← België

Arrest 151353 - - 16/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.353 Rolnummer: A. 155103/VII-34265 Zaak: Arrest 151353 - - 16/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-25 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 04:46 Fiche Arrest nr 151.353 van 16 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.353 van 16 november 2005 in de zaak A. 155.103/VII-34.265 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. COLLIN, kantoor houdende te 6900 MARCHE-EN-FAMENNE Avenue de la Toison d'Or 27 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Macedonische nationaliteit, op 26 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 juli 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 februari 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 29 juli 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 2 september 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-34.265-1/6 Gelet op de beschikking van 20 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die, loco advocaat R. COLLIN, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij kwam België binnen op 3 februari 2004 en verklaarde zich op 4 februari 2004 vluchteling. 1.2. Op 26 februari 2004 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 27 juli 2004 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U werd gehoord op 7 juli 2004 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk die de Albanese taal machtig is en in aanwezigheid van uw advocaat, mr. Nektaria Moskofidis loco mr. Collin. Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees afkomstig uit Hasanbeg (Skopje) en hebt u de Macedonische nationaliteit. Sinds 1997 zou u aan hepatitis C lijden. U zou dit opgelopen hebben na een blindedarmoperatie. Vanaf uw 16 jaar

(2000)zou u problemen gekregen hebben met Slavisch Macedonische medeleerlingen. Zo zou u toen u samen met uw vriend op weg was naar school op de bus door een groep Macedoniërs geslagen zijn en verplicht zijn om uit te stappen. De politie zou VII-34.265-2/6 gekomen zijn om de zaak te kalmeren maar zou jullie ook geslagen hebben. Omdat u zo ernstig geslagen was, zou u gedurende 10 dagen in het ziekenhuis verbleven hebben. In de zomer van 2001, zou u omwille van de oorlog, samen met uw ouders naar Preshevë vertrokken zijn. Aan de grens zou de bus waarin u zat door de grenspolitie tegengehouden zijn. Ze zouden uw vader en uzelf van de bus gehaald hebben samen met andere Albanezen. Uw vader zou na korte tijd opnieuw vrijgelaten zijn. Uzelf zou meegenomen zijn en gedurende anderhalve maand opgesloten zijn. Ze zouden u en de andere Albanezen meegenomen hebben omdat ze jullie verdachten dat jullie voor het UÇK (Albanees Nationaal Bevrijdingsleger) gingen vechten. U zou ergens naar een kelder gebracht zijn waar u ondervraagd en geslagen werd. Na anderhalve maand zou u vrijgelaten zijn en zou u naar de grens met Servië gebracht zijn. Daar zou u samen met 3 à 4 anderen verplicht over de grens gezet zijn. Nadien zouden uw ouders u gevonden hebben en meegenomen hebben naar Preshevë. Na één maand zou u samen met uw ouders naar Macedonië teruggekeerd zijn. Vanaf uw 18 jaar – in november 2002 – zou u opgeroepen zijn om uw militaire dienst te vervullen. U zou echter uw dienst niet hebben willen vervullen omdat u fysisch en psychisch ziek bent door hepatitis C en uit vrees omwille van uw etnische afkomst slecht behandeld te worden in het leger. Omdat u weigerde in te gaan op de convocaties zou u gezocht worden door de politie. De politie zou u na deze eerste convocatie tot aan uw vertrek naar België in februari 2004 nog verschillende malen naar u op zoek gekomen zijn. Op 3 februari 2004 zou u samen met uw moeder A (O.V. 5.572.339) in België aangekomen zijn waar u de volgende dag asiel aanvroeg. Ter staving van uw asielaanvraag legde u verschillende medische documenten uit België en Macedonië neer in verband met uw ziekte. B. Motivering Vooreerst dient vastgesteld te worden dat uw opeenvolgende verklaringen enkele tegenstrijdigheden en omissies bevatten, waardoor de geloofwaardigheid ervan ernstig wordt aangetast. Zo verklaarde u tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u regelmatig door uw schoolgenoten gepest en geslagen werd. U verklaarde in dat verband dat de politie nooit tussenbeide kwam (gehoor DVZ vraag 42). Tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal verklaarde u echter dat de politie, toen u geslagen werd door uw Macedonische medeleerlingen, tussenbeide kwam om de toestand te kalmeren (gehoor CGVS p.4). Bovendien beweerde u dat de politie u hierbij met de matrak heeft geslagen (gehoor CGVS p.5). Verder verklaarde u tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in juli 2003 een oproepingsbevel kreeg om uw legerdienst te vervullen. Omdat u zich niet had aangeboden zou de politie op een dag in augustus 2003 zijn langsgekomen. U beweerde tevens dat u niet meer weet of de politie nadien nog langs is geweest (gehoor DVZ vraag 42). Tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal daarentegen verklaarde u dat u in november 2002 uw eerste oproepingsbevel heeft ontvangen (gehoor CGVS p.11). Omdat u niet ingegaan was op deze oproeping zou de politie eind 2002, begin 2003 de eerste maal bij u langs geweest zijn. De politie zou nadien nog 3 à 4 keer langsgekomen zijn (gehoor CGVS p.12 ). Tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal werd u gewezen op deze eventuele tegenstrijdigheden tussen de door u afgelegde verklaringen. Hierop verklaarde u dat u zich niet meer herinnert wat u op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft gezegd omdat uw geheugenproblemen heeft (gehoor CGVS p.13). Die verantwoording kan echter niet als een afdoende uitleg worden beschouwd gezien deze problemen door geen enkel objectief gegeven ondersteund worden. Wat er ook van zij, er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende feiten of elementen heeft aangehaald waaruit kan worden afgeleid dat u Macedonië heeft verlaten uit een vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst. Wat betreft de door u aangehaalde opsluiting in de zomer van 2001 (gehoor CGVS p. 6-10), dient opgemerkt te worden dat deze gekaderd dient te worden tegen de achtergrond van het toenmalige gewapend conflict in Macedonië. Deze periode werd gekenmerkt door een verregaande arbitraire houding vanwege de Macedonische autoriteiten ten overstaan van de etnisch Albanese gemeenschap. Dit feit is te ver in de tijd gesitueerd om als een directe aanleiding voor uw vertrek uit Macedonië te kunnen VII-34.265-3/6 worden weerhouden. U verklaarde immers zelf dat u na nog één maand verblijf in Servië terugkeerde naar Macedonië omdat de toestand gestabiliseerd was en verbleef nadien nog tot februari 2004 in Macedonië (gehoor CGVS p. 3 en 10). In dit verband dient bovendien opgemerkt te worden dat u uiterst vaag blijft over uw detentieperiode. Zo heeft u geen idee van de maand van uw gevangenneming (gehoor CGVS p.6). Verder kent u noch de plaats waar u opgepakt werd noch de plaats waar u vastgehouden werd (gehoor CGVS p.6 -7). Tenslotte kon u geen enkele naam van ook maar één van uw medegevangen noemen noch kon u ook maar bij benadering het aantal medegevangen noemen (gehoor CGVS p.7 en 8). Dit hoewel u gedurende anderhalve maand opgesloten was en de cel heeft gedeeld met andere gevangenen (gehoor CGVS p.6 en 7). Hierdoor komt ook de geloofwaardigheid van dit aspect van uw relaas ernstig in het gedrang. Wat betreft uw dienstweigering, dient vooreerst te worden opgemerkt dat het oproepen van dienstplichtigen en reservisten tot de soevereiniteit van de nationale staten behoort. De door u ingeroepen argumenten om uw legerdienst te weigeren kunnen overigens niet worden gelijkgesteld met een gewetensnood in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uw vrees om als etnische Albanees slecht behandeld te worden in het leger is algemeen en kan gezien de gewijzigde situatie in Macedonië en de huidige inspanningen van de Macedonische autoriteiten om meer personen behorende tot een etnische minderheid aan te trekken voor indiensttreding en een professionele loopbaan binnen het Macedonische leger niet langer weerhouden. Bovendien is het weinig aannemelijk dat iemand met uw ziektebeeld -een ernstige vorm van hepatitis C- geen uitstel zou krijgen en/of geschikt bevonden zou worden voor militaire dienst. In het kader van de asielaanvraag van uw moeder A (O.V. 5.572.339), nam ik reeds voordien een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Tenslotte zijn de door u neergelegde medische documenten niet van die aard om bovenstaande vaststellingen te wijzigen. Ze bevestigen immers enkel het feit dat u hepatitis C heeft, doch dit gegeven staat hier niet ter discussie. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing. 2. Overwegende dat in een enig middel de verzoekende partij de schending inroept van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij de bevindingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen betwist; VII-34.265-4/6 Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen omdat de commissaris-generaal onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de verzoekende partij dit te dezen niet aantoont; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal uit een warrig, weinig precies, soms incoherent en zelfs tegenstrijdig asielrelaas afgeleid heeft dat de asielaanvraag bedrieglijk was; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; VII-34.265-5/6 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-34.265-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.353 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.