id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.344 Rolnummer: A. 151568/VII-32148 Zaak: Arrest 151344 - - 16/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-25 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 04:44 Fiche Arrest nr 151.344 van 16 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.344 van 16 november 2005 in de zaak A. 151.568/VII-32.148 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat L. VRONINKS, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Stationsstraat 10A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 30 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 maart 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 maart 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 30 maart 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 mei 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-32.148-1/6 Gelet op de beschikking van 20 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. VRONINKS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 18 februari 2004 en verklaarde zich op 19 februari 2004 vluchteling. 1.
- Op 1 maart 2004 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 29 maart 2004 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U beweert de Afghaanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit het dorp Kakarkhel in de provincie Nangarhar. U verklaart dat uw broer voor de Taliban zou gewerkt hebben. Na de verdrijving van de Taliban zou uw broer door wat u noemt "soldaten van Karzai" ontvoerd zijn, en sindsdien zou hij verdwenen zijn. Eén week later zouden gewapende mannen 's nachts naar uw huis gekomen zijn en naar u gevraagd hebben. Omdat u schrik had hetzelfde lot te zullen ondergaan als uw broer, zou u met uw moeder naar een oom gevlucht zijn. Daar zou u gedurende vier maanden ondergedoken geleefd hebben, alvorens Afghanistan te verlaten. Via Pakistan en Iran VII-32.148-2/6 zou u op illegale wijze naar Europa gereisd zijn, en op 19 februari 2004 vroeg u tenslotte asiel aan in België. U verklaart in de huidige omstandigheden niet terug te kunnen naar Afghanistan omdat u vreest te zullen worden gedood door de huidige Afghaanse regering. B. Motivering Er moet in dringend beroep op het Commissariaat-generaal (CGVS) worden vastgesteld dat u helemaal niet aannemelijk kan maken een gegronde vrees voor vervolging te koesteren zoals bedoeld in de Conventie van Genève. Eerst en vooral blijkt dat er aan uw verhaal geen geloof kan gehecht worden, en dat zelfs de geloofwaardigheid van uw identiteit en beweerde Afghaanse nationaliteit tijdens het interview in dringend beroep op de helling kwamen te staan. U beschikt immers niet alleen over geen enkel identiteitsdocument (zie gehoorverslag CGVS, p. 13), ook uw verklaringen tijdens het interview in dringend beroep doen ernstige twijfels rijzen over uw beweerde Afghaanse nationaliteit. Vooreerst dient te worden gesteld dat uw verhaal over de collaboratie van uw broer met de Taliban helemaal niet geloofwaardig blijkt te zijn omwille van de vaagheid van uw verklaringen en uw bijzonder beperkte kennis van de Taliban. Zo blijkt u - die voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) nog beweerde zélf te hebben gewerkt voor de Taliban wanneer uw broer ziek was (zie gehoorverslag DVZ, p. 15) - bijvoorbeeld niet te weten wat de functie van uw broer was in de Taliban, hoeveel hij betaald werd, hoe de Taliban georganiseerd was, wat de functie was van de provinciale bevelhebber of hoe de radiozender van de Taliban heette (zie gehoorverslag CGVS, pp. 8-9). U beweert dat uw broer meeging met de Taliban op de straten om te controleren of mensen wel de islamitische regels volgden (zie gehoorverslag CGVS, p. 8). Dit impliceert dat uw broer voor de beruchte religieuze politie van de Taliban werkte. Tijdens het interview in dringend beroep bleek u echter zelfs niet te weten dat er een dergelijke dienst bestond binnen de Taliban, laat staan dat u zou geweten hebben hoe deze religieuze politie werd genoemd, zodat u tijdens het interview in dringend beroep totaal foutief beweerde dat deze politie de "Islamic Movement" heette (zie gehoorverslag CGVS, p. 8). De religieuze politie opereerde onder de naam ‘Amr Bil Maruf wa Nai Az Munkar. Een kopie van de informatie waarop het Commissariaat- generaal zich beroept is bij het administratief dossier gevoegd. Dit gegeven op zich ondermijnt de gehele geloofwaardigheid van uw verhaal. Vervolgens kan u zelfs bij benadering niet zeggen wie of welke partij concreet de macht zou overgenomen hebben in uw streek na de verdrijving van de Taliban (zie gehoorverslag, p. 9). U beperkte zich tijdens het interview in dringend beroep tot de verklaring dat "de regering van Karzai" de macht in uw dorp had overgenomen (zie gehoorverslag CGVS, p. 9), waardoor het totaal ongeloofwaardig is dat u daar effectief aanwezig zou geweest zijn. Bovendien blijkt dat u geen enkele politieke partij in de Afghaanse regering kan opnoemen, en dat u gevraagd naar de verschillende etnische groepen in Afghanistan slechts een opsomming geeft van verschillende Pashtoenstammen. De enige twee andere etnische groepen die u blijkt te kennen zijn de Oezbeken en Tadjieken (zie gehoorverslag CGVS, pp. 9-10). Een dermate beperkte kennis van de Afghaanse politieke realiteit en bevolking maakt het bijzonder ongeloofwaardig dat u uit Afghanistan afkomstig zou zijn. Het feit dat u nooit naar school zou zijn geweest (zie gehoorverslag CGVS, p. 6) doet geen afbreuk aan deze appreciatie vermits deze elementen deel uitmaken van uw leefwereld. Vervolgens moet worden opgemerkt dat - zelfs indien er nog enig geloof aan uw verklaringen zou kunnen gehecht worden - u niet aannemelijk kan maken een gegronde vrees voor vervolging te koesteren zoals bedoeld in de Conventie van Genève. Vooreerst blijven uw verklaringen bijzonder vaag te zijn: u verklaart dat u gezocht wordt door en een vrees koestert ten opzichte van "soldaten van Karzai", maar u kan op geen enkele manier specifiëren of verduidelijken wat u bedoelt met "soldaten van Karzai". Het enige concrete element dat u aanhaalt is dat op een avond onbekende mensen zouden aangeklopt hebben en naar u zouden gevraagd hebben. Dit is een onvoldoende ernstige aanwijzing voor een gegronde vrees voor vervolging, temeer daar al de andere elementen die u voorlegt gebaseerd zijn op speculaties. U heeft bijvoorbeeld slechts van horen zeggen dat uw broer werd meegenomen door vermoedelijk "soldaten van Karzai" en u heeft slechts afgeleid dat de mensen die naar u kwamen vragen dezelfde mensen waren (zie gehoorverslag CGVS, pp. 10-12). VII-32.148-3/6 Bovendien blijkt u hierna nog vier maanden in een nabijgelegen dorpje te hebben gewoond zonder nog van hen te hebben gehoord. Toen u gevraagd werd waarom u dan niet in dat dorpje kon blijven wonen, verklaarde u dat u niet eeuwig bij uw oom kon en mocht blijven wonen, wat impliceert dat uw uiteindelijke vertrek uit Afghanistan werd ingegeven door motieven die niet ressorteren onder de Conventie van Genève (zie gehoorverslag CGVS, p. 12). Tot slot moet worden vastgesteld dat u geen enkel reis- en/of identiteitsdocument voorlegt, zodat noch uw reisweg, noch uw identiteit kunnen gecontroleerd worden. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat in een middel de schending wordt ingeroepen van artikel 1, (A), 2 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de zorgvuldigheidsplicht; dat de verzoekende partij aanvoert dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij het nemen van zijn beslissing onzorgvuldig en onredelijk is geweest en geen rekening heeft gehouden met haar beperkte opleiding; dat zij verwijst naar de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties; dat zij verder nog de schending inroept van artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.), meer bepaald van het recht van eenieder op een eerlijke behandeling van zijn zaak; Overwegende dat artikel 6, § 1 van het E.V.R.M. stelt dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld; dat deze bepaling enkel betrekking heeft op jurisdictionele procedures en niet op administratieve procedures waarbij uitspraak wordt gedaan over een administratief beroep ingesteld tegen een beslissing over een asielaanvraag; VII-32.148-4/6 Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met enige bepaling van voornoemd verdrag; Overwegende dat, inzake de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet, tegelijk de schending van de formele én de materiële motiveringsplicht aanvoeren niet mogelijk is; dat een gebrek aan deugdelijke formele motivering het de betrokkene onmogelijk maakt uit te maken of de materiële motiveringsplicht geschonden is; dat omgekeerd dan ook, wanneer men in staat is een schending van de materiële motiveringsplicht aan te voeren, dit betekent dat de verzoekende partij van een schending van de formele motiveringsplicht geen schade heeft ondervonden; dat, nu uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de beslissing kent, het middel, voorzover het gesteund is op de schending van de formele motiveringsplicht, niet dienstig kan worden ingeroepen; Overwegende dat de verzoekende partij eveneens opwerpt dat de bestreden beslissing artikel 52 van de Vreemdelingenwet schendt; dat genoemd artikel aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen omdat de commissaris-generaal onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe de commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de overheid, bevoegd om over een asielaanvraag te beslissen, in de eerste plaats moet nagaan of degene die zich vluchteling verklaart werkelijk afkomstig is uit het land dat hij beweert te zijn ontvlucht; dat het niet onredelijk is dat die overheid, wanneer de asielzoeker geen documenten kan overleggen waaruit zijn herkomst blijkt, tracht de kennis van betrokkene over de streek te toetsen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal aan de verzoekende partij, ongeacht haar opleiding, terzake de gegevens heeft gevraagd die in de bestreden beslissing zijn aangehaald; dat de commissaris-generaal uit het aldus aangetoonde gebrek aan kennis in redelijkheid mocht afleiden dat de verzoekende partij niet het bewijs leverde van haar beweerde herkomst; dat deze vaststellingen volstonden om de asielaanvraag van de verzoekende partij als bedrieglijk te verwerpen; dat de genoemde proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen bindend juridisch karakter heeft, maar enkel dient als aanbeveling en dat bovendien mag worden verwacht dat VII-32.148-5/6 de kandidaat-vluchteling zelf de gebeurtenissen aanbrengt die aanleiding gegeven hebben tot zijn vlucht;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-32.148-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.344 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div