id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.230 Rolnummer: A. 153470/XIV-20053 Zaak: Arrest 151230 - - 14/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 04:40 Fiche Arrest nr 151.230 van 14 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.230 van 14 november 2005 in de zaak A. 153.470/XIV-20.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat S. DE BAERE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Vlaamse Kaai 76 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 6 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 2 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 27 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 13 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. DE BAERE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.053-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de artikelen 57/6 en 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), verzoeker aanvoert dat het feit dat hij zijn reisweg niet bewijst, niet kan worden gezien als een element dat relevant is voor het beoordelen van de gegrondheid van zijn verhaal, dat de feiten die hij na de verandering van het regime aanvoert, namelijk dat zijn agressors nog steeds deel hebben aan de macht, niet worden ontkend, hetzij niet worden onderzocht, dat hij wel degelijk verklaarde dat zijn vader tegen de Taliban pleitte, en dat hij niet verklaard heeft dat zijn videotheek onder bepaalde voorwaarden mocht openblijven, doch dat hij bedoelde “dat een zaak tout court slechts onder bepaalde voorwaarden mocht blijven draaien”; 1.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet de beslissingen ten gronde van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen betreft, zodat de schending ervan niet dienstig wordt aangevoerd; dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen duidelijk aangeeft waarom de verklaringen van verzoeker haar niet geloofwaardig voorkomen, met name omdat zijn relaas niet coherent is en in strijd is met de algemeen bekende feiten; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen over de mogelijkheid van de asielzoeker om reisbescheiden voor te leggen en of het aanvoeren van nieuwe feiten na een machtswissel in het land van herkomst, aangepast aan de gewijzigde omstandigheden van dat land, de geloofwaardigheid ervan aantast; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen overigens genoegzaam motiveert waarom dit haars inziens het geval is, met name omdat verzoeker noch op de Dienst Vreemdelingenzaken noch in zijn actualisatiebrief repte over de politieke activiteiten van zijn vader voor de partij Djebeh Melli Pedar Watan en omdat hij evenmin melding maakte van het feit dat zijn vader omwille van zijn politieke activiteiten ondergedoken leefde en dat de moord op zijn broer in verband zou staan met de activiteiten van zijn vader, terwijl het “een essentieel element in (zijn) vluchtrelaas” en “de grond van (zijn) actuele vervolging” betreft; dat op de huidige machtspositie van de beweerde agressors van verzoeker de Vaste XIV-20.053-2/4 Beroepscommissie voor vluchtelingen slechts nader diende in te gaan wanneer het asielrelaas van verzoeker haar voldoende overtuigend overkwam, wat in casu niet het geval is; dat het niet voorleggen van reisbescheiden terwijl de vreemdeling daartoe in de mogelijkheid moet zijn geweest, -zoals in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gesteld- een “negatieve indicatie” voor de geloofwaardigheid van het asielrelaas kan inhouden en als dusdanig mede door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in aanmerking worden genomen; dat zij in casu overigens duidelijk aangeeft waarom dit naar haar oordeel het geval is, met name omdat verzoeker “aldus op vrijwillige wijze iedere controle van zijn reisweg onmogelijk maakt” terwijl hij “de verplichting (heeft) optimale medewerking te verlenen aan de instanties die zijn asielrelaas beoordelen”; dat de verklaring van verzoeker ter zitting “dat hij een videowinkel uitbaatte onder het regime van de Taliban”, “dat hij in dit verband werd mishandeld en geslagen” en “dat er strenge voorwaarden waren; dat slechts religieuze onderwerpen aan bod mochten komen en dat (...) bij niet-naleving van deze voorschriften de winkel in beslag werd genomen, in brand werd gestoken, en de betrokken persoon werd gevangen genomen en uiteindelijk vermoord” opgenomen is in een authentieke akte, te weten de geschreven beslissing van een administratief rechtscollege, en dan ook geacht moet worden met de werkelijkheid overeen te stemmen; dat het de Raad van State als administra- tieve cassatierechter niet toekomt na te gaan of verzoeker met deze laatste verklaringen bedoelde “dat een zaak tout court slechts onder bepaalde voorwaarden mocht blijven draaien”; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XIV-20.053-3/4 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.053-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.