← België

Arrest 151356 - - 16/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.356 Rolnummer: Zaak: Arrest 151356 - - 16/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-28 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 04:46 Fiche Arrest nr 151.356 van 16 november 2005 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.356 van 16 november 2005 in de zaak A. 161.146/VII-33.727 A. 160.316/VII-33.556 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat G. DE GROOTE, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indische nationaliteit, op 24 februari 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 november 2004 tot weigering van regularisatie en gezien het verzoekschrift dat hij op 23 maart 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 februari 2005; Gezien de verzoekschriften die de verzoekende partij, telkens op dezelfde dag, heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van genoemde beslissingen; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 20 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 oktober 2005; VII-33.727 en 33.556-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die, loco advocaat G. DE GROOTE, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. Op 25 januari 2000 heeft de verzoekende partij een regularisatieaanvraag ingediend op basis van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
  3. De Commissie voor regularisatie heeft op 21 januari 2004 een gunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Dit advies luidt als volgt: "Gelet op de beschikking van 28 mei 2003 van de Vice-Eerste-Voorzitter van de Commissie, mevrouw Carla Vercammen, met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan' de Nederlandstalige kamer op de zitting van 19 juni
  4. Op deze zitting verscheen de verzoekende partij in persoon. Het ingediende verzoek werd mondeling behandeld in overeenstemming met artikel 10 § 1 van het Koninklijk Besluit van 5 januari
  5. Reeds eerder had de verzoekende partij kennis kunnen nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 16 juli 2001 en waarin te lezen was dat het bij de aanvraag gevoegde dossier wel volledig was maar dat er prima facie niet bleek dat dit tot een gunstig advies kon leiden zodat de aanvraag aanhangig werd gemaakt bij en Kamer van de Commissie in overeenstemming met artikel 12 § 3 van de Wet van 22 december
  6. De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor VII-33.727 en 33.556-2/9 Regularisatie, kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken met het nummer 4.637.365 en in welk dossier de gegevens werden genoteerd die aan de overheid bekend geraakten over een aanwezigheid van de betrokken vreemdeling in het Rijk zodat die gegevens ook bekend waren aan de verzoekende partij op wie ze betrekking hebben en waarover ter zitting ook tegensprekelijk werd gehandeld. Verzoeker ondertekende te Brussel op 18 juni 1997 een verklaring vluchteling te zijn en liet tegelijkertijd noteren dat hij zonder over enig identiteitsdocument te kunnen beschikken de naam droeg van Amarjeet Singh, in India geboren was op 7 juli 1965 te Amritsar en het Rijk was binnengekomen op 17 juni
  7. Daarna verklaarde hij.gehuwd te zijn met de in 1967 geboren Amarjeet Kaur maar geen kinderen te hebben. En dat zijn vals Indisch paspoort door de reisagent was meegenomen. Hij verklaarde op 14 mei 1997 uit New-Delhi te zijn vertrokken en eerst per schip naar een onbekende haven te zijn gevaren van waar hij per auto volgens de keuze van zijn reisagent naar. België kwam op 16 mei 1997 hetgeen de weergave was van een niet te geloven duur voor een op die wijze uitgevoerde reis. Hij verklaarde gedurende de twee daaraan voorafgaande jaren het beroep van muzikant te hebben uitgeoefend en niet te willen werken maar hem een verblijf toe te staan totdat het probleem in zijn land opgelost was want hier wilde hij volgens zijn toenmalige verklaring niet eeuwig blijven. Hierna kreeg hij een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. Verzoeker tekende hiertegen beroep aan dat op 17 september 1997 leidde tot een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dat een verder onderzoek noodzakelijk was. Hierdoor werd zijn verzoek tot erkenning als vluchteling dan ook ontvankelijk verklaard en hierdoor werd dan een legaal verblijf verleend. De Dienst Vreemdelingenzaken kreeg toch een kopij in bezit van zes bladzijden van het Indisch paspoort F.047000 afgeleverd op 1 mei 1989 aan Arnar Jeet Singh als Indisch staatsburger, gaf ais zijn beroep 'mechanic' op en zijn geboortedatum 7 juli 1965 en bevatte een hem wegens beroepsredenen verleend Schengen-visa F.34475325 afgeleverd in New-Delhi en geldig van 29-03-96 tot 28-06-
  8. met afstempeling op het vliegveld van Roissy-Charles de Gaule in Frankrijk op 6 april 1996 nadat hij India diezelfde dag had verlaten. Verzoeker ondertekende op 21 november 1997 tijdens het verder onderzoek opnieuw zijn verklaring waarin h ij liet optekenen in België te zijn aangekomen op 18/06/97 en in het buitenland het beroep van muzikant te hebben uitgeoefend. En er werd vermeld dat hij hier uitsluitend omgang had met landgenoten. Na onderzoek verleende de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dan op 7 mei 1999 een beslissing (CG/97113834/45/RA17408/vda) van weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. Op 10 juni 1999 liet het Ministère de I'Intérieur van de République Française dan weten dat Singh Amarjeet in hun nationaal vreemdelingenfichier ingeschreven was onder nummer 9503031921 en er een asielverzoek had ingediend op 23 april 1996 maar dat ze daarna niets meer van betrokkene vernomen hadden. Verzoeker tekende tegen vermelde beslissing van weigering beroep aan. Dit leidde op 19 oktober 1999 tot een bevestigende beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen tegenover XXX en waarin te lezen stond dat betrokkene toegegeven had eerder in Frankrijk te hebben vertoefd. Betrokkene ondertekende op 22 december 1999 te Sint-Truiden voor ontvangst van een hem betekend bevel om het grondgebied te verlaten evenals dit van Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Portugal en Spanje. Hiertegen volgde een annulatieberoep en een verzoek tot schorsing bij de Raad van State en een verzoek tot schorsing. De Raad van State sprak op 4 april 2000 arrest nr 86.587 uit in de zaak A.87.845/VII-19.817 waarbij de vordering tot schorsing verworpen werd. De raad van State verleende op 17 november 2000 arrest nr 90.860 in de zaak A.87.845/VII-19.817 waarin de afstand van geding werd vastgesteld van Arnarjeet Singh voor het door deze ingediende annulatieberoep. De verzoekende partij heeft voor de ingediende aanvraag tot regularisatie van verblijf beroep gedaan op het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. VII-33.727 en 33.556-3/9 Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9,9/ van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar schooi te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van en beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. In het dossier van verzoeker bevindt zich een schrijven uitgaande van de Federale Politie van de Gerechtelijke Dienst van het arrondissement Hasselt waarin werd medegedeeld dat het regularisatiedossier van betrokkene terug aan de Commissie werd overgemaakt en waardoor dit eindelijk voor behandeling ervan kon worden opgeroepen. Uit dat dossier werden evenwel stukken verwijderd waarvan evenwel een kopij werd gemaakt voor het regularisatiedossier en met daarop de vermelding 'ne varietur' en dit heeft betrekking op een verklaring van Jagwinder Singh als president van de vzw Gurdwara Sangat Sahib Belgium en een Getuigschrift van Gekendheid door Peter Van Lindt ondertekend met de hoedanigheid van woordvoerder Gurdwara, Het is nuttig hierbij te vermelden dat er, uit de databank over verenigingen zonder winstoogmerk van de Federale Overheidsdienst voor Justitie, gebleken is dat de 'vroegste publicatie in het Belgisch Staatsblad over de vzw Gurdwara Sangat Sahib Belgium slechts dateert van 13 april 2000 terwijl het aangetroffen getuigschrift van voor deze datum dateert. Peter Van Lindt, die optreedt als woordvoerder van Gurdwara is niet terug te vinden in de Raad van Bestuur ervan maar wel in de Raad van Beheer van Gastvrij Sint-Truiden en zijn opgegeven adres Bampslaan 12 te 3500-Hasselt blijkt het adres te zijn van de bvba Grewal & C*. Hierdoor lijkt het dan ook verantwoord te zijn dat er een ernstig gerechtelijk onderzoek zou worden gevoerd over deze stukken welke hierdoor toch minstens ernstig aan geloofwaardigheid hebben ingeboet.. Hij beschikt nu over een paspoort van India met nummer A.6682421op naam van S. A. Jeet te Brussel afgeleverd op 6.12.99 en er achtereenvolgens verlengd tot 05.06.2001, 05-12-2001, 05-06-2002, 05-06-2003 en 0506-
  9. Het verwees naar het eerder reeds vermelde paspoort F.047000 dat blijkbaar geldig was tot 3014199 en bevestigt zijn geboortedatum van 7 juli 1965 en geboorteplaats Amritsar alsook zijn huwelijk met Amarjeet Kaur. Vooraleer zijn verzoek tot regularisatie werd ingediend trad verzoeker in België op verschillende plaatsen op als muzikant en hiermede wil verzoeker het bestaan aantonen van in dit land opgebouwde duurzame sociale bindingen. Het is een feit dat hij hierdoor met meerdere Belgen en hun organisaties in contact kwam en waardoor, deze zelf in staat waren hun activiteiten een aantrekkelijker tintje te geven. De Commissie kon echter geen aanwezigheid van humanitaire redenen vaststellen en die in zijnen hoofde bestonden voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek tot regularisatie, wel kan worden vastgesteld dat verzoeker zich hier ais muzikant wilde ontplooien. Om meer zekerheid te kunnen bekomen over zijn echte wil tot integratie was het moeilijk om te kunnen vaststellen in hoeverre hij zich reeds achter onze maatschappelijke opvattingen kon scharen zoals de volledige gelijkheid tussen man en vrouw die door Belgische grondwet wordt verzekerd noch hoe zijn echte opvattingen evolueerden over de scheiding tussen Kerk en Staat Aan de hand van de vaststaande gegevens moet er vastgesteld worden dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het hier indienen van zijn verzoek tot regularisatie van zijn verblijf niet kon bereikt hebben gezien zijn eigen bekentenissen slechts op 16 mei 1997 in België te zijn toegekomen dus hoogstens ongeveer twee en een half jaar verblijf kon geloofwaardig maken. Immers, teneinde de waarheid te kunnen doen vaststellen werden er door het Belgisch recht voor de bewijsvoering regels vastgelegd. Zo mag de Belgische rechter alleen rekening houden met de door de wet aangeduide bewijsmiddelen. Volgens het Burgerlijk Wetboek artikelen 1354-1356 ontslaat een bekentenis van elke verdere bewijsplicht omdat het de erkenning is van een feit en voortvloeit uit de wil van de VII-33.727 en 33.556-4/9 partij zelf en dit is in dit geval ook schriftelijk vastgelegd. Het is in deze omstandigheden dan ook onmogelijk verder rekening te houden met verklaringen van derden die hiermede niet overeenstemmen en ontoetsbaar blijven. Het blijft vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid dienen behandeld te worden hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij zoniet zou er mogelijkheid bestaat dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben den diegenen die veel later voor de Commissie konden verschijnen. Verzoeker, over wie ook niets ongunstig bekend is aan de Commissie, toont aan dat hij wilde toetreden tot het normale officiële arbeidscircuit in dit land. En vertelt ter zitting dat hij vast werk bekwam in de veiling van Sint-Truiden. Hij kan geloofwaardig maken dat hij, hierbij wellicht geholpen door het feit ook hier muziek te maken, een goede relatie heeft met de inwoners van dit land en beschikbaar was voor bijvoorbeeld Broederlijk Delen en voor de Interreligieuze Dialoog. Hij rijdt niet meer per bromfiets omdat hij door het blijven dragen van zijn tulband niet de mogelijkheid heeft daar nog de verplichte valhelm bovenop te dragen. Betrokkene spreekt ook goed Nederlands. Als muzikant (tablas on snappertuna and headache) werkte hij mee aan de opname van een CD onder de naam M. opgenomen op 18 december 2000 te Alphen-aan-de Rijn in Nederland; en een nieuwe CD zou in voorbereiding zijn. Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000 p.588-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari 2000.". 1.
  10. Op 17 november 2004 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. "Betreft: het verzoek tot regularisatie van uw verblijfstoestand overeenkomstig de wet van 22 december
  11. Dossiernummer: 38002000012500163 Ik wens u op de hoogte te brengen van het feit dat ik beslist heb uw verzoek om uw verblijfstoestand te regulariseren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk niet in te willigen om de volgende redenen: Ik ben van oordeel dat, in weerwil van het positief meerderheidsadvies van 21 januari 2004, u niet voldoet aan de voorwaarden die worden omschreven in artikel 2, 4/ en 9, 9/ van dezelfde wet van 22 december
  12. Uit het dossier en het advies blijkt dat u niet voldoet aan de vereiste termijn van 6 jaar (u heeft geen schoolgaande kinderen) continu en ononderbroken verblijf op het Belgisch grondgebied. Meer precies bent in juni 1997 het land binnengekomen en heeft u de hoedanigheid van vluchteling aangevraagd; u verbleef dus in januari 2000 nog maar 2 jaar en 7 maanden in België. Het is vanzelfsprekend dat alle aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid behandeld dienen te worden hetgeen onder andere betekent dat er in de eerste plaats met de elementen rekening moet gehouden worden zoals ze zich begin 2000 voordeden. Overeenkomstig artikel 14 en 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en het Koninklijk Besluit van 9 juli 2000 beschikt u over een termijn van 30 dagen om bij de afdeling Administratie van de Raad van State een beroep tot nietigverklaring en verzoek tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, in te stellen tegen deze beslissing.". VII-33.727 en 33.556-5/9 Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  13. Op 28 februari 2004 werd aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis gebracht. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  14. Over de samenvoeging van de zaken. Overwegende dat XXX in een verzoekschrift, G./A 160.316/VII-33.556, de vernietiging vordert van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 november 2004 tot weigering van regularisatie; dat de verzoekende partij in een afzonderlijk verzoekschrift, G/A 161.146/VII-33.727, de vernietiging vordert van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 februari 2005; dat in het belang van een goede rechtsbedeling het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten;
  15. Over het beroep tot nietigverklaring tegen de weigering van regularisatie. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht, van het beginsel van de fair play, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel in samenhang met het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van de gewekte verwachtingen en van de artikelen 2 en 9 van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; dat zij in essentie aanvoert dat de minister van Binnenlandse Zaken geen rekening heeft gehouden met “het onbetwistbaar wettelijk verblijf in hoofde van verzoeker en de humanitaire en duurzame sociale bindingen met België in hoofde van verzoeker”; dat zij verder machtsoverschrijding aanvoert en stelt dat de redelijke termijn geschonden werd doordat de minister 5 jaar heeft gewacht alvorens zijn weigeringsbeslissing aan verzoeker te betekenen; Overwegende dat artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet, waarop de aanvraag was gegrond, als volgt luidt : "Onverminderd de toepassing van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is de wet van toepassing op de aanvragen tot regularisatie van verblijf die ingediend worden door vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van de aanvraag : (...) 4/ hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale vindingen in hun land hebben ontwikkeld"; VII-33.727 en 33.556-6/9 Overwegende dat artikel 9, 9/ van dezelfde wet bepaalt dat voor de in artikel 2, 4/ bedoelde vreemdelingen het bij de aanvraag gevoegde dossier een bewijs moet omvatten "dat (hun) aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan en/of in voorkomend geval, het bewijs dat ze wettig in België verbleven hebben, en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat ze in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen hebben om het grondgebied te verlaten"; Overwegende dat uit deze bepalingen, samengelezen, blijkt dat de vreemdeling die 'duurzame sociale bindingen' doet gelden, ook het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/ van de Regularisatiewet; dat de omstandigheid dat aan één van deze voorwaarden niet is voldaan, voldoende is om vast te stellen dat de aanvrager niet in aanmerking komt voor regularisatie op basis van artikel 2, 4/; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing stelt, en de verzoekende partij betwist dit ook niet, dat de verzoekende partij in juni 1997 het land is binnengekomen en zich vluchteling heeft verklaard; dat de verzoekende partij aldus op het ogenblik van de aanvraag tot regularisatie in januari 2000 niet voldeed aan de vereiste termijn van zes jaar en dat zij niet beschikt over een wettig verblijf daar volgens artikel 9, tweede lid van de Regularisatiewet het verblijf waartoe kandidaat- vluchtelingen in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag in het Rijk worden toegelaten, niet als een relevant wettig verblijf kan beschouwd worden; dat op basis van deze motieven alleen al de minister zijn beslissing kon steunen; dat gezien het feit dat de verzoekende partij, die zich beroept op artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet, niet voldoet aan de gestelde voorwaarden van artikel 9, 9,/ de minister niet verder dient te onderzoeken of de verzoekende partij de duurzame en sociale bindingen in België heeft ontwikkeld en humanitaire redenen kon laten gelden; Overwegende dat krachtens artikel 14 van de Regularisatiewet niet zal worden overgegaan tot de uitvoering van een maatregel tot verwijdering, tot een definitieve beslissing over de regularisatieaanvraag is genomen; dat aldus niet kan worden ingezien, en de verzoekende partij toont dit ook niet aan, welk nadeel de verzoekende partij heeft ondervonden van het verloop van de termijn;
  16. Over het beroep tot nietigverklaring tegen het bevel. VII-33.727 en 33.556-7/9 Overwegende dat de verzoekende partij ten aanzien van de tweede bestreden beslissing het middel zoals uiteengezet ten aanzien van de eerste bestreden beslissing herneemt en toevoegt dat het bestreden bevel niet ondertekend is door een gemachtigde ambtenaar zodat niet kan worden nagegaan of deze wel door een bevoegd persoon genomen en betekend is; Overwegende dat het bevel om het grondgebied te verlaten is gesteund op de beslissing van de Minister tot weigering van regularisatie; dat gezien het beroep tegen deze beslissing moet worden verworpen, ook het beroep tegen het bestreden bevel moet worden verworpen; Overwegende dat verder blijkt uit het bestreden bevel dat dit werd genomen 'in uitvoering van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken'; dat derhalve het bestreden bevel werd genomen door de minister die daarvoor bevoegd is; dat de kritiek dat het bestreden bevel niet is ondertekend door de gemachtigde ambtenaar betrekking heeft op de wijze van kennisgeving; dat een eventueel gebrek in de kennisgeving de wettigheid van het bestreden bevel niet aantast en derhalve niet kan leiden tot de nietigverklaring ervan;
  17. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, als accessorium van de beroepen tot nietigverklaring, samen met deze beroepen worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  18. De zaken nrs. G/A 160.316/VII-33.556 en G/A 161.146/VII-33.727 worden gevoegd. VII-33.727 en 33.556-8/9 Artikel
  19. De vorderingen tot schorsing en de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  20. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-33.727 en 33.556-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.356 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.