← België

Arrest 151351 - - 16/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.351 Rolnummer: A. 154656/VII-32590 Zaak: Arrest 151351 - - 16/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-25 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 04:45 Fiche Arrest nr 151.351 van 16 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.351 van 16 november 2005 in de zaak A. 154.656/VII-32.590 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. BOULBOULLE-KACZOROWSKA, kantoor houdende te 4621 FLÉRON, rue Bureau 87 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Georgische nationaliteit, op 11 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 juli 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 19 maart 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 20 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 oktober 2005; VII-32.590-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. SPELEERS, die, loco advocaat J. BOULBOULLE-KACZOROWSKA, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 19 december 2003 en verklaarde zich op 22 december 2003 vluchteling. 1.
  3. Op 19 maart 2004 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 27 juli 2004 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U werd gehoord door het Commissariaat-generaal op 3 mei 2004, in aanwezigheid van Mr. Michel Vermeire, in loco Mr. Jolanta Boulboulle-Kaczorowska. U verklaarde er dat u een Georgisch staatsburger, afkomstig uit Tbilisi bent. U verklaarde verder dat u uw land bent ontvlucht na vervolging door particulieren omwille van uw politieke overtuiging. Sinds oktober 2000 bent u lid van de Arbeiderspartij (Labour Party, LP). Gezien uw partij de parlementsverkiezingen van 2 november 2003 niet steunde, werd u net zoals de andere leden van de Arbeiderspartij lastig gevallen door leden van de Nationale Beweging (National Movement – Democrats, NMD) en van Kmara. Persoonlijk werd u ook met de dood bedreigd, soms verbaal, wanneer u op straat aanhangers van Kmara en de NM-D tegenkwam, soms telefonisch, soms via dreigbrieven. U werd voor het eerst bedreigd een tweetal weken voor de parlementsverkiezingen van 2 november
  5. De bedreigingen werden telkens geuit door dezelfde personen en gebeurden wekelijks. Men verweet u dat u Kmara en de NM-D bekritiseerde. U werd ook in totaal zeven tot acht maal fysiek aangevallen door aanhangers van Kmara en de NM-D, dit sedert de parlementsverkiezingen van VII-32.590-2/6 2 november
  6. Op 8 november 2003 werd hierbij uw arm gebroken. Uw arm werd verzorgd in een ziekenhuis en drie dagen later meldde u het gebeurde aan de politie. U heeft hierop nooit een antwoord ontvangen. Op 10 november 2003 stuurde u met betrekking tot de geleden bedreigingen een klacht naar het parket. Leden van de LP hebben later van het parket vernomen dat ze geen onderzoek zouden starten. Op 19 november 2003 nam u deel aan een manifestatie voor het kantoor van de LP, waarbij de activiteiten van de NM-D en van Kmara werden bekritiseerd. De aanwezigen werden aangevallen door volgelingen van de NM-D en Kmara. De aanvallers waren gewapend met knuppels en pistolen. In het gevecht dat volgde, liepen verschillende mensen breuken en andere verwondingen op. De politie was getuige maar kwam niet tussenbeide. Uit protest tegen deze aanval hield uw partij op 20 november 2003 een protestactie. Ook hierbij ontstond er een woordenwisseling en gevecht tussen partijleden en aanhangers van de NM-D en Kmara. Ook werd er op 21 november 2003 in naam van de partij een klacht gericht tot het parketgeneraal. De partij stuurde ook een klacht naar het Europese Gerechtshof in Straatsburg. Op 24 november 2003 was er opnieuw een manifestatie naast het kantoor van de Arbeiderspartij. De aanwezige partijleden werden opnieuw aangevallen door een groep aanhangers van de NM-D en van Kmara. De nationale televisiemedia waren getuige van dit gebeuren. De politie heeft de vechtende partijen uiteen gedreven. Op 28 november 2003 was u te voet met uw broer Vakho onderweg naar het kantoor van de LP toen een auto moedwillig uw broer aanreed en wegvluchtte. Uw broer was ook lid van de LP. Hij overleed nog voor de ziekenwagen ter plaatse kwam. De politie heeft de plaats van gebeuren onderzocht, heeft u diezelfde dag ook op het politiebureau verhoord. Leden van de LP hebben later in uw naam navraag gedaan bij de politie. Zij vernamen dat de daders nog niet gekend waren en dat het onderzoek verder ging. Leden van uw partij raadden u aan het land een tijdje te verlaten. U ontving nog enkele bedreigingen. Op 7 december 2003 verliet u Georgië. Op 18 december 2003 kwam u aan in België, waar u op 22 december 2003 het statuut van vluchteling heeft aangevraagd. Intussen is de leider van de NM-D, Mikhail Saakashvili, als president van Georgië beëdigd. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat uw verklaringen niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, en waarvan een kopie aan het administratief dossier werd toegevoegd. U verklaarde dat de directe aanleiding voor uw vluchtbeslissing de moord op uw broer was, die omwille van zijn lidmaatschap van de LP was vermoord (gehoorverslag CGVS, p. 9-10). De LP zou deze moord aan de pers als een politieke moord hebben gemeld (gehoorverslag CGVS, p. 26-27). Voorts zouden u, maar ook andere leden van de LP zijn bedreigd en aangevallen naar aanleiding van de verkiezingen (gehoorverslag CGVS, p. 10-11). Verder stelde u dat Vaja Shengelia u persoonlijk aanraadde om uw vervolging in Georgië te ontvluchten en asiel te vragen in het buitenland (gehoorverslag CGVS, p. 28). Wat de autoriteiten betreft, verklaarde u dat die omwille van uw lidmaatschap van de LP minder inspanningen deden om u bescherming te bieden inzake de door u geleden geweldplegingen. Het door u geschetste vervolgingsbeeld wordt tegengesproken door voormelde informatie, waaruit precies blijkt dat leden van de LP niet geviseerd worden door de nieuwe politieke machthebbers in Georgië (in casu hoofdzakelijk de NM-D die een absolute meerderheid heeft in het Georgisch parlement en voorts de Georgische president heeft geleverd). Gezien deze informatie afkomstig is van een vooraanstaand lid van de LP kan evenmin geloof worden gehecht aan uw verklaringen dat de Arbeiderspartij de dood van uw broer publiek als politieke moord zou hebben aangeklaagd, of dat Vaja Shengelia, de voorzitter van de stedelijke afdeling van Tbilisi van de LP, u aangeraden zou hebben uw vervolging te ontvluchten door naar het buitenland te gaan. In het algemeen blijkt uit voormelde informatie dat leden van politieke partijen die sedert de omwenteling van november 2003 tot de oppositie behoren, waaronder dus ook de LP, niet worden vervolgd of gediscrimineerd in Georgië. Deze informatie tast dan ook de geloofwaardigheid van uw asielrelaas fundamenteel aan. De ongeloofwaardigheid van uw verklaringen wordt trouwens bevestigd door een manifeste tegenstrijdigheid die werd gevonden in uw verklaringen in dringend beroep. Zo verklaarde u aanvankelijk in uw gehoor in dringend beroep dat u op 10 november VII-32.590-3/6 2003 uw schriftelijke klacht aan het parket had geschreven, en wel met betrekking tot de door u geleden aanvallen (gehoorverslag CGVS, p. 18). Later in dat zelfde gehoor stelde u dat u in de alvast eerste klacht die u tot het parket had gericht, ook melding had gemaakt van de moord op uw broer, van 28 november 2003, en dat u deze klacht op de tweede dag na de moord op uw broer had verstuurd. U werd met deze discrepantie geconfronteerd. Dit maal ontkende u dat u uw klacht op 10 november 2003 had gedateerd (gehoorverslag CGVS, p. 35-36). Gezien er u voorheen meerdere vragen werden gesteld met betrekking tot de inhoud en tijdsindicatie van deze brief, dient te worden gesteld dat er geen sprake kan zijn geweest van een misverstand toen u deze klacht op 10 november had gedateerd. Bijgevolg dient zwaar te worden getild aan deze tegenstrijdigheid. In het algemeen dient trouwens te worden opgemerkt dat u enorm vaag blijft in uw verklaringen. Met betrekking tot uw klacht aan het parket, die u dus aanvankelijk op 10 november 2003 situeerde, wist u toen ook slechts bij benadering te vertellen hoeveel aanvallen u op dat ogenblik reeds te lijden had gehad. Zulks is weinig aannemelijk gezien deze klacht precies over deze aanvallen ging (gehoorverslag CGVS, p. 19). Tenslotte verklaarde u dat uw broer en u meer dan andere leden van de LP werden geviseerd omdat u beiden meer propaganda gevoerd had voor de LP. Echter slaagde u er, ondanks herhaald aandringen tijdens het gehoor in dringend beroep, niet in om concrete informatie te bieden over de door u gevoerde propaganda (gehoorverslag CGVS, p. 32-34). Tenslotte blijkt dat u niet eens een begin van bewijs aanbrengt om in uw hoofde een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie vast te stellen. U slaagt er bijvoorbeeld niet in een aannemelijke verklaring te geven waarom u uw documenten, waarvan een aantal momenteel toch in uw woning in Georgië liggen, niet heeft meegebracht naar België (gehoorverslag CGVS, p. 2, 5, 29-30). De hierboven verzamelde vaststellingen leiden er dan ook toe te oordelen dat uw asielverklaringen bedrieglijk zijn. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing.
  7. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 1 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953; dat de verzoekende partij kritiek uitbrengt op de inhoudelijke motivering van de bestreden beslissing; VII-32.590-4/6 Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met voornoemde verdragsbepaling; dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen omdat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de verzoekende partij dit te dezen niet aantoont; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal uit een warrig, weinig precies, soms VII-32.590-5/6 incoherent en zelfs tegenstrijdig asielrelaas afgeleid heeft dat de asielaanvraag bedrieglijk was; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-32.590-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.351 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.