id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.286 Rolnummer: A. 164657/IX-4972 Zaak: Arrest 151286 - Tucht (openbaar ambt) - 14/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-24 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-03 04:40 Fiche Arrest nr 151.286 van 14 november 2005 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.286 van 14 november 2005 in de zaak A. 164.657/IX-
- In zake : Ali ÖNDER, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ali ÖNDER op 27 juli 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 30 mei 2005 van de directeur-generaal Personeel van de federale politie waarbij hem de hoedanigheid van aspirant-inspecteur wordt ontnomen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 24 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-4972-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 2 juni 2003 vangt verzoeker de opleiding van aspirant- inspecteur van politie aan met de 85ste promotie aan de Oost-Vlaamse Politieacademie (OPAC). Op het einde van de basisopleiding behaalt verzoeker in de tweede zittijd voor zijn eindexamen globaal 577,5/
- Op 9 juli 2004 beslist de examenjury dat verzoeker de opleidings- stage opnieuw moet doen en daarna een deel van het eindexamen (proces-verbaal, portfolio en rollenspel) opnieuw moet afleggen samen met de aspiranten van de 86ste basisopleiding. 1.
- Op het einde van de 86ste basisopleiding behaalt verzoeker in de eerste zittijd voor zijn eindexamen globaal 561/
- Blijkens het proces-verbaal van beraadslaging van de examenjury van 16 november 2004 is hij naar de tweede zittijd verwezen voor “rollenspel theorie” (28/50), “rollenspel praktijk” (42/100) en “portfolio” (200/400), zijn zijn resultaten bij de tweede zittijd iets beter voor de twee eerstgenoemde vakonderdelen, maar behaalt hij voor de “portfolio” (het mondeling examen) slechts 140/
- Verzoeker is dus -opnieuw- niet geslaagd voor de opleiding omdat hij, in strijd met artikel 53 van het koninklijk besluit van 20 november 2001, op het einde van zijn opleiding geen 60 % behaalde voor het eindexamen. 1.
- Na op 16 november 2004 geval per geval te hebben beraadslaagd over de dossiers van de aspiranten die door de examencommissie na de tweede zittijd beoordeeld werden als “niet geslaagd”, beslist de examenjury wat volgt : IX-4972-2/11 “
- Onder Ali (44-61144-17) Betrokkene is met de opleiding gestart in de 85e promotie AINP (start april 2003). Hij mislukte voor het eindexamen voor de vakken ‘proces-verbaal’ en ‘rollenspel praktijk’. Als gevolg van het voorstel van de jury is beslist dat hij een gedeelte van de opleiding diende te herbeginnen, door aan te sluiten bij de 86e promotie. Tevens diende hij de operationele opleidingsstage te herbeginnen. Bij het eindexamen nu behaalde hij geen 60 % van de punten en had opnieuw tekorten voor de vakken ‘rollenspel theorie’ (28 op 50), rollenspel praktijk (42 op 100) en de portfolio (200 op 400). Bij de tweede zittijd zijn de resultaten iets beter voor de twee eerstgenoemde vakonderdelen, maar presteert hij veel slechter voor de portfolio (140 op 400). Beslissing : De jury stelt voor de aspirant definitief af te wijzen. Motivering : De aspirant is niet geslaagd in het eindexamen, niettegenstaande hij dit reeds voor de tweede keer aflegde. De examencommissie stelt vast dat de betrokkene op het vlak van zijn persoonlijke ontwikkeling weinig of geen evolutie heeft doorgemaakt. Hij blijft oppervlakkig in zijn uiteenzettingen, getuigt van weinig concrete zelfreflectie en blijft kampen met een zwakke mondelinge en schriftelij- ke manier van uitdrukken. Alhoewel betrokkene gemotiveerd overkomt, mist hij volgens de jury de vaardigheden en het potentieel om inspecteur te worden.” 1.
- Op 18 april 2005 beslist de directeur-generaal Personeel verzoeker, met toepassing van artikel IV.II.44.4/ RPPol en van artikel 53 van het koninklijk besluit van 20 november 2001, de hoedanigheid van aspirant-inspecteur op datum van 25 april 2005 te ontnemen. Die beslissing luidt als volgt : “AINP ONDER Ali begon op 02.06.2003 aan de opleiding promotie 85 van aspirant-inspecteur aan OPAC. Betrokkene mislukte in het eindexamen voor de vakken proces-verbaal en rollenspel praktijk. De jury besliste daarom dat hij mocht aansluiten bij de 86ste promotie. Op het eindexamen van deze promotie had betrokkene opnieuw tekorten voor de volgende vakken : rollenspel theorie (28/50), rollenspel praktijk (42/100) en portfolio (200/400). In de 2de zittijd scoorde hij beter voor de 2 eerstgenoemde vakonderdelen maar presteerde veel slechter voor portfolio. De jury stelt dan ook voor betrokken aspirant definitief af te wijzen. Betrokkene werd telefonisch door mijn diensten gecontacteerd in de week van 18 maart. AINP ONDER meldde alsnog een verweerschrift in te dienen, hij kreeg hiervoor de tijd tot 25.03.
- Aangezien betrokkene nagelaten heeft een verweerschrift in te dienen concludeer ik dat hij akkoord gaat met het voorstel van OPAC. Ik beslis dan ook dat AINP ONDER, met toepassing van artikel IV.II.44.4/ van het KB (van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten) en van artikel 53 van KB (van 20 november 2001 betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het operationeel kader), de hoedanigheid van aspirant inspecteur op datum van 25 april 2005 ontnomen wordt.” IX-4972-3/11 1.
- Met een brief van 6 mei 2005 deelt de directeur OPAC aan de directeur-generaal mee dat hij niet tot de betekening van de beslissing van 18 april 2005 is overgegaan, omdat verzoeker voorhoudt dat hij op 17 maart 2005 wel een verweerschrift heeft ingediend waarin hij aanvoert dat hij wel degelijk gemotiveerd is om het beroep van inspecteur bij de politie uit te oefenen, hetgeen blijkt uit zijn operationele stage, dat hij in de vorige promotie onvoldoende scoorde voor het vak proces-verbaal maar dat hij dit heeft rechtgezet tijdens het eindexamen in zijn huidige promotie, dat hij in de 85ste promotie wel geslaagd was voor de portfolio maar daarvoor - in tegenstelling tot een medeleerling, in de 86ste promotie geen vrijstelling kreeg, waardoor hij zich benadeeld voelt, dat hij bij de tweede zittijd van de huidige promotie wel vorderingen heeft gemaakt voor “rollenspel theorie” en “rollenspel praktijk”, en dat hij hoopt te genieten van de gunst om alsnog de kans te krijgen zijn kennen en kunnen te bewijzen door het hernemen van de portfolio en het rollenspel. 1.
- Op 30 mei 2005 beslist de directeur-generaal dat hij bij zijn beslissing van 18 april 2005 blijft. Die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing, luidt als volgt : “AINP ONDER Ali begon op 02.06.2003 aan de opleiding promotie 85 van aspirant-inspecteur aan OPAC. Betrokkene mislukte in het eindexamen voor de vakken proces-verbaal en rollenspel praktijk. De jury besliste daarom dat hij mocht aansluiten bij de 86ste promotie. Op het eindexamen van deze promotie had betrokkene opnieuw tekorten voor de volgende vakken : rollenspel theorie (28/50), rollenspel praktijk (42/100) en portfolio (200/400). In de 2de zittijd scoorde hij beter voor de 2 eerstgenoemde vakonderdelen maar presteerde veel slechter voor portfolio. Op 18.11.2004 stelde de jury dan ook voor hem definitief af te wijzen. Betrokkene werd telefonisch door mijn diensten gecontacteerd en meldde alsnog een verweerschrift in te dienen, hij kreeg hiervoor de tijd tot 25.03.
- Daar mijn diensten op 18.04.2005 nog steeds geen verweerschrift ontvangen hadden besliste ik om ONDER Ali de hoedanigheid van aspirant AINP op 25.04.2005 te ontnemen. Met de brief in ref 5 bracht OPAC mijn diensten op de hoogte van de bewering van betrokkene dat hij op 17.03.2005 wel een verweerschrift zou hebben verstuurd, een kopie hiervan zat in bijlage. Om elke discussie te vermijden en om betrokkene alsnog de kans te geven zich te verweren beschouw ik dit document ontvankelijk. Overwegende echter dat : - betrokkene al eens een promotie gezakt is; - dat een positieve stage (...) geen vrijbrief is tot een geslaagde opleiding; - er meer dan motivatie alleen nodig is om te slagen voor een opleiding van INP; - enige vergelijking met ‘medestudenten’ onmogelijk is daar geen enkel schooldossier hetzelfde is en ieder persoon andere kwaliteiten en zwakheden heeft; IX-4972-4/11 blijf ik bij mijn de beslissing, kenbaar gemaakt op 18.04.2005 waarin AINP ONDER Ali in toepassing van artikel IV.II.44.4/ van het KB (van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten) en van artikel 53 van KB (van 20 november 2001 betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het operationeel kader), de hoedanigheid van aspirant inspecteur op datum van 25 april 2005 werd ontnomen.”
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de formele en van de materiële motiveringsverplichting en van het redelijkheidsbeginsel, doordat noch het advies van de examenjury noch de bestreden beslissing deugdelijk verantwoorden waarom hij geen herkansing kon krijgen en doordat de “aantijgingen gedaan ter verantwoording van het niet-slagen in tegenspraak zijn met de vaststellingen in de praktijk (stagevers- lag)”; Overwegende dat verzoeker, wat het advies van de examenjury betreft, uiteenzet wat volgt : De motivering van het voorstel verzoeker definitief af te wijzen behelst enkel de vermelding dat hij niet geslaagd is voor het eindexamen en meent de reden daarvoor te moeten vinden in een aantal bedenkingen aan het adres van verzoeker en omtrent zijn persoonlijke ontwikkeling, op grond waarvan wordt gesteld dat hij “de vaardigheden en het potentieel” mist om inspecteur te worden; een loutere vaststelling dat verzoeker niet geslaagd is voor het eindexamen en een beperkte zoektocht naar de reden ervan, maakt geen motivatie uit waarom verzoeker geen herkansing kan krijgen; daarenboven moet, overeenkomstig artikel 7 van het algemeen studiereglement, het advies een individuele nota met de motivering van het mislukken én een advies over het eventueel overdoen van het geheel of een deel van de basisopleiding omvatten, maar een dergelijk advies over het eventueel overdoen ligt niet voor; dat verzoeker niet geslaagd is voor het eindexamen en de aantijgingen welke de redenen daarvoor zouden moeten zijn is louter een weergave van het niet- geslaagd zijn; daarenboven blijkt uit geen enkel stuk of gegeven dat de examencom- missie heeft vastgesteld hetgeen de examenjury in zijn motivering stelt; uit de stageverslagen blijkt trouwens het tegendeel, minstens blijkt daaruit dat de uitlatingen IX-4972-5/11 van de examenjury, die in de mond van de examencommissie worden gelegd sterk moeten genuanceerd worden; in zoverre zou worden aangenomen dat de bestreden beslissing, weze het bij monde van de overwegingen van de examenjury, zou beantwoorden aan de formele motiveringsplicht, dient minstens vastgesteld dat er geen deugdelijke verantwoording voorligt waarom verzoeker geen herkansing kon krijgen; Overwegende dat verzoeker, wat het bestreden besluit betreft, uiteenzet wat volgt : De opsomming van feiten en voorgaanden levert geen motivatie op voor de uiteindelijke beslissing; de overweging dat er bij de tweede zittijd beter gescoord werd voor de vakken “rollenspel” maar slechter voor de “portfolio” is geen afdoende motivering voor de beslissing om verzoeker definitief de hoedanigheid van aspirant-inspecteur te ontnemen, vermits geen wettelijke of reglementaire bepaling stelt dat een dergelijk examenresultaat de stopzetting van de opleiding moet inhouden; dat verzoeker al eens gezakt is lijkt volkomen irrelevant, vermits verzoeker thans niet geslaagd wordt bevonden op grond van een aantal aantijgingen waarom- trent geen enkel verband voorligt of aannemelijk gemaakt wordt met de voorgaande (gedeeltelijke) herkansing; ook al kan een positieve stage geen vrijbrief vormen om te slagen, toch gaat het niet op spookbeelden te proclameren die haaks staan op de realiteit zoals deze uit de stageverslagen blijkt; dat een vergelijking met medestuden- ten onmogelijk is, is irrelevant voor de beoordeling omtrent het definitief afwijzen dan wel het hernemen van de opleiding; Overwegende dat verzoeker in het kader van dit middel ook nog opmerkt dat artikel 57 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 bepaalt dat de examenjury een bijkomend advies kan vragen aan het pedagogisch omkaderings- personeel van de betrokken politieschool en dat zulks in dit geval zeker aangewezen ware geweest; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen betoogt wat volgt : Het bestreden besluit zet afdoende uiteen waarom aan verzoeker niet nogmaals de mogelijkheid wordt geboden om de opleiding over te doen; het bestreden besluit verwijst uitdrukkelijk naar het feit dat verzoeker reeds de kans heeft gekregen om een gedeelte van de basisopleiding over te doen, en ook de examenjury was voordien tot de conclusie gekomen dat verzoeker niet geslaagd was in het eindexamen 86ste promotie, niettegenstaande hij dit reeds voor de tweede keer aflegde; de verwijzingen door verzoeker naar de stageverslagen zijn dan ook IX-4972-6/11 niet relevant, aangezien deze verslagen niet slaan op het toekennen van punten voor het eindexamen; verzoeker is de facto meer dan 22 maanden aspirant-inspecteur van politie geweest, terwijl de opleiding normaal gezien 12 maanden duurt; na 22 maanden kon zij op een verantwoorde manier tot het besluit komen dat verzoeker tijdens geen enkele zittijd van de examens de wettelijk vereiste 60% behaalde en dat hij niet voldoet aan het gewenste profiel; 3.3.
- Overwegende dat blijkens de terzake toepasselijke regelgeving een beslissing over het hervatten van de opleiding volgende stappen bevat: vooreerst beoordeelt de examencommissie het eindexamen van de betrokkene; vervolgens gaat de examenjury -een anders samengesteld orgaan- over tot de beoordeling van “de geschiktheid” van de betrokkene en verklaart zij hem, rekening houdend met de behaalde punten, al dan niet geslaagd voor de basisopleiding; ingeval van niet slagen verleent de examenjury een advies over het definitief afwijzen van de kandidaat dan wel het overdoen -geheel of gedeeltelijk- van de basisopleiding; dat advies moet naar luid van artikel 7, tweede lid, van het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 houdende het algemeen studiereglement betreffende de basisopleidingen van de personeelsleden van het operationeel kader, twee componenten bevatten, enerzijds een redengeving voor het mislukken van de kandidaat, anderzijds een redengeving voor het weigeren van de mogelijkheid om de opleiding over te doen en beide componenten van het advies moeten deugdelijk gemotiveerd zijn; 3.3.
- Overwegende in dit geval, dat uit het proces-verbaal van 16 november 2004 van de examenjury blijkt dat, wat betreft de mislukking van verzoeker, de jury verwijst naar de beslissing van de examencommissie die inzonderheid vastgesteld heeft dat, vergeleken met het vorige eindexamen waarin verzoeker mislukte, hij op het vlak van zijn persoonlijke ontwikkeling weinig of geen evolutie heeft doorgemaakt, dat hij oppervlakkig blijft in zijn uiteenzettingen, blijk geeft van weinig concrete zelfreflectie en blijft kampen met een zwakke mondelinge en schriftelijke manier van uitdrukking; dat die motivering duidelijk betrekking heeft op het mislukken van verzoeker; Overwegende dat het niet duidelijk is of de examenjury dat motief ook gebruikt als grondslag voor haar tweede beslissing -het advies om verzoeker niet meer toe te laten de opleiding te herbeginnen-; dat evenwel de examenjury ook overwogen heeft dat verzoeker het eindexamen “reeds voor de tweede keer aflegde”; dat precies dit motief vervolgens in het bestreden besluit overgenomen is; dat immers IX-4972-7/11 het besluit van 30 mei 2005 overweegt dat verzoeker bij zijn tweede deelname aan het eindexamen “veel slechter (presteerde) voor portfolio” en dat hij “al eens een promotie gezakt” is, met daarbij als commentaar dat het niet volstaat gemotiveerd te zijn en dat een positieve stage geen vrijbrief is om te slagen; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker zich alleen verzet tegen de beslissing waarbij het hem onmogelijk wordt gemaakt de opleiding over te doen; dat die beslissing juridisch onderscheiden is van de beslissing om hem niet geslaagd te verklaren; dat, nu de examenjury een eigen motivering opgegeven heeft voor het mislukken van verzoeker aan de ene kant en zijn weigering om de opleiding te herbeginnen aan de andere kant, de kritiek die verzoeker uitbrengt op de redenen van zijn mislukken niet deugdelijk kan worden aangevoerd om de motieven van de weigering om de opleiding over te doen -met name dat hij de opleiding reeds heeft kunnen overdoen en dat zijn resultaat nog ondermaats blijft- onderuit te halen; dat hij om dezelfde reden ook niet relevant kan verwijzen naar de mogelijkheid om een bijkomend advies van het pedagogisch omkaderingspersoneel van de school in te winnen; Overwegende dat het advies van de examenjury en het bestreden besluit wel degelijk een reden bevatten waarom verzoeker definitief afgewezen moet worden, met name dat hij reeds heeft mogen herkansen maar dat zijn resultaat toch nog onvoldoende is; dat dergelijk motief past binnen de ruime discretionaire bevoegdheid die het RPPol en het ministerieel besluit van 24 oktober 2002 aan de directeur-generaal van het personeel laat en dat het de weigeringsbeslissing deugdelijk onderbouwt; dat het bovendien niet kennelijk onredelijk is, zelfs wanneer daarbij vastgesteld zou moeten worden dat de reden van de mislukking nu niet dezelfde is als deze welke zijn vorige mislukking onderbouwde; 3.3.
- Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 4.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel, ontleend aan de schending van artikel 58 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen, aanvoert dat het advies van de examenjury door de voorzitter wordt opgesteld en dat hij daarin desgevallend melding maakt van de verschillende meningen van de juryleden, maar dat in dit geval het advies van de examenjury geen melding maakt van de eensgezindheid waarmee IX-4972-8/11 het getroffen is zodat onmogelijk uitgemaakt kan worden of er andere meningen bestonden die dan krachtens artikel 58 in het advies opgenomen hadden moeten worden; dat hij daar aan toevoegt dat het advies, eerder dan de mening van de juryleden te vermelden, verwijst naar een redengeving die van de examencommissie en dus niet van de jury uitgaat; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet dat artikel 58 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 stelt dat de voorzitter bij de redactie van het advies “in voorkomend geval” de afwijkende opinies vermeldt en dat, wanneer er geen verschillende opinies bestaan, er uiteraard niets vermeld moet worden; 4.3.
- Overwegende dat het advies van de examenjury verwijst naar de motieven op grond waarvan de examencommissie de prestatie van verzoeker op het eindexamen beoordeeld heeft; dat, zoals uit de bespreking van het eerste middel blijkt, de examenjury voor haar beslissing om verzoeker niet geslaagd te verklaren de redengeving van de examencommissie kon overnemen; 4.3.
- Overwegende dat artikel 58 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 voorschrijft dat de voorzitter van de examenjury het advies redigeert en dat hij in voorkomend geval melding maakt van “de verschillende meningen van de juryleden”; dat die bepaling niet voorschrijft dat het advies een vermelding moet bevatten van de wijze waarop het besluit tot stand gekomen is; dat uit de ontstentenis van vermelding van een afwijkende mening in dat advies, aangenomen kan worden dat alle juryleden zich achter het advies, zoals dat in het proces-verbaal van 15 maart 2005 is neergeschreven, geschaard hebben; dat het middel niet ernstig is; 5.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel, geput uit de schending van de hoorplicht, aanvoert dat hem geen ernstige maatregel die steunt op zijn persoonlijk gedrag en die zijn belangen zwaar aantast kon opgelegd worden zonder dat hij nuttig voor zijn belangen heeft kunnen opkomen, dat het mondeling horen een nuance en niveau kent dat het geschreven woord niet kan evenaren en dat de omstandigheid dat hij een verweerschrift heeft kunnen indienen dan ook niet in de plaats is kunnen komen van dat horen, zeker nu de directeur-generaal Personeel er zich een eigen oordeel mee had kunnen vormen in een aangelegenheid waarin de IX-4972-9/11 examenjury opmerkingen had gemaakt over zijn persoon en zijn wijze van uitdrukken en die bemerkingen tegengesproken worden door de stageverslagen; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen uiteenzet dat zij voldaan heeft aan de vereisten van de hoorplicht en dat een aspirant altijd het recht heeft om zijn schooldossier in te zien; dat zij ook stelt dat de hoorplicht niet noodzakelijk een mondeling verweer inhoudt; 5.
- Overwegende dat verzoeker niet betwist dat de verwerende partij hem de gelegenheid gegeven heeft om tegen het advies van de examenjury een verweerschrift in te dienen; dat hij van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt heeft; dat de verwerende partij verzoeker daarmee op afdoende wijze in de gelegenheid gesteld heeft om zijn visie op de gang van zaken ter kennis van de bevoegde overheid te brengen; dat de naleving van de hoorplicht, die niet samenvalt met de rechten van verdediging in tuchtzaken, niet zover reikt dat de betrokkene het recht kan opeisen om persoonlijk door de beslissingnemende overheid te worden gehoord; dat het vierde middel niet ernstig is;
- Overwegende dat geen van de door verzoeker aangevoerde middelen ernstig is, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-4972-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien november 2000 en vijf, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-4972-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.286 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.420 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.