden, temeer daar verzoeker dit in zijn besproken middel ook nergens toelicht. Laatstgenoemde vaststelling maakt overigens dat het middel als onontvankelijk kan worden beschouwd in de mate dat het de schending opwerpt van dit aanvangsartikel. Voorts kan worden gesteld dat in het advies van de Nederlandse kamer van de Commissie voor regularisatie en, door verwijzing naar dit advies, in de ministeriële beslissing, de elementen zijn weergegeven die maken dat in casu is geoordeeld dat verzoeker niet voldoet aan de primordiale toepassingsvoorwaarde van de wet, te weten het verblijf in België op 01.10.1999, en evenmin aan de voorschriften van art. 2, 3/ en 4/ van de genoemde wet dd. 22.12.1999 in functie waarvan hij zijn verblijfsregularisatieaanvraag heeft ingediend. Deze elementen vinden steun in de gegevens van de zaak en zijn geenszins kennelijk onredelijk. Zo wordt ondermeer verwezen naar een gebrek aan afdoende en onbetwistbare bewijzen die een continu verblijf gedurende de vereiste periode en de aanwezigheid op het grondgebied op 01.10.1999 aantonen, alsook naar het niet aantonen van duurzame sociale bindingen in hoofde van verzoeker, die essentieel onder de specifieke beoordelingsmacht valt van achtereenvolgens de kamer van de Commissie voor regularisatie en de verwerende partij. Ook de vaststellingen i.v.m. verzoekers gezondheidstoestand, als dat hij duidelijk niet ernstig ziek blijkt te zijn, zijn ten zeerste pertinent. Hetgeen verzoeker dienaangaande vermeldt in zijn besproken middel, kan daaraan allerminst afbreuk doen. Zo houdt verzoeker ten onrechte voor dat zijn verblijf in België op 01.10.1999 kan worden aangenomen omdat de door hem voorgelegde stukken een voortdurend verblijf met aanvang vóór die datum zouden aantonen. Verzoekers ruimere beschouwingen i.v.m. “de eenheid van de behandeling van de aanvragen" bedoeld in art. 3, § 1, in fine van het eerder genoemde Koninklijk besluit dd. 05.01.2000 en m.b.t. de richtlijnen van de algemene vergadering van de Commissie voor regularisatie i.v.m. de invulling van de vereiste van het verblijf in België op 01.10.1999 zijn, gelet op de specificiteit van verzoekers situatie, ter zake niet dienend. De wenselijkheid van het nastreven van een bepaalde eenheid in gelijkaardige zaken kan immers geen afbreuk doen aan de opdracht van de kamers van de Commissie voor regularisatie en van de verwerende partij om het dossier van elke aanvrager op zijn eigen merites te beoordelen in functie van de kenmerken die het vertoont. Het weze bovendien herhaald dat de kwestie van het verblijf in België op 01.10.1999 een wettelijke voorwaarde is die dient te zijn vervuld samen met één of meer andere in de voornoemde wet dd. 22.12.1999 voorziene voorwaarden voor verblijfsregularisatie, zodat verzoekers uiteenzetting i.v.m. die eerstgenoemde voorwaarde op zich hoe dan ook de nietigverklaring van de bestreden beslissing niet kan rechtvaardigen. Ook m.b.t. de kwestie van het bewijs van het teruggaan van verzoekers aanwezigheid in België tot meer dan zes jaar, als voorzien in art. 9, 9/, lid 1 van dezelfde wet dd. 22.12.1999, kan worden gewezen op het belang van de bovenvermelde vaststellingen betreffende de specificiteit van verzoekers situatie. Verzoekers dossier is daarom niet "zwaarder" beoordeeld, er is gewoon rekening gehouden met het feit dat stukken die zijn aanwezigheid in het Rijk op bepaalde tijdstippen of gedurende beperkte periodes zouden kunnen doen vermoeden, op zich niet voldoende kunnen zijn om de bestendigheid of bijna bestendigheid van die aanwezigheid in het Rijk gedurende zes jaar aan te nemen. Andermaal kan hierbij worden opgemerkt dat verzoekers verwijzingen naar "de stellingen en richtlijnen van de Algemene vergadering van de kamers" van de Commissie voor regularisatie en naar wat is geadviseerd en beslist in andere gevallen, waarvan de globale feitelijke omstandigheden door verzoeker niet nader worden omschreven, gezien zijn specifieke situatie niet relevant zijn. Ook verzoekers niet-verifieerbare beweringen aangaande wat hij ter zitting van de Nederlandse kamer van de Commissie voor regularisatie zou hebben verklaard en XIV-18.270-13/18 aangeboden, kunnen de wettelijkheid van de bestreden beslissing niet in het gedrang brengen. Hetgeen verzoeker voor het overige vermeldt, is geenszins van aard om het bestaan van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen te kunnen aanvaarden, laat staan dat het zou toelaten te stellen dat de noodzaak van vervulling van deze wettelijke voorwaarde in de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is ingeschat. Verzoeker toont de door hem voorgehouden schending van de in de hoofding van zijn besproken middel vermelde wettelijke en reglementaire bepalingen dus niet aan. Ook het tweede middel gaat niet op.”; 2.2.
  33. Overwegende dat, om in aanmerking te komen voor regularisatie overeenkomstig artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet, uit de samenlezing van artikel 2, 4/ en 9,9/ van deze wet blijkt dat de vreemdeling die reeds daadwerkelijk op het grondgebied verblijft op 1 oktober 1999, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/ van voornoemde wet, alsook dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat het gaat om cumulatieve voorwaarden zodat de omstandigheid dat aan één van deze voorwaarden niet is voldaan, volstaat om vast te stellen dat de aanvrager niet in aanmerking komt voor regularisatie op basis van dit criterium; dat, wat artikel 9, 9/ van voornoemde wet betreft, in de bestreden beslissing wordt overwogen dat “met geen enkel toetsbaar element zijn aanwezigheid in het Rijk op 1 oktober 1999 kon aantonen” en “dat er dan ook onmogelijk gesteld kon worden dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar in het Rijk voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek enige geloofwaardigheid heeft kunnen geven zodat in ieder geval de duur van het werkelijk verblijf te kort is om op basis van de duur ervan tot een regularisatie te kunnen komen”; dat verzoeker beweert dat hij door verschillende documenten heeft bewezen dat hij van 1993 tot op heden in België heeft verbleven, dat in deze procedure het bewijs betreffende het verblijf van meer dan 6 jaar duidelijk zwaarder beoordeeld werd in vergelijking met andere dossiers en dat het advies manifest de stellingen en richtlijnen van de Algemene vergadering van de kamers tegenspreekt; dat het niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de duur van de aanwezigheid op het grondgebied van het Rijk in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de door de vreemdeling aangebrachte gegevens omtrent de duur van zijn aanwezigheid op het grondgebied van het Rijk, is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen; dat de algemene beweringen van verzoeker, zonder concreet aan te geven uit welke stukken een continue verblijf gedurende 6 jaar op het Belgische grondgebied blijkt, niet toelaten te stellen dat de Minister van Binnenlandse Zaken zijn wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid heeft overschreden; dat de omstandigheid dat de minister zou zijn afgeweken van vorige dossier en van stellingen en richtlijnen van de Algemene vergadering niet betekent dat hij in onderhavig geval een verkeerde toepassing heeft gemaakt van artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet; dat, gelet op hetgeen hiervoor werd XIV-18.270-14/18 aangegeven, dit motief volstond om de aanvraag op basis van artikel 2, 4/ af te wijzen; dat kritiek op de overige motieven, zelfs indien gegrond, niet kan leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
  34. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “2.
  35. Derde middel: Schending van art. 11 van de Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994, "B.S.", 17 februari
  36. alsmede artikel 3 en artikel 14 van het Internationaal verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politiekrechten ("B.S.", 6/7/1983) en artikel 14 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, "B.S.". 19 augustus 1955 en err. "B.S.", 29 juni 1961 in combinatie met art. 3§1 van het K.B. betreffende de samenstelling en de werking van de Commissies voor regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Dat verzoeker meent dat de voorheen geciteerde artikelen van respectievelijk de gecoördineerde Grondwet (art. 11), artikel 3 en 14 van het B.U.P.O. verdrag (voornoemd) en art. 14 van het E.V.R.M. (voornoemd) geschonden zijn; Dat immers de wetgever ook in de regularisatiecampagne heeft willen voorkomen dat er mogelijkheid zou bestaan tot discriminatie op welke grond dan ook; Dat immers het tegen de voorheen vermelde bepalingen zou zijn indien de ene aanvrager anders zou behandeld worden dan de andere aanvragen en dit op basis van het zuivere toeval van toewijzing tot deze of een andere kamer van de Commissie voor regularisatie; Dat het daarom onontbeerlijk is -weliswaar met de discretionaire bevoegdheid van de kamers van de Commissie in gedachte- dat er een minimum aan eenheid van behandeling van de aanvraag dient te geschieden; Dat de voorheen geciteerde bepalingen van respectievelijk de gecoördineerde Grondwet (art. 11), artikel 3 en 14 van het B. U. P. O. verd rag (voornoemd)en art. 14 van het E.V.R.M. (voornoemd) geschonden zijn op verschillende punten: 2.3.
  37. De verschillende behandeling van de aanvragen tussen de verschillende kamers: Dat verzoeker door middel van verschillende adviezen en beslissing van de Commissies en de Minister van Binnenlandse zaken dat er discriminerende verschillen bestaan in rechtspraak tussen de verschillende kamers; Dat verzoeker aan de hand van verschillende adviezen kan aantonen dat er kamers bestaan die niet vereisen dat het langdurige verblijf ononderbroken is; Dat verzoeker aan de hand van verschillende adviezen eveneens kan aantonen dat er kamers bestaan die niet vereisen, dat de aanvragers één der landstalen kennen; Dat dergelijke ongelijke behandeling tot discriminatie leidt; Dat het immers oneerlijk is dat bepaalde personen feiten en elementen niet hoeven te bewijzen en anderen dit wel moeten doen; Dat zulks tot willekeur leidt; Dat er verschil is tussen willekeur en discretionaire bevoegdheid; Dat om dit probleem op te lossen de richtlijnen van de Algemene vergadering, de parlementaire werkzaamheden gecreëerd werden ten einde een evenwicht te vinden tussen enerzijds de discretionaire bevoegdheid van de verschillende kamers en anderzijds de in art. 3 § 1 van het K.B. vermelde "eenheid van behandeling";
  38. Dat in onderhavig geval om een of andere redenen bewust alle punten, afspraken, richtlijnen en adviezen van de Algemene vergadering genegeerd werden;
  39. Dat in onderhavig geval eveneens de parlementaire werkzaamheden van de Wet van 22/12/1999 genegeerd werden;
  40. Dat in onderhavig geval eveneens op sommige punten de antwoorden van Minister van Binnenlandse zaken zelf genegeerd werden; Dat het dan voor verzoeker als zeer duidelijk overkomt dat er in huidige situatie ten opzichte van hemzelf op een discriminerende wijze een beslissing werd genomen; Dat bijgevolg de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken de bepalingen van respectievelijk de gecoördineerde Grondwet (art. 11), artikel 3 en 14 XIV-18.270-15/18 van het B.U.P.O. verdrag (voornoemd)en art. 14 van het E.V.R.M. (voornoemd) geschonden zijn alsmede Art. van het K.B. van 5/1/2000 voornoemd; Dat de bestreden beslissing dan ook dient vernietigd te worden; 2.3.
  41. Dat er tevens een verschil in behandeling bestaat tussen de dossiers naar gelang de kamers, en de eigenheid van het dossier zelf, doch dat er eveneens verschillen in behandeling bestaan in de tijd; Dat immers er duidelijk merkbaar een zeer groot verschil bestaat tussen de behandeling van de dossiers die als eersten voor de Commissie voor regularisatie verschenen en de dossiers die thans voor de Commissie voor regularisatie dienen te verschijnen; Dat dit onderscheid op geen enkel objectief gegeven is gegrond en dus als louter willekeurig overkomt en aldus een discriminerende werking heeft wat eveneens een schending inhoudt van de bepalingen van respectievelijk de gecoördineerde Grondwet (art. 11), artikel 3 en 14 van het B.U.P.O. verdrag (voornoemd)en art. 14 van het E.V.R.M. (voornoemd) alsmede Art. 3 §1 van het K.B. van 5/1/2000 voornoemd; Dat verzoeker dan ook de vernietiging vraagt van de bestreden beslissing; 2.3.
  42. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “Verzoekers derde middel: "Schending van art. 11 van de Gecoördineerde Grondwet alsmede van artikel 3 en artikel 14 van het Internationaal verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten en van artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden in combinatie met art. 3§1 van het KB van 5 januari 2000". Het derde middel van verzoeker berust op de gezamenlijke schending van de daarin vermelde Grondwets- en internationale verdragsbepalingen en van art. 3, § 1, van het Koninklijk besluit dd. 05.01.2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22.12.1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. Verzoeker leidt deze schending af uit de willekeurige wijze waarop zijn verblijfsregularisatieaanvraag anders zou zijn behandeld dan de aanvragen van andere vreemdelingen. Als antwoord hierop kan er vooreerst op worden gewezen dat verzoekers besproken middel in rechte faalt in zoverre het wordt gesteund op de door hem ingeroepen Grondwets- en verdragsartikelen, want: - art. 11 van de gecoördineerde Grondwet dd. 17.2.1994 kan op zichzelf niet relevant zijn voor verzoekers situatie, aangezien dit Grondwetsartikel "(h)et genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen" middels 'We wet en het décreef' betreft; - art. 14 van het internationaal verdrag dd. 19.12.1966 inzake burgerrechten en politieke rechten betreft het optreden van jurisdictionele instanties met een eigen beslissingsmacht nopens een ingestelde strafvervolging of het vaststellen van rechten of verplichtingen, en beheerst niet het optreden van een bestuursorgaan van een Staat, al wordt dit orgaan dan gebeurlijk bijgestaan door een quasi- jurisdictionele instantie met adviesbevoegdheid, bij het regelen van de aanwezigheid van vreemdelingen op zijn grondgebied; - art. 3 van dit laatste verdrag, alsook art. 14 van het Europees verdrag dd. 4.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, betreffen de gelijke behandeling bij het genot van de in die verdragen bepaalde rechten en vrijheden, waarvan de aangevoerde schending uiteraard niet relevant kan zijn zonder de nadere vermelding van de betrokken rechten en vrijheden waarvoor de gelijke behandeling in het betrokken geval dient te gelden, welke nadere vermelding te dezen geheel ontbreekt. Inzake de vermeende schending van art. 3, § 1, van het bovengenoemd Koninklijk besluit dd. 05.01.2000 kan tot repliek essentieel worden verwezen naar hetgeen bij de beantwoording van het tweede middel reeds is vermeld en alhier als uitdrukkelijk hernomen dient beschouwd i.v.m. de specificiteit van verzoekers situatie en hoe deze specificiteit de wijze waarop zijn verblijfsregularisatieaanvraag is behandeld, volkomen verantwoordt, alsook hoe zij de verschillen verklaart die desbetreffend eventueel zouden kunnen worden vastgesteld t.a.v. andere dossiers en in het licht van de los van XIV-18.270-16/18 concrete, individuele dossiers tot stand gekomen "afspraken, richtlijnen en adviezen", "parlementaire werkzaamheden" en ministeriële verklaringen. Ook het verder antwoord dat verzoekers herhaalde vermeldingen van verschillen die hij stelt te kunnen aantonen tussen de benadering van zijn dossier en dat van andere aanvragers om verblijfsregularisatie, niet accuraat kunnen zijn, nu zij duidelijk berusten op een al te grote simplificering van de wijze waarop dergelijke dossiers behoren te worden behandeld en blijk geven van een miskenning van de nood aan casuïstische benadering, is in het licht van de inhoud van de repliek op het tweede middel eigenlijk niet nieuw. Er kan wel nog de, op zich voor de afwijzing van het derde middel eigenlijk al afdoende, bedenking worden aan toegevoegd dat de in dit middel bedoelde verschillen in behandeling van verblijfsregularisatieaanvragen die volgens verzoeker zouden bestaan, hoe dan ook niet verifieerbaar zijn, nu door verzoeker helemaal geen concrete gegevens worden aangebracht uit dossiers van andere aanvragers. A fortiori laat verzoekers uit algemeenheden en beweringen bestaande uiteenzetting in de toelichting van zijn besproken middel, geenszins toe om middels een vergelijking van de globale context van onderscheiden dossiers na te gaan of er geen objectieve verantwoording bestaat voor de verschillen die daartussen zouden bestaan. Ten overvloede weze tenslotte nog opgemerkt dat er kan worden aan getwijfeld of verzoeker middels vergelijkingen met andere verblijfsregularisatiedossiers überhaupt iets wezenlijk zou kunnen bereiken. Uiteindelijk dient de regelmatigheid van elke beslissing m.b.t. een verblijfsregularisatieaanvraag op zichzelf te worden bekeken. Uit al wat voorafgaat, volgt dat in casu met die regelmatigheid niets mis is, zodat verzoekers beroep tot nietigverklaring behoort te worden afgewezen.”; 2.3.3.
  43. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 11 van de Grondwet, van de artikelen 3 en 14 van het BUPO-Verdrag, van artikel 14 van het E.V.R.M., in combinatie met artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; dat verzoeker uiteenzet dat er, enerzijds, sprake is van een verschillende behandeling van de aanvragen naargelang de verschillende Kamers van de Commissie voor regularisatie en er, anderzijds, een verschil bestaat naargelang het tijdstip van behandeling door de Kamers; 2.3.3.
  44. Overwegende dat dient vastgesteld dat verzoeker zich in zijn uiteenzetting beperkt tot algemene beschouwingen zonder in concreto aan te tonen op welke punten er in casu sprake is van een verschil in behandeling; dat verzoeker wel stelt dat hij “aan de hand van verschillende adviezen kan aantonen dat er kamers bestaan die niet vereisen dat het langdurig verblijf ononderbroken is” maar nalaat deze adviezen voor te leggen, zodat het onmogelijk is na te gaan of dit inderdaad zo is; dat verzoeker niet in concreto aantoont dat de bestreden beslissing, waarbij het advies wordt gevolgd, de voormelde bepalingen schendt; dat het derde middel niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  45. XIV-18.270-17/18 Het beroep wordt verworpen. Artikel
  46. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-18.270-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.227 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.