← België

Arrest 151357 - - 16/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.357 Rolnummer: A. 161515/VII-33823 Zaak: Arrest 151357 - - 16/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-25 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 04:46 Fiche Arrest nr 151.357 van 16 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 151.357 van 16 november 2005 in de zaak A. 161.515/VII-33.823 In zake : XXX verblijvende te 2520 BROECHEM-RANST, Opvangcentrum voor Asielzoekers, Van Den Nestelaan 64b tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Somalische nationaliteit, op 6 april 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 maart 2005 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 september 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 13 april 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 20 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 oktober 2005; VII-33.823-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VAN REUSEL, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 21 september 2004 en verklaarde zich op 24 september 2004 vluchteling. 1.
  3. Op 28 september 2004 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 11 maart 2005 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U werd gehoord door het Commissariaat-generaal dd. 19 januari 2004 in het bijzijn van een tolk Somali. U beweerde de Somalische nationaliteit te bezitten, afkomstig te zijn uit Mogadishu en te behoren tot de minderheidsgroep Gendershe ( VII-33.823-2/6 van Jibriil en Abdi Garabey geld vragen in uw huis. Eind 2002 werd op een nacht uw huis aangevallen door 7 u onbekende mannen. U en uw zus werden verkracht en uw bezittingen werden meegenomen. In maart of april 2003 reisde u per boot naar Jemen. In juli 2003 stak u te voet de grens met Saoedi-Arabië over. U was niet in het bezit van geldige identiteitsdocumenten en aldus werd u onmiddellijk aangehouden. U werd in een detentiecentrum opgesloten en de Saoedische autoriteiten vroegen in het kader van uw deportatie een Somalisch paspoort aan bij de Somalische ambassade in Saoedi- Arabië. Enkele dagen later werd u met een vlucht van Daallo Airlines gedeporteerd naar luchthaven nr. 50 te Mogadishu. U trok in bij uw zus Fadumo in het Hamar Jajab- district te Mogadishu. Uw zus Fadumo overleed in 2003 ten gevolge van verwondingen die ze had opgelopen tijdens een aanval in
  5. In ongeveer juni 2004 werd uw huis aangevallen door 5 gewapende mannen die dachten dat u geld verdiend had in Saoedi-Arabië. Uw nichtje Ruuma werd doodgeschoten. Op 19 september 2004 nam u een vlucht van Daallo Airlines van luchthaven nr. 50 te Mogadishu naar Hargeisa. Van Hargeisa vloog u met Daallo Airlines verder naar Djibouti. In Djibouti stapte u over op een vliegtuig van een u onbekende maatschappij en u arriveerde in een u onbekend land. U nam een trein en arriveerde in België. U vroeg asiel aan op 24 september
  6. B. Motivering Ten eerste dient er te worden opgemerkt dat belangrijke tegenstrijdige verklaringen en hiaten tussen uw gehoren voor het Commissariaat-generaal en Dienst Vreemdelingenzaken de geloofwaardigheid van uw relaas in ernstige mate ondermijnen. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken (gehoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken dd. 28 september 2004) dat u na uw deportatie van Saoedi-Arabië naar Somalië bij uw moeder en kinderen in Gendershe verbleef (punt 41) hoewel u voor het Commissariaat-generaal verklaarde voornamelijk in Mogadishu verbleven te hebben van juli 2003 tot september 2004 (gehoorverslag Commissariaat-generaal dd. 19 januari 2005, p. 25). Bovendien maakte u voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding van problemen die u gekend zou hebben na uw deportatie en voorafgaand aan uw vlucht, namelijk tussen juli 2003 tot september 2004 (punt 41) hoewel u voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat u 3 maanden vóór u het land verliet, namelijk rond juni 2004, in Mogadishu aangevallen werd omdat de aanvallers dachten dat u geld meebracht uit Saoedi-Arabië (p. 24) en dat uw nichtje Ruuma tijdens deze aanval om het leven kwam (p. 23-24). Het is dan ook bijzonder bevreemdend dat u deze aanval in het geheel niet ter sprake bracht bij de Dienst Vreemdelingenzaken, noch in punt 41 noch in punt 46, temeer gezien deze aanval toch enigszins als de “directe aanleiding” voor uw vlucht beschouwd kan worden. Wanneer de interviewer van het Commissariaat-generaal u hierop vroeg “u vermeldde de laatste aanval niet bij Dienst Vreemdelingenzaken (p. 25) repliceerde u “ik was bang en wist niet goed wat zeggen” (p. 25) hetgeen echter weinig geloofwaardig is gezien u de 2 aanvallen die eerder plaatsvonden wel vermeldde. Het is dan ook weinig aannemelijk dat u de directe aanleiding van uw vlucht uit Somalië niet zou vermelden uit angst of onwetendheid. Ten tweede dient er te worden opgemerkt dat u het niet aannemelijk heeft kunnen maken dat u –vóór uw vertrek naar Saoedi-Arabië- als clanlid van de Gendershe ( Sheikhal) geen beroep zou kunnen doen op bescherming van meerderheidsclans. Zo verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat u enkele jaren in het Medina- district te Mogadishu verbleef en u voegde er aan toe dat krijgsheer Muse Sudi, die tot de Abgal-clan ( verklaarde vervolgens ingetrokken te zijn bij uw zus Humera in het Waberi-district te Mogadishu (p. 18). U voegde er aan toe dat uw zus daar woonde samen met haar echtgenoot Hilowle en haar kinderen die allen tot de Abgal-clan ( Het feit dat u vervolgens verklaarde dat uw schoonbroer u niet kon beschermen (p. 21) en dat hij geen beroep kon doen op zijn clanleden van de Abgal (p. 21) noch op milities van de Abgal (p. 21) noch op de Abgal-clanoudsten (p. 22) is echter weinig VII-33.823-3/6 geloofwaardig gezien uit diverse informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt dat de Sheikhal – waaronder de Gendershe - gewoonlijk beschouwd worden als een aan de Hawiye-clanfamilie gerelateerde clan (zie informatie in administratief dossier). De Shekhal zouden bovendien als families tussen andere clans wonen, met name de Habr Gidir- en Abgal-clans van de Hawiye (zie informatie in administratief dossier). Ook uit uw persoonlijke relaas bleek dat u zich in Mogadishu steeds vestigde tussen de Hawiye-clans (cf. supra). De informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt meldt tevens dat de Sheikhal een zekere bescherming van andere Hawiye-clans genieten, hetgeen ook blijkt uit het feit dat uw zus een huwelijk afsloot met een Abgal-man, en dat de Sheikhal zich vrij kunnen bewegen door het land (zie informatie in administratief dossier). Uw bewering dat enkel de Lobogi- en Qudub-subclans van de Sheikhal geassocieerd zouden worden met de Hawiye (p. 8) en niet de Gendershe-subclan van de Sheikhal blijkt geenszins uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (zie informatie in administratief dossier). Integendeel, de Gendershe-subclan wordt expliciet vermeld als verwant met de Hawiye (zie informatie in administratief dossier). Voor wat de door u voorgelegde documenten betreft, kunnen volgende bedenkingen worden gemaakt. U legde een Somalisch paspoort (nr. A01092234) voor, dat uitgegeven werd dd. 6 juli 2003 te Jeddah (Saoedi-Arabië) (zie kopie van dit document in het administratief dossier). Volgens uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal vroegen de Saoedische autoriteiten, die u na aankomst in Saoedi-Arabië meteen hadden opgepakt en opgesloten, dit paspoort aan in het kader van uw repatriëring naar Somalië (p. 4). In het licht van het uw bewering dat u opgesloten zat en meteen gerepatrieerd zou worden is het dan ook erg bevreemdend dat op het paspoort staat vermeldt dat u gedomicilieerd zou zijn in Jeddah (Saoedi-Arabië), vermits dit laat veronderstellen dat u in Jeddah woonde. De door u voorgelegde foto van het dorp Gendershe wijzigt niets aan het voorgaande gezien uw nationaliteit, identiteit en geografische afkomst niet meteen betwijfeld wordt. Het door u voorgelegde Somalische paspoort werd hoger reeds besproken (cf. supra). Uw reisweg kan bij gebrek aan geldige documenten ter zake niet worden nagegaan. Tenslotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing.
  7. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van “de rechten van verdediging” doordat de verzoekende partij geen mogelijkheid is gegeven kennis te nemen van het administratief dossier en de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen uittreksels bij de bestreden beslissing heeft gevoegd; VII-33.823-4/6 Overwegende dat dit beginsel als dusdanig niet van toepassing is op de administratieve procedure zoals voorzien door de artikelen 52 en 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat bovendien nergens uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij schriftelijk inzage van het dossier heeft aangevraagd;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, VII-33.823-5/6 Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-33.823-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.357 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.