id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.340 Rolnummer: A. 151063/VII-32067 Zaak: Arrest 151340 - - 16/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-25 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 04:44 Fiche Arrest nr 151.340 van 16 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.340 van 16 november 2005 in de zaak A. 151.063/VII-32.067 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaten M. DECRAMER en J.-M. VANSTAEN, kantoor houdende te 8940 WERVIK, Nieuwstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 23 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 maart 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 december 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 26 maart 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 30 april 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-32.067-1/6 Gelet op de beschikking van 20 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VANDERPUTTEN, die, loco advocaten M. DECRAMER en J.-M. VANSTAEN, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 26 juni 2003 en verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 2 december 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 24 maart 2004 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U, een Russisch staatsburger van Tsjetsjeense origine, vroeg een eerste maal asiel aan in België op 26 juni
- Deze procedure werd afgesloten door het Commissariaat-generaal (CGVS) op 13 augustus 2003 met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. U verklaart dat u na uw aankomst in België op 26 juni 2003 niet meer terugkeerde naar uw land. U vroeg een tweede maal asiel aan in België op 23 oktober
- U verklaart dat u via uw ouders had vernomen dat de agenten van het parket naar u op zoek waren. U kwam ook in het bezit van 2 dagvaardingen van het parket die op uw naam waren toegekomen. Na uw interview bij het commissariaat- generaal legde u nog bijkomende schriftelijke verklaringen neer waarin u stelt dat op VII-32.067-2/6 13 februari 2004 uw geboortedorp werd omsingeld door de Russische autoriteiten. De huizen van de inwoners werden vernield, zo ook uw ouderlijk huis waardoor uw ouders elders bij familie dienden te gaan wonen. Ook jullie vee werd gedood. U, als Tsjetsjeense, vreest voor uw leven indien u naar uw land zou terugkeren. U legt daaromtrent nog info van het internet neer. B. Motivering Ter staving van uw tweede asielaanvraag legt u de 2 convocaties van het parket neer. U verklaarde bij het CGVS (p. 2) dat u uw tweede asielaanvraag baseert op dezelfde elementen als die aangehaald tijdens uw eerste asielaanvraag en u verklaarde dat de neergelegde convocaties verbonden zijn met de reeds aangehaalde problemen tijdens de procedure van uw eerste asielaanvraag. Gelet op het bedrieglijk karakter van de door u aangehaalde problemen waarmee deze documenten verbonden zijn, zijn deze convocaties niet van die aard om de geloofwaardigheid van uw verklaringen te herstellen. Aangezien naar aanleiding van uw eerste asielaanvraag in uw hoofde door het CGVS een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen daar uw asielaanvraag werd gekwalificeerd als bedrieglijk, kan ook naar aanleiding van uw tweede asielaanvraag onmogelijk een beslissing tot ontvankelijkheid van de asielaanvraag worden weerhouden. Wat betreft de nieuwe elementen die u aanbracht na uw interview voor het commissariaat-generaal van 7 januari 2004 (u stelde dat op 13 februari 2004 uw geboortedorp werd omsingeld door de Russische autoriteiten, de huizen van de inwoners werden gebombardeerd en vernield, zo ook uw ouderlijk huis waardoor uw ouders elders bij familie dienden te gaan wonen, ook jullie vee werd gedood : zie bijkomende schriftelijke verklaringen dd. 29/02/04) dient te worden opgemerkt dat de door u neergelegde internetinformatie geen bewijs vormt van de in uw bijkomende schriftelijke verklaringen beweerde incidenten die zouden hebben plaats gehad. Ook blijkt nergens uit deze informatie dat u persoonlijk wordt geviseerd in Dagestan. In de internetinformatie wordt er louter melding gemaakt dat er tijdens een aanhouding door de politie in uw dorp een schietpartij ontstond. Bijgevolg slaagt u er evenmin in het bedrieglijk karakter van uw asielaanvraag te herstellen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij van oordeel is dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen haar eerste asielaanvraag ten onrechte als bedrieglijk heeft bestempeld en dat de nieuw aangebrachte gegevens de geloofwaardigheid van haar verklaringen herstellen; VII-32.067-3/6 Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen omdat de commissaris-generaal onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de verzoekende partij dit te dezen niet aantoont; dat de nieuwe stukken waarvan sprake overigens niet de reden vermelden waarom de verzoekende partij werd geconvoceerd; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de verzoekende partij de schending inroept van de formele motiveringsplicht, zoals deze voortvloeit uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt VII-32.067-4/6 aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris- generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een derde middel de schending wordt ingeroepen van artikel 1 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met voornoemde verdragsbepaling; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-32.067-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-32.067-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.340 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div