← België

Arrest 151285 - Tucht (openbaar ambt) - 14/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.285 Rolnummer: A. 163941/IX-4965 Zaak: Arrest 151285 - Tucht (openbaar ambt) - 14/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 04:40 Fiche Arrest nr 151.285 van 14 november 2005 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.285 van 14 november 2005 in de zaak A. 163.941/IX-

  1. In zake : Steven DE BRUYCKER, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Steven DE BRUYCKER op 5 juli 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 12 mei 2005 van de directeur-generaal Personeel van de federale politie waarbij hem de hoedanigheid van aspirant-inspecteur wordt ontnomen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 24 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4965-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Op 6 oktober 2003 vangt verzoeker de opleiding van aspirant- inspecteur van politie aan in de Oost-Vlaamse Politieacademie (OPAC). Het gaat om de 86ste promotie. 1.
  5. Op 1 maart 2004 adviseert de directeur van OPAC aan de directeur-generaal Personeel verzoeker een gedeelte van de basisopleiding (met name luik 2) te laten herbeginnen en te laten volgen samen met de 87ste promotie, vermits blijkt dat hij “niet het niveau haalt dat vereist is om met enige kans op succes een volgend luik van de basisopleiding aan te vatten”. Verzoeker behaalde onder meer een totale score van 48,75% voor het professioneel functioneren, terwijl de aspirant op het ogenblik van het afleggen van het tussentijds examen daarvoor ten minste 60% moet behaald hebben. De examenjury is van oordeel dat, mede in acht genomen zijn (onvoldoende) resultaten op studiegebied en de (negatieve) bevindingen naar aanleiding van de observatiestage, verzoeker “zowel op studiegebied als op het vlak van professioneel functioneren een algemeen gebrek heeft aan maturiteit en dat het aangewezen is dat hij een gedeelte van de opleiding zou herbeginnen teneinde deze maturiteit vooralsnog te verwerven”. Op 30 maart 2004 beslist de directeur-generaal Personeel dat verzoeker het luik 2 van de opleiding mag herbeginnen en dat hij zich kan aansluiten bij de 87ste promotie die op 2 februari 2004 van start ging. 1.
  6. Op het einde van zijn opleiding behaalt verzoeker in de eerste zittijd de volgende punten : voor zijn professioneel functioneren 488/800 (61%), voor zijn dagelijks werk/studie 2605,91/4000 (65,15%), voor zijn dagelijks werk/fysieke IX-4965-2/14 en mentale training 256,50/400 (64,13%), voor zijn dagelijks werk/geweldbeheersing 227,67/400 (56,92%) en voor zijn eindexamen globaal 480,50/1000 (48,05%), opgesplitst in 188,50/300 voor het schriftelijk examen, 128/400 voor het mondeling examen( “portfolio”) en 164/300 voor de praktische proef die bestond uit een “functioneel parcours” (71/150) en een “rollenspel” (93/150). Blijkens het proces-verbaal van beraadslaging van de examenjury van 15 maart 2005 is hij op basis van die uitslag naar de tweede zittijd verwezen voor “portfolio”, “functioneel parcours” en “rollenspel” en behaalt hij in de tweede zittijd 200/400 voor “portfolio”, 96,50/150 voor “functioneel parcours” en 103/150 voor “rollenspel”, hetgeen zijn globaal cijfer voor het eindexamen op 588/1000 (58,8%) brengt; verzoeker is dus niet geslaagd voor de opleiding omdat hij, in strijd met artikel 53 van het koninklijk besluit van 20 november 2001, op het einde van zijn opleiding geen 60% behaalde voor het eindexamen. 1.
  7. Na op 15 maart 2005 geval per geval te hebben beraadslaagd over de dossiers van de aspiranten die door de examencommissie na de tweede zittijd beoordeeld werden als “niet geslaagd”, adviseert de examenjury verzoeker definitief af te wijzen. Onder het luik “motivering” wordt gesteld wat volgt: “De aspirant is niet geslaagd voor het vak portfolio. Hij kan op de gestelde vragen te weinig relevante antwoorden geven, waardoor de examencommissie van oordeel is dat hij niet over het gewenste profiel beschikt. Dit beeld wordt bevestigd door de vaststellingen met betrekking tot zijn functioneren tijdens de stage. Zowel tijdens de stage als tijdens het examen gaf hij blijk van te weinig stressbestendigheid en een grote dosis faalangst. De jury stelt vast dat deze aspirant reeds de gelegenheid kreeg om het eerste luik en de observatiestage opnieuw te doorlopen, en dat dit eindresultaat na 18 maanden opleiding aantoont dat de aspirant niet geschikt is voor de functie van inspecteur. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die zouden rechtvaardigen dat aan deze aspirant de gunst moet worden verleend om een gedeelte van de opleiding opnieuw te doen.” 1.
  8. Op 18 maart 2005 dient verzoeker een verweerschrift in tegen het advies om hem definitief af te wijzen. Met een brief van 4 april 2005 geeft de voorzitter van de examenjury zijn repliek op dat verweerschrift. IX-4965-3/14 1.
  9. Na kennis te hebben genomen van het advies van de examenjury, van het verweerschrift van verzoeker en van de repliek van de voorzitter van de examenjury daarop, besluit de directeur-generaal Personeel op 12 mei 2005 zich bij het voorstel van de school aan te sluiten en verzoeker, met toepassing van artikel IV.II.4/ RPPol en van artikel 53 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 de hoedanigheid van aspirant-inspecteur te ontnemen op datum van 18 mei
  10. Die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing, luidt als volgt : “
  11. AINP DE BRUYCKER startte op 06-10-2003 de opleiding voor aspirant- inspecteur aan OPAC. Hij slaagde niet, maar op advies van de examenjury mocht hij de opleiding herbeginnen. Tijdens de eerste zittijd slaagde betrokkene niet op het eindexamen, hij behaalde slechts 48.05%, en ook zijn totaalcijfer was niet voldoende (55,7%). Hij zakte voor het mondeling examen (portfolio, 32%) en het functioneel parcours (47,3%). Verder haalde hij ook een zwak resultaat voor het rollenspel (62%). Op basis van deze gegevens besloot de jury hem deze examens opnieuw te laten afleggen. Tijdens de tweede zittijd slaagde betrokkene wel op het functioneel parcours en op het examen rollenspel. Maar voor het mondeling examen (portfolio) haalde hij 50% daar waar 60% vereist is. Hierdoor lag zijn eindresultaat voor het examen met 58,8% ook onder de vereiste 60%. De examenjury is hierdoor van oordeel dat betrokkene niet over het gewenste profiel beschikt. Dit beeld wordt bevestigd door de vaststellingen met betrekking tot zijn functioneren tijdens de stage. Zowel tijdens de stage als tijdens het examen gaf AINP DE BRUYCKER blijk van te weinig stressbe- stendigheid en een grote dosis faalangst. Omdat betrokkene reeds de gelegen- heid kreeg om zijn opleiding te herbeginnen is de jury van mening dat hij niet geschikt is voor de functie van inspecteur en stelt ze voor om de hoedanigheid van aspirant inspecteur te ontnemen.
  12. AINP DE BRUYCKER ging niet akkoord met de beslissing van de jury en stelde een verweerschrift op. Hierin brengt hij volgende elementen ten berde : - hij is niet akkoord met de samenstelling van de examenjury omdat deskundige Johan MYCKE, pedagogisch coördinator van OPAC, familiebanden heeft met zijn stagementor. Hij is in de onmogelijkheid geweest om de wrakingpro- cedure toe te passen; - hij zou over maar 3 werkdagen hebben beschikt om een verweerschrift op te stellen en vindt dat daardoor zijn rechten op verdediging zijn geschonden; - hij is het niet eens met de manier waarop het examen portfolio verliep. Hij vindt dat er teveel de nadruk werd gelegd op de bespreking van de stage en dat dit niet relevant was in dit examenonderdeel; - hij vraagt om het examen portfolio te mogen herdoen in een andere politieschool;
  13. In haar bijkomend advies naar aanleiding van het verweerschrift repliceert OPAC dat zij bij haar standpunt blijft om de volgende redenen : - betrokkene kon in dit geval het jurylid niet wraken omdat deze situatie niet in de wet voorzien is. Bovendien heeft de aanverwantschap tussen een jurylid en de stagementor geen enkele invloed op de beoordeling van de aspirant; - AINP DE BRUYCKER heeft op 15 maart kennis genomen van de beslissing van de jury en zijn verweerschrift diende uiterlijk op 21 maart te worden IX-4965-4/14 ingediend. Hij heeft dus wel degelijk 5 werkdagen de tijd gehad om een verweerschrift in te dienen. Tijdens deze dagen was hij ook vrijgesteld van dienst, dus er kan onmogelijk sprake zijn van een onredelijke termijn; - betrokkene haalt slechts enkele fragmenten aan van het examen portfolio. Dit examen duurt echter 30 tot 45 minuten zodat er voldoende redenen zijn om aan te nemen dat er wel degelijk sprake is geweest van een volwaardig examen portfolio; - een examen herdoen in een andere school is in principe in strijd met de wettelijke en reglementaire voorschriften. Bovendien is het examen portfolio een examen waar de aspirant beoordeeld wordt over zijn evolutie en de rijping van zijn gehele persoonlijkheid in het hele opleidingsproces. Daarom zijn ook een lesgever en een klasbegeleider aanwezig omdat zij de aspirant kennen. Indien het examen portfolio in een andere school wordt afgelegd, is het een ‘vreemde’ examencommissie die over de student dient te oordelen en zij beschikken niet over alle gegevens.
  14. Rekening houdende met het advies van de jury, het verweerschrift van betrokkene en het bijkomend advies naar aanleiding van het verweerschrift en overwegende dat : - AINP DE BRUYCKER mijns inziens voldoende kansen kreeg om zijn kunnen te bewijzen; - hij er in geen enkel zittijd erin (slaagde) het wettelijk vereiste minimum van 60% op het eindexamen te behalen; - ik van mening ben dat er voldoende middelen ter zijner beschikking stonden om hem toe te laten zijn opleiding met vrucht te beëindigen; - het overdoen van een examen in een andere school een gunstmaatregel is die enkel in uitzonderlijke gevallen wordt toegestaan en ik in dit geval geen redenen zie om deze gunst toe te staan; sluit ik mij aan bij het voorstel van de school en wordt AINP DE BRUYCKER, met toepassing van artikel IV.II.44.4/ van het KB (van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten) en van artikel 53 van KB (van 20 november 2001 betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het operationeel kader), de hoedanigheid van aspirant inspecteur op datum van 18 mei 2005 ontnomen.”
  15. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  16. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de formele en van de materiële motiveringsverplichting, van het redelijkheidsbeginsel en van het RPPol en het algemeen studiereglement, doordat noch het advies van de examenjury noch de bestreden beslissing deugdelijk verantwoorden waarom hij geen herkansing kon krijgen, doordat uit niets blijkt waarom verzoeker niet aan het “gewenste profiel” zou beantwoorden en er uit het geven van weinig relevante antwoorden op het examen IX-4965-5/14 portfolio niet afgeleid mag worden dat hij het vereiste profiel niet bezit en doordat, waar de examenjury verwijst naar de ontstentenis van “bijzondere omstandigheden” die zouden kunnen rechtvaardigen dat verzoeker de gunst van de herkansing zou kunnen krijgen, zij “onmiskenbaar voorwaarden toevoegt” aan de wet; Overwegende dat verzoeker, wat het advies van de examenjury betreft, uiteenzet wat volgt : Wanneer de examenjury conform artikel 7 van het algemeen studiereglement een gemotiveerd advies dient te verstrekken omtrent de mogelijkheden van herkansing of definitieve afwijzing, moet uit dat advies blijken waarom een definitieve afwijzing noodzakelijk is en er geen opportuniteit tot herkansing kan worden geboden; een dergelijk gemotiveerd advies ligt hier niet voor, aangezien de examenjury simpelweg stelt dat er geen “bijzondere omstandigheden” zijn die zouden “rechtvaardigen” dat aan verzoeker de “gunst” moet worden verleend om een gedeelte van de opleiding opnieuw te doen; met dergelijke motivering voert de examenjury trouwens een voorwaarde in -het bestaan van “bijzondere omstandigheden” die niet door de wetgever is voorzien, of in ieder geval is dergelijke motivering niet pertinent; zou men aannemen dat de motivering van het niet-slagen de beslissing over het definitief afwijzen motiveert, dan nog voldoet die motivering niet vermits het criterium “te weinig relevante antwoorden” volstrekt nietszeggend is en er geen enkel verband bestaat met de beweerdelijke vaststellingen van te weinig stressbestendigheid en faalangst; uit niets blijkt in hoeverre een gegeven antwoord niet “relvant” genoeg is en in welke mate er een verband is met het “gewenst profiel”; ook de verwijzing naar te weinig stressbestendigheid en een grote dosis faalangst vindt geen steun in het dossier; bovendien kan niet worden vastgesteld of die gebrekkige motivatie daadwerkelijk aan de examenjury kan worden toegerekend, vermits het proces-verbaal van de examenjury verwijst naar het oordeel van de examencommissie; nochtans moet een motivering van een besluit van de examenjury zijn grond vinden in overwegingen gemaakt door de examenjury en niet door de examencommissie; Overwegende dat verzoeker, wat het bestreden besluit betreft, uiteenzet wat volgt : De overweging dat voor het eindexamen minstens 60% moet behaald worden is geen afdoende motivering, vermits geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling stelt dat dergelijk examenresultaat de stopzetting van de opleiding moet inhouden, maar het bestuur de keuze heeft tussen een afwijzing of een beslissing tot het overdoen van de opleiding; dat verzoeker voldoende kansen zou gekregen hebben om zijn kunnen te bewijzen staat los van de concrete mogelijkheid IX-4965-6/14 om actueel al dan niet de mogelijkheid tot herkansen geboden te krijgen, vermits verzoeker faalt in het onderdeel portfolio hetgeen zijn algemeen gemiddelde onder de vereiste 60% brengt, en het “kunnen” in het kader van de portfolio los staat van het “kunnen” van de opleidingsonderdelen die verzoeker reeds had hernomen; dat verzoeker er in geen enkele zittijd in slaagde het wettelijk vereiste minimum van 60% te behalen op het eindexamen is evenmin draagkrachtig, nu de vraag van het herkansen dan wel het definitief afgewezen worden zich pas aandient eens men niet geslaagd is voor het examen; om dezelfde reden is het argument dat er voldoende middelen ter beschikking van verzoeker zouden gestaan hebben om hem toe te laten zijn opleiding met vrucht te beëindigen evenmin draagkrachtig; het bijkomend advies dat ter gelegenheid van zijn verweerschrift werd gegeven, is verzoeker volledig onbekend en kan hem dan ook niet worden tegengeworpen als zijnde een voldoende basis voor de genomen beslissing; 3.
  17. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen betoogt dat verzoeker, toen bij het tussentijds examen werd vastgesteld dat hij niet voldeed aan de voorwaarden om te slagen in de loop van de basisopleiding, reeds de kans gekregen heeft om een gedeelte van de basisopleiding over te doen, dat in de bestreden beslissing afdoende wordt gemotiveerd waarom verzoeker niet nogmaals de kans moest krijgen om het geheel of een deel van de basisopleiding over te doen, dat hij de facto meer dan 19 maanden aspirant-inspecteur geweest is terwijl normaal gezien de opleiding 12 maanden duurt, dat hij tijdens geen enkele zittijd van de examens de wettelijk vereiste 60% behaalde; dat zij van oordeel is dat zij voldoende kansen aan verzoeker heeft geboden; 3.3.
  18. Overwegende dat blijkens de ter zake toepasselijke regelgeving een beslissing over het hervatten van de opleiding volgende stappen bevat: vooreerst beoordeelt de examencommissie het eindexamen van de betrokkene; vervolgens gaat de examenjury -een anders samengesteld orgaan- over tot de beoordeling van “de geschiktheid” van de betrokkene en verklaart zij hem, rekening houdend met de behaalde punten, al dan niet geslaagd voor de basisopleiding; ingeval van niet slagen verleent de examenjury een advies over het definitief afwijzen van de kandidaat dan wel het overdoen -geheel of gedeeltelijk- van de basisopleiding; dat advies moet naar luid van artikel 7, tweede lid, van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 houdende de algemeen studiereglement betreffende de basisopleiding van personeelsleden van het operationeel kader twee componenten bevatten, enerzijds een redengeving voor het mislukken van de kandidaat, anderzijds een redengeving IX-4965-7/14 voor het weigeren van de mogelijkheid om de opleiding over te doen en beide componenten van het advies moeten deugdelijk gemotiveerd zijn; 3.3.
  19. Overwegende in dit geval, dat uit het proces-verbaal van 15 maart 2005 van de examenjury blijkt dat, wat betreft de mislukking van verzoeker, de jury verwijst naar de beslissing van de examencommissie die inzonderheid vastgesteld heeft dat verzoeker op de gestelde vragen voor de “portfolio” (het mondeling deel van het eindexamen) te weinig relevante antwoorden kon geven en dat het beeld van te weinig stressbestendigheid en een grote dosis faalangst dat uit het examen bleek, bevestigd werd door de vaststellingen met betrekking tot zijn functioneren tijdens de stage; dat de examenjury vervolgens vaststelt dat verzoeker reeds de gelegenheid gekregen heeft om een deel van de basisopleiding -het tweede luik en de observatiestage- over te doen en dat het eindresultaat, zoals dat door de examen- commissie vastgesteld is, “aantoont dat de aspirant niet geschikt is voor de functie van inspecteur”, terwijl geen bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat verzoeker de kans moet krijgen om een deel van de opleiding over te doen; dat de directeur-generaal Personeel in het bestreden besluit verwijst naar het advies van de examenjury, naar het verweer van verzoeker en naar het bijkomend advies van OPAC en dat hij dan besluit dat verzoeker “voldoende kansen kreeg om zijn kunnen te bewijzen” en dat hij er in geen enkele zittijd in slaagde “het wettelijk vereiste minimum van 60% op het eindexamen te behalen” hoewel “er voldoende middelen ter zijner beschikking stonden om zijn opleiding met vrucht te beëindigen”; Overwegende aldus dat het advies van de examenjury een eigen redengeving bevat voor het mislukken van verzoeker aan de ene kant en voor een weigering om hem de opleiding te laten overdoen aan de andere kant; dat de jury zich, wat haar eerste besluit betreft, baseert op de beslissing van de examencommissie dat de onvoldoende op het eindexamen verklaard wordt door wat ook reeds tijdens de stage was gebleken -te weten het gebrek aan stressbestendigheid en de faalangst- en dat zo iemand niet voldoet aan het gewenste profiel en dat zij, wat haar tweede besluit betreft, vaststelt dat verzoeker reeds een luik van de opleiding en de observatiestage overgedaan heeft en daaruit afleidt dat het resultaat, dat na 18 maanden opleiding verkregen wordt, “aantoont dat de aspirant niet geschikt is voor de functie van inspecteur”, met de toevoeging geen bijzondere redenen te zien om verzoeker toe te laten een deel van de opleiding over te doen; dat het bestreden besluit geheel in dezelfde lijn ligt; IX-4965-8/14 3.3.
  20. Overwegende dat verzoeker zich alleen verzet tegen de beslissing waarbij het hem onmogelijk wordt gemaakt de opleiding over te doen; dat die beslissing juridisch onderscheiden is van de beslissing om hem niet geslaagd te verklaren; dat, nu de examenjury een eigen motivering opgegeven heeft voor het mislukken van verzoeker aan de ene kant en zijn weigering om de opleiding te herbeginnen aan de andere kant, de kritiek die verzoeker uitbrengt op de redenen van zijn mislukken niet deugdelijk kan worden aangevoerd om de motieven van de weigering om de opleiding over te doen -met name dat hij de opleiding reeds heeft kunnen overdoen en dat zijn resultaat nog ondermaats blijft- onderuit te halen; Overwegende dat de examenjury wel degelijk motiveert waarom verzoeker definitief afgewezen moet worden, met name dat hij reeds heeft mogen herkansen maar dat zijn resultaat toch nog onvoldoende is; dat dergelijk motief zeker niet kennelijk onredelijk is, dat het past binnen de ruime discretionaire bevoegdheid die het RPPol en het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 aan de directeur- generaal van het personeel laat en dat het de weigeringsbeslissing deugdelijk onderbouwt; dat, nu verzoeker zelf nooit gewag gemaakt heeft van enige uitzonderlijke omstandigheid die een specifieke beoordeling zou rechtvaardigden, de verwijzing naar de afwezigheid van “bijzondere omstandigheden” duidelijk een bijkomend motief vormt; 3.3.
  21. Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 4.
  22. Overwegende dat verzoeker in het tweede middel, ontleend aan de schending van het beginsel van de onpartijdigheid, aanvoert dat hij uit het proces- verbaal van de beraadslaging van de examenjury heeft opgemaakt dat Johan MYCKE, pedagogisch coördinator van OPAC, deel uitmaakte van de examenjury die hem een herkansing geweigerd heeft, maar dat dit jurylid een dochter heeft die samenwoont met Hein VERBRUGGHE, zijn stagementor die over hem een stageverslag heeft opgemaakt dat getuigt van een persoonlijke polemiek en dat afsteekt tegen de veel genuanceerdere verslagen van zijn andere stages; dat hij het middel als volgt adstrueert: er is overduidelijk in deze zaak sprake van een polemiek tussen hemzelf en zijn stagementor; er kan verondersteld worden dat Hein VERBRUGGHE en Johan MYCKE, wegens hun familiebanden van feitelijk schoonvader en schoonzoon, over verzoeker gesproken zullen hebben; dat betekent dat Johan MYCKE niet de nodige objectiviteit aan de dag kon leggen om als lid van de examenjury -meer bepaald met het gewicht van deskundige- over het slagen van IX-4965-9/14 verzoeker te beraadslagen, zeker nu de jury de stageproblematiek in haar besluitvorming betrokken heeft; minstens bestaat er in hoofde van Johan MYCKE een schijn van partijdigheid en is het wereldvreemd te denken dat de gelaakte aanverwantschap geen invloed gehad zou hebben op de beoordeling die de examenjury moest verrichten; 4.
  23. Overwegende dat de verwerende partij daar in haar nota met opmerkingen op antwoordt wat volgt: Het onpartijdigheidsbeginsel is onder bepaalde voorwaarden van toepassing op de organen van het actief bestuur, met name wanneer de leden van een collegiaal orgaan een materieel belang hebben bij de zaak of wanneer blijkt dat zij reeds voor de besluitvorming standpunt hebben ingenomen; in dit geval toont verzoeker niet aan dat de pedagogisch coördinator van OPAC een rechtstreeks materieel belang bij de zaak had of dat hij niet meer in staat was de zaak objectief te beoordelen; voorts kan de wraking van juryleden niet voor het eerst voor de Raad van State aan de orde gesteld worden, nu artikel 3 van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 daarvoor een eigen procedure instelt en verzoeker die procedure niet gevolgd heeft; bovendien heeft de directeur van OPAC op de grief van verzoeker, zoals die in het verweerschrift van 18 maart 2005 was geformuleerd, reeds geantwoord; 4.3.
  24. Overwegende vooreerst, dat verzoeker verwijst naar animositeit tussen hem en Hein VERBRUGGHE en zich op het standpunt plaatst dat het stageverslag van zijn mentor het gevolg is van een persoonlijke polemiek; dat gewis het administratief dossier een aantal beoordelingen bevat die duidelijk geredigeerd zijn vanuit een positieve opstelling, maar dat wegens de warrige samenstelling van het dossier niet steeds kan worden uitgemaakt wie en met welk oogmerk de beoordeling heeft opgesteld en bijgevolg ook niet aan welke verslagen doorslag- gevend belang gehecht moet worden; dat het dossier in ieder geval een verslag bevat van een zekere Erik DE MUNTER, “inspecteur-mentor”, dat voor verzoeker weinig positief is en dat het bijgevolg voor de Raad van State niet zo duidelijk is als verzoeker het laat uitschijnen of het verslag van Hein VERBRUGGHE door subjectieve motieven geïnspireerd zou zijn eerder dan op een objectieve waardering van zijn kunnen; dat het aan verzoeker behoort om te bewijzen dat Hein VERBRUGGHE hem niet objectief behandelde of dat hij hem ongunstig gezind was om andere redenen dan de wijze waarop hij zijn opdrachten vervulde, maar dat die bewijzen in het dossier ontbreken; IX-4965-10/14 4.3.2.
  25. Overwegende vervolgens dat, zo het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 inderdaad voorziet in een procedure om leden van de examenjury te wraken, een belanghebbende evident die procedure slechts kan opstarten wanneer hij de samenstelling van de examenjury kent; dat artikel 4 van het ministerieel besluit bepaalt dat de voorzitter van de examencommissie, die verantwoordelijk is voor de organisatie van het eindexamen, de aspiranten bij de oproeping voor de deelname aan het examen de samenstelling van de examencommissie en van de examenjury mededeelt; dat de verwerende partij het bewijs van die kennisgeving niet overlegt; dat zij dan ook aan verzoeker niet kan verwijten de geëigende wrakingsprocedure niet te hebben gevolgd en dat ervan uit gegaan wordt dat verzoeker niet wist dat Johan MYCKE deel uitmaakte van de examenjury; 4.3.2.
  26. Overwegende dat verzoeker met een uittreksel uit het bevolkings- register aantoont dat de dochter van Johan MYCKE, pedagogisch coördinator bij OPAC, onder hetzelfde dak woont als Hein VERBRUGGHE, die als stagementor van verzoeker opgetreden is; dat, zelfs indien aangenomen mag worden dat, wegens dat feitelijk familiaal verband, de coördinator en de mentor van verzoeker elkaar in feite goed kennen, daaruit niet zonder meer afgeleid mag worden dat die bekendheid zulkdanige banden tussen de betrokkenen totstandgebracht heeft dat een eventuele animositeit tussen verzoeker en Hein VERBRUGGHE een invloed gehad heeft op de beoordeling van zijn waarde door Johan MYCKE en dat Johan MYCKE vervolgens, vanuit die gezindheid, de besluitvorming binnen de jury beïnvloed zou hebben; dat de stelling van verzoeker geheel steunt op vermoedens en veronderstellingen; dat de Raad van State in het dossier geen enkel concreet gegeven aantreft dat erop wijst dat Johan MYCKE zich bij de besluitvorming van de examenjury partijdig tegen verzoeker opgesteld zou hebben; dat de omstandigheid dat de dochter van Johan MYCKE een gezin vormt met de stagementor van verzoeker op zich niet volstaat om Johan MYCKE te verplichten zich, wegens de schijn van partijdigheid, te onthouden van deelneming aan de besluitvorming van de examenjury in elke zaak waarin Hein VERBRUGGHE -dan nog ten behoeve van de examencommissie die het eindexamen diende te beoordelen- een verslag heeft opgesteld; dat het middel niet ernstig is; 5.
  27. Overwegende dat verzoeker in het derde middel, ontleend aan de schending van artikel 58 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen, aanvoert dat het advies IX-4965-11/14 van de examenjury door de voorzitter wordt opgesteld en dat hij daarin desgevallend melding maakt van de verschillende meningen van de juryleden, maar dat in dit geval het advies van de examenjury geen melding maakt van de eensgezindheid waarmee het getroffen is zodat onmogelijk uitgemaakt kan worden of er andere meningen bestonden die dan krachtens artikel 58 in het advies opgenomen hadden moeten worden; dat hij daar aan toevoegt dat het advies, eerder dan de mening van de juryleden te vermelden, verwijst naar een redengeving die van de examencommissie en dus niet van de jury uitgaat; 5.
  28. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet dat artikel 58 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 stelt dat de voorzitter bij de redactie van het advies “in voorkomend geval” de afwijkende opinies vermeldt en dat, wanneer er geen verschillende opinies bestaan, er uiteraard niets vermeld moet worden; 5.3.
  29. Overwegende dat het advies van de examenjury verwijst naar de motieven op grond waarvan de examencommissie de prestatie van verzoeker op het eindexamen beoordeeld heeft; dat, zoals uit de bespreking van het eerste middel blijkt, de examenjury voor haar beslissing om verzoeker niet geslaagd te verklaren de redengeving van de examencommissie kon overnemen; 5.3.
  30. Overwegende dat artikel 58 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 voorschrijft dat de voorzitter van de examenjury het advies redigeert en dat hij in voorkomend geval melding maakt van “de verschillende meningen van de juryleden”; dat die bepaling niet voorschrijft dat het advies een vermelding moet bevatten van de wijze waarop het besluit tot stand gekomen is; dat uit de ontstentenis van vermelding van een afwijkende mening in dat advies, aangenomen kan worden dat alle juryleden zich achter het advies, zoals dat in het proces-verbaal van 15 maart 2005 is neergeschreven, geschaard hebben; dat het middel niet ernstig is; IX-4965-12/14 6.
  31. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel, geput uit de schending van de hoorplicht, aanvoert dat de omstandigheid dat hij een verweer- schrift heeft kunnen indienen geen afbreuk kan doen aan het beginsel van de hoorplicht, dat het mondeling horen een nuance en niveau kent dat het geschreven woord niet kan evenaren en dat het horen ook nuttig ware geweest, aangezien er na zijn verweer, nog een “bijkomend advies” gegeven is; 6.
  32. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet dat zij voldaan heeft aan de vereisten van de hoorplicht en dat een aspirant altijd het recht heeft om zijn schooldossier in te zien; dat zij ook stelt dat de hoorplicht niet noodzakelijk een mondeling verweer inhoudt; 6.
  33. Overwegende dat verzoeker niet betwist dat de verwerende partij hem de gelegenheid gegeven heeft om tegen het advies van de examenjury een verweerschrift in te dienen; dat hij van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt heeft; dat de verwerende partij verzoeker daarmee op afdoende wijze in de gelegenheid gesteld heeft om zijn visie op de gang van zaken ter kennis van de bevoegde overheid te brengen; dat de omstandigheid dat de directeur-generaal Personeel, als gevolg van het verweerschrift van verzoeker, nogmaals de directeur van de school -voorzitter van de examenjury- geconsulteerd heeft, niet betekent dat, in het kader van de hoorplicht -die niet samenvalt met het recht van verdediging in tuchtzaken-, het bestuur verzoeker nadien ook nog opnieuw de gelegenheid moest geven om kritiek uit te brengen op het antwoord; dat het vierde middel niet ernstig is;
  34. Overwegende dat geen van de door verzoeker aangevoerde middelen ernstig is, BESLUIT: Artikel
  35. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  36. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-4965-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien november 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4965-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.285 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.419 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.