← België

Arrest 151291 - - 14/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.291 Rolnummer: A. 137793/XIV-15497 Zaak: Arrest 151291 - - 14/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-03 04:41 Fiche Arrest nr 151.291 van 14 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.291 van 14 november 2005 in de zaak A. 137.793/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. LAUWERS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Opperstraat 95 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indische nationaliteit, op 26 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 april 2003 tot onontvankelijkverklaring van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 13 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2005; XIV-15.497-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt, van Advocaat S. LAUWERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Indische nationaliteit, is op 30 april 1999 in het Rijk binnengekomen, waarna hij zich op 5 mei 1999 vluchteling verklaarde. 1.
  4. Op 24 juni 1999 wordt de asielaanvraag van verzoeker ontvankelijk verklaard. 1.
  5. Op 22 juni 2001 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  6. Op 11 juli 2001 dient verzoeker beroep in bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen tegen deze beslissing. 1.
  7. Op 26 september 2001 wordt dit beroep ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. 1.
  8. Op 29 mei 2003 dient verzoeker een annulatieberoep in bij de Raad van State tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. Dit beroep wordt bij arrest nummer 112.241 van 5 november 2002 verworpen. 1.
  9. Op 25 maart 2003 dient de verzoekende partij bij de burgemeester van de stad Hasselt een aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) in. XIV-15.497-2/6 1.
  10. Op 16 april 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot onontvankelijkverklaring van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. Dit is de bestreden beslissing: “in toepassing van art. 9, alinea 3,van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en): er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen binnen een redelijke termijn door de beslissing tot weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling genomen door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 22/06/2001 en ter kennis gegeven op 27/06/
  11. Ook de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen wees het beroep van betrokkene op 26/09/2001 af. De aangehaalde problemen kunnen derhalve niet meer aanvaard worden als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen. Het feit dat betrokkene gewerkt heeft, dat hij lessen Nederlands en Engels gevolgd heeft, dat hij lid is van bibliotheken en van een fitnessclub en dat hij kan bogen op verschillend sociale contacten die zijn werkelijke band met België aantonen, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9, alinea 2 van de wet van 15/12/
  12. Niets verhindert betrokkene zich te schikken naar de in voege zijnde wetten met betrekking tot de toegang, het verblijf en de vestiging op het Belgisch grondgebied, te weten: de vereiste vragen bij de diplomatieke overheden bevoegd voor het verblijf. Bijgevolg dient betrokkene dringend het Belgisch grondgebied te verlaten.”.
  13. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  14. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Enig middel, eerste tak SCHENDING VAN DE WET VAN 1991 OP DE MATERIELE MOTIVATIE IN BESTUURSHANDELINGEN, ARTIKEL 3 VAN HET EVRM, ARTIKEL 8 EVRM, 1e PROTOCOL BIJ HET EVRM (ONRECHTMATIGE ONTEIGENING). Het is in voorliggend geval overduidelijk dat de afgevaardigde van de Minister zich verschuilt achter een formele mogelijkheid om een aanvraag tot regularisatie van een verblijf in België in te dienen via de Belgische ambassade in New Delhi of Calcutta. Het is misschien zelfs zo dat de wet voorziet dat er eerst naar de Belgische diplomatieke Post in het buitenland dient gegaan te worden overeenkomstig artikel 9.2, en dat de machtiging tot verblijf slechts in uitzonderlijke situaties via artikel 9.3 wet 15.12.1980, dit is dan via de burgemeester, kan worden ingediend. De afgevaardigde van de minister geeft op een volledige pagina uitleg over de integratie wil van verzoeker, het feit dat hij Nederlands spreekt en veelvuldig omgang heeft met Belgen, om tot het (redelijke ?) besluit te komen dat al deze omstandigheden op zich geen bijzondere omstandigheden zijn die maken dat artikel 9.3 had kunnen toegepast worden. Verzoeker is het hier niet mee eens, in die zin dat artikel 8 van het EVRM zijn gezinsleven beschermt, zijn vreedzaam leven in zijn eigen omgeving waarin hij ook het centrum van zijn belangen heeft. XIV-15.497-3/6 Het is dus hier al niet zo simpel om te zeggen dat dit alles geen waarde heeft, zonder dat de bestreden beslissing op zichzelf art. 3 van het EVRM zou schenden. De bestreden beslissing besteed geen woord aan hoe zo'n regularisatieprocedure er nu eigenlijk in concreto uitziet, als men zich bij de Belgische ambassade in het buitenland aan het locket begeeft? De statistieken van de toegelaten regularisaties voor India overeenkomstig art. 9.2 van de wet van 15.12.1980 geven op zichzelf het antwoord.... Verwijzen naar artikel 9.2 is verwijzen naar Sint-Huttemis, en is verwijzing naar een wetgeving die enkel pro forma bestaat. Laatstens is de beslissing niet gemotiveerd naar de persoon van verzoeker toe, die zich ondertussen in België bevind, en die zich hier ook mocht bevinden omdat hij het tot en met het statuut van Kandidaat Politiek Vluchteling heeft gehaald. Men mag van de Minister verwachten dat hij alternatieve mogelijkheden vooropstelt, als de reguliere procedure meer aangepast lijkt dan de uitzonderingsprocedure. Als er echter een alternatief wordt vooropgesteld zoals in dit geval, dan mag men ook van de Minister verwachten dat hij een klein beetje kijkt naar de haalbaarheid in de praktijk. In de praktijk is het onmogelijk voor verzoeker om ooit een aanvraag op grond van artikel 9.2 ingewilligd te zien, want dan zal men als reden opgeven dat verzoeker ooit als politiek vluchteling naar België kwam, en dat er geen voortdurende sociale contacten waren. Verzoeker eerst een ganse procedure politiek asiel laten doorlopen, binnen dewelke hij gewerkt heeft, en pensioenrechten opgebouwd komt neer op een regelrechte onteigening van de belangen die verzoeker in België heeft opgebouwd. Het profitariaat dat erin bestaat om kandidaat politiek vluchtelingen van derde wereldlanden eerst gedurende een tijd aan het werk te zetten en belastingen te laten betalen om ze dan later een bevel te geven het grondgebied te verlaten is een westerse democratie onwaardig.”; 2.
  15. Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden het hem evenwel toegestaan wordt die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat dus enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dient in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat in zijn aanvraag verzoeker de volgende elementen opgaf: verzoeker is volledig geïntegreerd in België, verzoeker behaalde het getuigschrift van elementaire kennis Nederlands; dat in de bestreden beslissing het volgende wordt gesteld: “Reden(en) : er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. De problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen binnen een redelijke termijn door de beslissing tot weigering van de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling genomen door het Commissariaat-Generaal voor de XIV-15.497-4/6 Vluchtelingen en de Staatlozen op 22/06/2001 en ter kennis gegeven op 27/06/
  16. Ook de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen wees het beroep van betrokkene op 26/09/2001 af. De aangehaalde problemen kunnen derhalve niet meer aanvaard worden als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen. Het feit dat betrokkene gewerkt heeft, dat hij lessen Nederlands en Engels gevolgd heeft, dat hij lid is van bibliotheken en van een fitnessclub en dat hij kan bogen op, verschillend sociale contacten die zijn werkelijke band met België aantonen, vormt op zich geen buitengewone omstandigheid die het -indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf in België verantwoordt. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art. 9, alinea 2 van de wet van 15/12/
  17. Niets verhindert betrokkene zich te schikken naar de in voege zijnde wetten met betrekking tot de toegang, het verblijf en de vestiging op het Belgisch grondgebied, te weten: de vereiste vragen bij de diplomatieke overheden bevoegd voor het verblijf.”; dat de motieven waarop de bestreden beslissing gesteund is pertinent zijn en op afdoende wijze de beslissing kunnen schragen; dat de bestreden beslissing afdoende heeft aangegeven waarom geen gunstig gevolg aan de aanvraag kon worden gegeven; dat, wat de vermeende schending van artikel 8 van het E.V.R.M. betreft dient opgemerkt dat de bestreden beslissing er niet toe strekt verzoekers gezinsleven te verhinderen of te bemoeilijken; dat de beslissing enkel inhoudt dat verzoeker geen buitengewone omstandigheden doet gelden die hem vrijstellen om zijn aanvraag om machtiging tot verblijf vanuit zijn land van herkomst, in te dienen; dat daarenboven niet blijkt dat verzoeker op dit ogenblik in België een gezin zou hebben; dat een blote bewering of een eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaan om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; dat het feit dat verzoeker hier gedurende zijn precair verblijf gewerkt heeft geen buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 9.3 uitmaakt; dat verzoeker stelt dat hij nooit een aanvraag zal kunnen indienen via de diplomatieke post in zijn land van herkomst; dat hij niet uiteenzet waarom dit hem zou verhinderd worden; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  18. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  19. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-15.497-5/6 Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.497-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.291 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.