← België

Arrest 151290 - - 14/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.290 Rolnummer: A. 133889/XIV-14116 Zaak: Arrest 151290 - - 14/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-03 04:41 Fiche Arrest nr 151.290 van 14 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.290 van 14 november 2005 in de zaak A. 133.889/XIV-14.

  1. In zake :XXX die woonplaats kiest bij Advocaat S. LAUWERS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Opperstraat 95 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Pakistaanse nationaliteit, op 4 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 januari 2003 tot onontvankelijkverklaring van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 12 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 13 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2005; XIV-14.116-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. LAUWERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Pakistaanse nationaliteit, is op 25 april 2004 België binnengekomen waar hij zich op 26 april 1999 vluchteling heeft verklaard. Deze asielprocedure wordt afgesloten met een beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 19 december 2001 waarbij zijn erkenning als vluchteling wordt geweigerd. Het door verzoeker bij de Raad van State ingestelde beroep wordt bij arrest nummer 134.898 van 14 september 2004 verworpen. 1.
  4. Op 13 februari 2003 wordt aan de burgemeester van Hasselt de opdracht geven aan verzoeker het bevel te geven om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 25 januari 2002 dient verzoeker een aanvraag tot machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  6. Op 28 januari 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot onontvankelijk verklaring van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. Dit is de bestreden beslissing: “Reden(en) : er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. XIV-14.116-2/6 De problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen binnen een redelijke termijn door de beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling genomen door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 20/04/2000 en ter kennis gegeven op 25/04/
  7. Ook de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen wees het beroep van betrokkene op 19/12/2001 af. De aangehaalde problemen kunnen derhalve niet meer aanvaard worden als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen. Het feit dat betrokkene goed geïntegreerd is, Nederlands spreekt en veelvuldig omgang heeft met Belgen, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. Ook het feit: dat betrokkene steeds gewerkt heeft, kan niet beschouwd worden als een uitzonderlijke omstandigheid. Immers, de voorlopige vergunning tot tewerkstelling liep af op 31/12/
  8. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9, alinea 2 van de wet van 15/12/
  9. Niets verhindert betrokkene zich te schikken naar de in voege zijnde wetten met betrekking tot de toegang, het verblijf en de vestiging op het Belgisch grondgebied, te weten: de vereiste vragen bij de diplomatieke overheden bevoegd voor het verblijf.”. 1.
  10. Verzoeker dient opnieuw een aanvraag tot machtiging tot voorlopig verblijf in op 24 februari 2003 bij de burgemeester van Hasselt.
  11. Over de ontvankelijkheid. 2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt: “Verzoekende partij toont niet aan op basis van concrete gegevens een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten administratieve handeling. In iedere hypothese kan een overeenkomstig de wet genomen beslissing geen aanleiding zijn tot een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.”; 2.
  13. Overwegende dat er geen noodzaak bestaat hierover een uitspraak te doen aangezien het beroep, zoals hierna wordt uiteengezet, bij gebrek aan gegronde middelen dient te worden verworpen;
  14. Over de gegrondheid van het beroep. 3.
  15. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “SCHENDING VAN DE WET VAN 1991 OP DE MATERIELE MOTIVATIE IN BESTUURSHANDELINGEN, ARTIKEL 3 VAN HET EVRM, ARTIKEL 8 EVRM. Het is in voorliggend geval overduidelijk dat de afgevaardigde van de Minister zich verschuilt achter een formele mogelijkheid om een aanvraag tot regularisatie van een verblijf in België in te dienen via de Belgische ambassade in Islamabad. Het is misschien zelfs zo dat de wet voorziet dat er eerst naar de Belgische diplomatieke Post in het buitenland dient gegaan te worden overeenkomstig artikel 9.2, en dat de machtiging tot verblijf slechts in uitzonderlijke situaties via artikel 9.3 wet 15.12.1980, dit is dan via de burgemeester, kan worden ingediend. De afgevaardigde van de minister geeft op een volledige pagina uitleg over de integratie wil van verzoeker, het feit dat hij Nederlands spreekt en veelvuldig omgang heeft met Belgen, om tot het (redelijke?) besluit te komen dat al deze omstandigheden op zich XIV-14.116-3/6 geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat artikel 9.3 had kunnen toegepast worden. Verzoeker is het hier niet mee eens, in die zin dat artikel 8 van het EVRM zijn gezinsleven beschermt, zijn vreedzaam leven in zijn eigen omgeving waarin hij ook het centrum van zijn belangen heeft. Het is dus hier al niet zo simpel om te zeggen dat dit alles geen waarde heeft. De bestreden beslissing besteed geen woord aan hoe zo'n regularisatieprocedure er nu eigenlijk in concreto uitziet, als men zich bij de Belgische ambassade in Islamabad aan het locket begeeft? De statistieken van de toegelaten regularisaties voor Pakistan overeenkomstig art. 9.2 van de wet van 15.12.1980 geven op zichzelf het antwoord.... Verwijzen naar artikel 9.2 is verwijzen naar Sint-Huttemis, en is verwijzing naar een wetgeving die enkel pro forma bestaat. Laatstens is de beslissing niet gemotiveerd naar de persoon van verzoeker toe, die zich ondertussen in België bevind, en die zich hier ook mocht bevinden omdat hij het tot en met het statuut van Kandidaat Politiek Vluchteling heeft gehaald. Als de afgevaardigde van de minister stelt dat artikel 9.2 dient toegepast te worden, stelt zich de vraag of verzoeker nog wel terug naar zijn land kan (mocht hij dat al willen, en al was het maar om de procedure op te starten). In casu gaat de beslissing voorbij aan het feit dat dit in casu niet het geval is, en dat verzoeker (waarvan de Pakistaanse identiteit en nationaliteit vaststaan) in de onmogelijkheid is om zich enig document te verschaffen vanwege de Pakistaanse ambassade te Watermael-Bosvoorde dat hem zou toelaten terug te gaan naar Pakistan. De Pakistaanse ambassade geeft geen "laisser-passer" aan Ahmadiyya's. Vergeten we niet dat ahmadiyya's overeenkomstig de Pakistaanse wet niet door Moslims mogen geholpen worden. De teneur is duidelijker: "als Ahmadiyya's het tot België halen, hou ze dan maar." Aan al deze elementen, en die nochtans terug te vinden zijn in de documentatie waarover het ministerie beschikt, http://www.ahmadiyya.net http://www.minbuza.nl/actueel/ambtsberichten/Pakistan http://www.thepersecution.org werd niet de minste aandacht geschonken, zodat de beslissing niet afdoende gemotiveerd is. Men mag van de Minister verwachten dat hij alternatieve mogelijkheden vooropstelt, als de reguliere procedure meer aangepast lijkt dan de uitzonderingsprocedure. Als er echter een alternatief wordt vooropgesteld zoals in dit geval, dan mag men ook van de Minister verwachten dat hij een klein beetje kijkt naar de haalbaarheid in de praktijk. De tegenwerking van de Pakistaanse ambassade is huidig geval een onoverkomelijk obstakel voor verzoeker, zodat de aanvraag tot regularisatie van zijn verblijf overeenkomstig art. 9.3 van de wet van 15.12.1980 wel degelijk ontvankelijk had dienen verklaard te worden.”; 3.
  16. Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden het hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat dus enkel wanneer buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat in zijn aanvraag verzoeker de volgende elementen opgaf: humanitaire redenen: hij verblijft XIV-14.116-4/6 reeds drie jaar in België, is goed geïntegreerd (hij spreekt Nederlands en heeft veelvuldig omgang met Belgen), problemen in het land van herkomst omwille van het feit dat hij ahmadi is; dat in de bestreden beslissing de volgende wordt gesteld: “Reden(en): er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen binnen een redelijke termijn door de beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling genomen door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 20/04/2000 en ter kennis gegeven op 25/04/
  17. Ook de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen wees het beroep van betrokkene op 19/12/2001 af. De aangehaalde problemen kunnen derhalve niet meer aanvaard worden als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen. Het feit dat betrokkene goed geïntegreerd is, Nederlands spreekt en veelvuldig omgang heeft met Belgen, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. Ook het feit: dat betrokkene steeds gewerkt heeft, kan niet beschouwd worden als een uitzonderlijke omstandigheid. Immers, de voorlopige vergunning tot tewerkstelling liep af op 31/12/
  18. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9, alinea 2 van de wet van 15/12/
  19. Niets verhindert betrokkene zich te schikken naar de in voege zijnde wetten met betrekking tot de toegang, het verblijf en de vestiging op het Belgisch grondgebied, te weten: de vereiste vragen bij de diplomatieke overheden bevoegd voor het verblijf.”; dat de motieven waarop de bestreden beslissing gesteund is pertinent zijn en op afdoende wijze de beslissing kunnen schragen; dat de bestreden beslissing afdoende heeft aangegeven waarom geen gunstig gevolg aan de aanvraag kon worden gegeven; dat, wat het door verzoeker aangevoerde argument betreft dat hij niet naar Pakistan kan terugkeren omdat hij in de onmogelijkheid verkeert om zich enig document vanwege de Pakistaanse ambassade te verschaffen dat hem zou toelaten terug te gaan naar Pakistan, dient aangestipt dat verzoeker niet concreet aantoont dat hij getracht heeft deze documenten te bekomen, maar ze niet heeft verkregen; dat de loutere verwijzing naar informatie op het internet geenszins volstaat om de onmogelijkheid tot het verkrijgen van die documenten aan te tonen; dat, wat de aangevoerde schending van artikel 8 van het E.V.R.M. betreft, dient aangestipt dat verzoeker enkel verwijst naar zijn integratiewil en zijn veelvuldige contacten met Belgen; dat hiermee verzoeker niet aantoont dat artikel 8 van het E.V.R.M. is geschonden; dat gewone sociale relaties niet beschermd wprden door artikel 8 van het E.V.R.M.; dat, wat de aangevoerde schending van artikel 3 van het E.V.R.M. betreft, verzoeker niet uiteenzet op welke wijze hij artikel 3 van het E.V.R.M. door de bestreden beslissing geschonden acht; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  20. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de XIV-14.116-5/6 vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  21. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.116-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.290 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.