id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.349 Rolnummer: A. 144981/VII-31172 Zaak: Arrest 151349 - - 16/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-07-14 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 04:45 Fiche Arrest nr 151.349 van 16 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.349 van 16 november 2005 in de zaak A. 144.981/VII-31.172 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2100 DEURNE-ANTWERPEN, Sint Rochusstraat 59 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 28 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 oktober 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, lid 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 30 oktober 2003, en van het bevel van 26 november 2001om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 20 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 oktober 2005; VII-31.172-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VAN LAER, die, loco advocaat R. JESPERS, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 9 april 2003 diende de verzoekende partij een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, lid 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 22 oktober 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard. Deze beslissing werd aan de verzoekende partij betekend op 30 oktober
- Tegelijkertijd werd de verzoekende partij verzocht "dringend het Belgisch grondgebied te verlaten en gevolg te geven aan het haar hiertoe afgeleverde bevel”. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: "(...) De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden. Dat betrokkenen Nederlands leert is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. Zij wist dat haar verblijf van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van haar asielaanvraag. Zij wist dat zij bij een eventuele negatieve beslissing het land diende te verlaten. VII-31.172-2/6 De problemen in haar land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) op 07/12/2001 en kennis gegeven op 11/12/
- Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België te dienen. Dat betrokkene vreest voor haar leven bij een mogelijke terugkeer kan niet weerhouden worden. Uit de hoger genoemde beslissing van het CGVS blijkt dat betrokkenes asielrelaas bedrieglijk is aangezien zij reeds Angola verlaten had op het moment dat de door haar vertelde feiten zich zouden hebben voorgedaan. Tot voor kort was het moeilijk zo niet onmogelijk om naar Angola terug te keren. In deze werd er haar een verlenging van het bevel om het grondgebied te verlaten toegestaan vanaf 01/02/2202 tot 30/04/
- Maar volgens onze informatie is de situatie in Angola gunstig geëvolueerd en worden er momenteel opnieuw vluchten naar Angola georganiseerd. Er kan dus geen verdere verlenging van het bevel om het grondgebied te verlaten, op basis van onverwijderbaarheid, meer worden toegestaan, noch kan de aanvraag tot regularisatie ontvankelijk worden verklaard. De medische motieven kunnen niet weerhouden worden. Het eerste probleem werd; zoals blijkt uit het voorgelegde attest, succesvol in België behandeld en betrokkene is hersteld van de operatie. Het verhindert haar bijgevolg niet langer te reizen. De andere medische problemen zijn niet van die aard dat zij verantwoorden dat de aanvraag in België wordt ingediend. Uit de medische attesten blijkt immers dat zij momenteel geen behandeling volgt in België, noch dat het haar verhindert te reizen. Betrokkene dient contact op te nemen met de Angolese vertegenwoordiging in België en/of de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) ten einde haar terugkeer voor te bereiden. In deze kan zij gebruik maken van haar verklaring van vrijwillig vertrek, haar Angolese identiteitskaart en paspoort om de terugkeer mogelijk te maken.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 48 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 3 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M); dat de verzoekende partij vooral kritiek uit op de vaststelling van de bestreden beslissing dat zij kan terugreizen naar haar land van herkomst; dat zij eveneens stelt dat de verwerende partij haar beslissing over de door de verzoekende partij ingeroepen medische motieven heeft genomen zonder een geneesheer te raadplegen; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan VII-31.172-3/6 een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de verwerende partij niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de aanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de verwerende partij op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet handelt over politieke vluchtelingen en te dezen niet van toepassing is; dat de bepaling van artikel 3 van het E.V.R.M., volgens dewelke niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen, slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden ingeroepen, namelijk wanneer blijkt dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat er bij terugleiding naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing; dat de uiteenzetting van het middel summier is; dat de verzoekende partij in gebreke blijft bewijzen en concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling zou uitmaken in de zin van artikel 3 van voornoemde verdragsbepaling ; dat de verzoekende partij zich in haar uiteenzetting tot loutere affirmaties beperkt; dat de verzoekende partij evenmin aantoont dat de beslissing van de verwerende partij omtrent de medische gegevens onjuist of kennelijk onredelijk is; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, van artikel 2.2 en 2.4 van de wet van VII-31.172-4/6 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en van de omzendbrief van 15 december 1998; dat eveneens wordt verwezen naar de reeds in het eerste middel ingeroepen schending van de motiveringsplicht; Overwegende dat de omzendbrief waarover sprake werd opgeheven ingevolge de omzendbrief van 6 januari 2000; dat artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat krachtens het derde lid van dat artikel het evenwel in buitengewone omstandigheden aan de vreemdeling wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat dus enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze buitengewone omstandigheden niet mogen worden verward met de argumenten die worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond was om aan de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij moest nagaan of de aanvraag wel regelmatig was ingediend, m.a.w. of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de aanvraag en de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke die buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst of consulaire overheid in het buitenland in te dienen; dat de regularisatiewet te dezen niet van toepassing is; dat de beweerde schending van de motiveringsplicht reeds werd weerlegd bij de bespreking van het eerste middel; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel richt tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat zij stelt dat dit bevel genomen is met schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 7, eerste lid, 2/ van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat de verzoekende partij reeds op 26 november 2001, na afloop van haar asielprocedure, een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten heeft ontvangen; dat het beroep dat daartegen bij de Raad van State was ingesteld werd verworpen bij arrest nr. 121.919 van 27 november 2002; dat voornoemd bevel thans definitief is; dat het huidige bevel slechts en herhaling uitmaakt van het eerder gegeven bevel; dat een gebeurlijke vernietiging van het thans bestreden bevel de verzoekende partij geen nut VII-31.172-5/6 oplevert; dat het beroep tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten bijgevolg niet ontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-31.172-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.349 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div