id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.362 Rolnummer: A. 118496/XIV-9201 Zaak: Arrest 151362 - - 16/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-05 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 04:47 Fiche Arrest nr 151.362 van 16 november 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.362 van 16 november 2005 in de zaak A. 118.496/XIV-
- In zake : 1.XXX 2.XXX die woonplaats kiezen bij Advocaat F. HOUVENAGHEL, kantoor houdende te 8560 GULLEGEM, Oude Ieperstraat 4 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 februari 1968 en XXX, geboren op 27 augustus 1973, beiden van Joegoslavische nationaliteit, op 12 maart 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 2002 tot weigering van regularisatie, en van de bevelen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, van 5 maart 2002, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 26 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; XIV-9201-1/6 Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 15 juni 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. MOERMAN, die loco Advocaat F. HOUVENAGHEL verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- XXX heeft op 28 januari 2000 voor hemzelf, zijn echtgenote XXX en hun minderjarige kinderen, een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/. 1.
- Op 13 februari 2001 is verzoeker door de Commissie voor Regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat, gehoord. 1.
- Op 13 juni 2001 heeft de derde Kamer van de Commissie voor Regularisatie een gunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Overwegende dat XXX, mede voor zijn echtgenote en hun twee minderjarige kinderen, op 28 januari 2000 een aanvraag tot regularisatie van verblijf heeft ingediend, gesteund op artikel 2,2/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf op het grondgebied van het Rijk; dat hij achteraf ter zitting zich eveneens zal beroepen op artikel 2,4/ van dezelfde wet; Overwegende dat het artikel 2 stelt dat de wet van toepassing is op vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999; dat de ratio legis achter de noodzaak hier aanwezig te zijn, het vermijden is van het feit dat mensen speciaal voor deze procedure naar België zouden gekomen zijn, dat dit in casu duidelijk niet zo is; Overwegende dat de beide echtgenoten bij hun aankomst in België een asielaanvraag indienden, meer bepaald op 28 oktober 1999; dat de Dienst Vreemdelingenzaken op 15 februari 2000 de aanvragen negatief beoordeeld heeft; dat hun beroep bij het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet ontvankelijk verklaard werd op 12 juli 2000; Overwegende dat, ook als de betrokkenen niet als vluchteling werden erkend, dit niet belet dat de Regularisatiecommissie de huidige zaak in behandeling neemt, dat het uitgangspunt en de bedoeling van de onderliggende wetten immers (niet) (dient) dezelfde zijn; Overwegende dat, nu de aanvraag gesteund is op artikel 2,2/ van de wet van 22 december 1999, in zake moet worden onderzocht of de betrokkenen, om redenen onafhankelijk van hun XIV-9201-2/6 wil, wel degelijk in de onmogelijkheid zijn terug te keren naar hun land van herkomst of naar het land waarvan zij de nationaliteit hebben, dat aldus zal worden nagegaan in hoeverre het land zoals hier bedoeld, de nodige waarborgen biedt om er veilig en menswaardig te kunnen verblijven; Overwegende dat de betrokkenen voorhouden, afkomstig te zijn uit Mitrovice, een stad gelegen in Kosovo-Joegoslavië, tevens het land waarvan zij de nationaliteit hebben; dat de tolk, aangesteld door de Commissie om de aanvragers in het Albanees bij te staan, bevestigt dat zij de streektaal van Mitrovice gebruiken; dat ook de ouders van G. D., die in een vluchtelingenkamp in Albanië verblijven, in een brief van 14 februari 2000 de Belgische autoriteiten erom verzoeken hun zoon en zijn gezin niet naar Mitrovica (Kosovo) terug te sturen (de authenticiteit van de brief blijkt uit een bijgevoegde notariële verklaring); dat evenzo het gastgezin dat de betrokkenen heeft opgevangen bij hun aankomst in België, overigens op vraag van het OCMW, bevestigt dat het om Kosovaren gaat, wat kon worden opgemaakt uit de vele onderlinge gesprekken die zij hebben gevoerd; dat mag worden aangenomen dat de betrokkenen uit Kosovo herkomstig (afkomstig) zijn; Overwegende dat het juist is dat de oorlogstoestand in Kosovo heeft opgehouden te bestaan; dat dit niet wegneemt dat de noodzakelijke nutsvoorzieningen (onderwijs, huisvesting, verpleging) voorlopig niet optimaal kunnen functioneren; dat dit een probleem vormt voor een huisgezin met twee kleine kinderen; dat dit meebrengt dat een terugkeer niet kan worden overwogen; dat de aanvragers zich terecht beroepen op artikel 2,2/ van de wet om hun aanspraak op regularisatie ingewilligd te zien; Overwegende dat, zoals gezegd, hun aanvraag eveneens steunt op artikel 2,4/ van dezelfde wet; dat zij terzelfdertijd dienen aan te tonen te beantwoorden aan het bepaalde in artikel 9,9; dat hierin, naast andere mogelijkheden, een verblijfsduur van meer dan 6 jaar (respectievelijk 5 jaar) vooropgesteld wordt; dat de minister nochtans geoordeeld heeft dat niet alleen de verblijfsduur maar ook de sociale bindingen belangrijk zijn: "de verblijfsduur en de sociale bindingen zijn immers twee objectieve criteria waaruit de integratiewil van de betrokkenen blijkt" (Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 22/11/99, Doc 50 0234/005, pag. 48); dat dit zich vertolkt in de laatste alinea van artikel 9,9/, waarbij gesteld wordt: "om te oordelen of een verblijf relevant is, zal bovendien rekening gehouden worden met het criterium van artikel 2,4/, te weten humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen"; dat dit betekent dat, ook als de tijdsduur van zes of vijf jaar niet is bereikt, de mogelijkheid openblijft te beantwoorden aan artikel 9,9/ mits dit gemis te compenseren door een doorgedreven integratiewil; Overwegende dat in casu de betrokkenen, ondanks de relatief korte duur van hun verblijf, aantonen in hoge mate geïntegreerd te zijn; dat zij inmiddels een grote vriendenkring hebben opgebouwd; dat hun vrienden hen omschrijven als dankbaar, eerlijk, beleefd en leergierig; verder als werklustig en steeds bereid om te helpen waar het nodig is (bijkomende stukken, 4 tot en met 7); dat zij Nederlands begrijpen en spreken, zoals ook ter zitting gebleken is; dat de aanvrager trouwens Nederlandse taallessen gevolgd heeft en nog volgt (bijkomende stukken, 10 tot en met 12); dat het oudste kind ingeschreven is in de 1ste kleuterklas voor het schooljaar 2000 - 2001; dat de vader met een toegelaten arbeidsovereenkomst aan het werk is; dat zijn werkgever dit bevestigt en hieraan toevoegt: "Wij hebben hem in die periode ervaren als een uiterst gemotiveerde en plichtsbewuste medewerker. Hij heeft zich zeer snel en vlot weten te integreren in ons bedrijf. Bij zijn collega's geniet hij een grote waardering, niet alleen wegens zijn technische vaardigheden maar eveneens door zijn positieve ingesteldheid" (bijkomend stuk nr. 3); dat ten slotte dient aangestipt dat het jongste kind in België geboren is, wat een bijkomende omstandigheid uitmaakt om het verblijf van de betrokkenen alhier te bestendigen; dat het duidelijk is dat hun sociaal-economische bindingen zich in België situeren; dat zij zich terecht beroepen op artikel 2,4/ van de wet om hun aanspraak op regularisatie ingewilligd te zien, zoals zij dit eerder gedaan hebben met artikel 2,2/; OM DEZE REDENEN brengt de derde Kamer van de Commissie voor Regularisatie, na onderzoek en op tegenspraak, een gunstig advies uit betreffende de aanvraag van de betrokkenen. Dit advies wordt gegeven met meerderheid van stemmen. (...)”. 1.
- Op 23 januari 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Dit is de eerste bestreden beslissing die als volgt luidt: XIV-9201-3/6 “(...) Overwegende dat de 3e Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk een gunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie heeft verstrekt, door u ingediend bij de Burgemeester te KORTRIJK, op 28/01/2000 en dat het nummer 8500 2000 0128 02605 draagt; Overwegende dat Mijnheer D. G. zich bij zijn regularisatieverzoek beriep op het criterium van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999, te weten dat hij om redenen onafhankelijk van zijn wil niet kan terugkeren naar het land of de landen waar hij vóór aankomst in België gewoonlijk verbleven heeft, noch naar het land van herkomst, noch naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft; Overwegende dat het verzoek eveneens werd ingediend voor zijn echtgenote, Mevrouw M. G., en hun kinderen M. G. en J. G.; Overwegende dat genoemde 3e Kamer van de Commissie voor Regularisatie concludeert tot een gunstig advies op basis van artikel 2, 2/ van de wet van 22 december 1999, te weten dat hij om redenen onafhankelijk van zijn wil, niet naar Kosovo kan terugkeren, en op basis van artikel 2, 4/ van genoemde wet, omwille van de doorgedreven integratiewil; Overwegende evenwel dat artikel 9, 2/ van de wet van 22 december 1999 stelt dat elk regularisatieverzoek een bewijsstuk dient te omvatten dat verzoeker reeds daadwerkelijk op Belgisch grondgebied verbleef op 1 oktober 1999 ; ook artikel 2 van genoemde wet stelt dat deze wet enkel van toepassing is op vreemdelingen die reeds daadwerkelijk op 1 oktober 1999 in België verbleven; Overwegende dat verzoeker ten opzichte van de bevoegde asielinstanties evenwel heeft verklaard dat hij en zijn gezin slechts in België arriveerden op 27 oktober 1999; Overwegende derhalve dat het verzoek niet aan één der basisvoorwaarden voldoet van artikel 9 van de wet van 22 december 1999, - dat het verzoek onvolledig is, en niet ten gronde dient onderzocht; BESLUIT: De regularisatieaanvraag nr. 8500 2000 0128 02605, ingediend door de Heer Ded GJONI op 28/01/2000 bij de Burgemeester van KORTRIJK wordt afgewezen, ondanks het gunstig advies van de Commissie voor Regularisatie. (...).”; 1.
- Op 5 maart 2002 werden aan verzoekers bevelen ter kennis gebracht van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit zijn de tweede en de derde bestreden beslissingen.
- Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoekers in het tweede middel het “ontbreken van de rechtens vereiste specifieke grondslag” aanvoeren en in het derde middel ondermeer de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel; Overwegende dat de eerste bestreden beslissing steunt op één afwijzingsmotief, met name op de niet-naleving door verzoekers van de artikelen 2 en 9, 2/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat de bestreden beslissing overweegt dat de Regularisatiewet enkel toepasselijk is op vreemdelingen die reeds daadwerkelijk op 1 oktober 1999 in België verblijven; dat verzoekers niet betwisten dat zij pas op 27 oktober 1999 in België aankwamen; dat dit motief, gelet op de feitelijke gegevens van de zaak, in casu niet deugdelijk is, vermits de Commissie voor Regularisatie een hele redenering ontwikkelt op basis waarvan zij afwijkt van de strikte legalistische toepassing van de vereiste XIV-9201-4/6 aanwezigheid van verzoekers op het grondgebied op 1 oktober 1999; dat de eerste bestreden beslissing volledig voorbijgaat aan de redengeving van de Commissie voor Regularisatie in verband met de toepassing van artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet; dat op basis van de stukken van het niet geïnventariseerd administratief dossier van de verwerende partij, blijkt dat verzoekers geïntegreerd zijn en dat zij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in België hebben ontwikkeld, zoals oordeelkundig wordt vastgesteld door de Regularisatiecommissie; Overwegende dat de verwerende partij in dit geval het rechtmatig vertrouwen van verzoekers heeft geschonden door op 28 juli 2000 het volgende te schrijven naar derden, die verzoekers in België op voorbeeldige wijze hebben opgevangen: “Ik heb mij principieel steeds geëngageerd om deze adviezen (van de Commissie voor Regularisatie) te volgen.”; dat hierdoor in casu het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden; Overwegende dat het tweede en derde middel in voornoemde mate gegrond zijn; Overwegende dat er aanleiding is om de bevelen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 maart 2002 nietig te verklaren, vermits zij hun rechtsgrond vinden in de eerste bestreden beslissing, BESLUIT: Artikel
- Worden nietig verklaard de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 2002 tot weigering van regularisatie en de bevelen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 5 maart 2002, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op dezelfde datum. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-9201-5/6 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9201-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.362 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.