← België

Arrest 151380 - - 17/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.380 Rolnummer: A. 112631/XII-3339 Zaak: Arrest 151380 - - 17/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 04:48 Fiche Arrest nr 151.380 van 17 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.380 van 17 november 2005 in de zaak A. 112.631/XII-

  1. In zake : Lieve SAILLART, die woonplaats kiest bij advocaten F. Jacobs en B. Vandewalle, kantoor houdende te Leopoldsburg, F. Van Baelstraat 3 tegen : de PROVINCIALE HOGESCHOOL LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaat H. Lamon, kantoor houdende te Hasselt, de Schiervellaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Lieve Saillart op 12 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen, ten eerste, van de beslissing van 6 september 2001 waarbij de buitengewone examencommissie LSO-2, beeldende kunst, van het departement lerarenopleiding van de Provinciale Hogeschool Limburg van de eerste examenperiode besluit om haar niet te laten slagen in de opleiding “leraar secundair onderwijs - groep 2; beeldende kunst” en, ten tweede, van de beslissing van 13 september 2001 waarbij de examencommissie LSO-2, beeldende kunst, van de tweede examenperiode oordeelt dat zij niet slaagt in dezelfde opleiding; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 24 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoekster; XII-3339-1\6 Gelet op de beschikking van 9 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Jacobs, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat H. Lamon, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Gedurende het academiejaar 2000-2001 is verzoekster ingeschreven in het departement lerarenopleiding van de Provinciale Hogeschool Limburg voor de basisopleiding aggregatie, optie aggregatie in de beeldende kunst. 1.
  5. In de eerste examenperiode behaalt verzoekster onvoldoendes voor de opleidingsonderdelen vakdidactiek en vakdidactische oefeningen (9/20), thesis (7,5/20) en stage (4/20). Zij wordt door de examencommissie “uitgesteld naar 2de zittijd zonder overdrachten”. 1.
  6. Verzoekster volgt tegen de beslissing van de examencommissie de interne bezwaarprocedure, waarna de algemeen directeur op 29 augustus 2001 besluit om de examencommissie in buitengewone zitting terug samen te roepen. Op 6 september 2001 worden verzoekster en haar raadsman gehoord. Aansluitend stelt de “buitengewone examencommissie” van de eerste examenperiode vast, dat bij de beoordeling van het opleidingsonderdeel stage een vergissing is gebeurd die een herziening van het toegekende cijfer verantwoordt. Zij beslist dat verzoekster voor dit onderdeel het cijfer 8/20 moet worden toegekend en XII-3339-2\6 dat voor het overige de toegekende punten, die overigens wat de thesis betreft door verzoekster niet werden betwist, behouden blijven. De examencommissie besluit “op grond van de totaliteit van de cijfers behaald op alle opleidingsonderdelen van het opleidingsprogramma de student wat betreft de eerste zittijd niet te laten slagen in de opleiding ‘leraar secundair onderwijs - groep 2; beeldende kunst’”. Aan verzoekster wordt een nieuw rapport bezorgd, met het verbeterde cijfer, het verbeterde totaalpercentage en thans de vermelding “uitgesteld naar 2de zittijd met overdrachten”. Dit is de eerste bestreden beslissing. 1.
  7. Verzoekster neemt hangende de beroepsprocedure ook deel aan de tweede examenperiode en heeft opnieuw haar thesis ingediend. Hiervoor wordt haar het cijfer 12/20 toegekend. Blijkens een ongedateerd verslag van de examencommissie van de tweede examenperiode “oordeelt de examencommissie dat L. Saillart niet slaagt in de opleiding LSO-2; beeldende kunst”. Het eveneens ongedateerde rapport van de tweede examenperiode vermeldt “niet geslaagd, overzettingen naar volgend jaar”. Het inleidend verzoekschrift situeert de datum van deze beslissing op 6 september 2001, de memorie van antwoord situeert diezelfde beslissing op 13 september 2001, bij welke datum verzoekster zich ook aansluit in de memorie van wederantwoord. Zij vormt de tweede bestreden beslissing; De ontvankelijkheid van het beroep tegen de eerste bestreden beslissing 2.
  8. Overwegende dat verwerende partij opwerpt dat het beroep tegen de eerste beslissing van de examencommissie zonder voorwerp is vermits verzoekster deelnam aan de tweede examenperiode en de examencommissie in gewone zitting voor de tweede examenperiode over haar uitslag een nieuwe beslissing heeft genomen; Overwegende dat verzoekster repliceert dat de beslissing van de examencommissie voor de tweede examenperiode de beoordelingscijfers aangaande de opleidingsonderdelen herneemt via overdracht zodat “derhalve deze ‘overgedragen’ quoteringen inherent behept zijn met de [...] nietigheid van de eerste bestreden beslissing”; 2.
  9. Overwegende dat de beslissing van de examencommissie tijdens de eerste examenperiode niet was, verzoekster geslaagd te verklaren, noch haar af te wijzen, maar wel “uitgesteld naar 2de zittijd met overdrachten”; dat de XII-3339-3\6 examencommissie het resultaat van verzoekster bij het voltooien van het academiejaar bijgevolg nog kon herzien in functie van de proeven die zij zou afleggen in de tweede examenperiode; dat, los van de vraag of “uitgesteld” wel een definitieve, voor nietigverklaring vatbare eindbeslissing is, alleszins te dezen dient te worden vastgesteld dat verzoekster in de tweede examenperiode een bijkomende inspanning heeft geleverd voor het opleidingsonderdeel thesis en daarvoor een nieuw cijfer heeft gekregen; dat vervolgens de examencommissie van de tweede examenperiode zich inderdaad opnieuw over verzoekster heeft uitgesproken en haar thans niet geslaagd heeft verklaard; dat die beslissing hoe dan ook in de plaats is gekomen van de eerste bestreden beslissing, die uit het rechtsverkeer is verdwenen en dienvolgens geen voorwerp meer kan zijn van een annulatieberoep; dat de exceptie gegrond is; dat het annulatieberoep niet ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de beslissing van de examencommissie over de eerste examenperiode, zelfs al kunnen, zoals verzoekster stelt, sommige gebreken die er aan kleven in voorkomend geval ook de wettigheid van de in rechte aanvechtbare eindbeslissing besmetten; De ontvankelijkheid van het beroep tegen de tweede bestreden beslissing 3.
  10. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep tegen de tweede beslissing van de examencommissie eveneens onontvankelijk is, en wel omdat ook die beslissing geen in laatste aanleg genomen beslissing is, wegens het niet voorafgaandelijk uitputten van het georganiseerd administratief beroep; dat zij refereert aan de specifieke geschillenregeling die is neergeschreven in de artikelen 50 tot 54 van het toepasselijke examenreglement; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord repliceert dat er inderdaad onmiddellijk beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State werd ingesteld omdat “hiervoor een administratief beroep te doorlopen dit aanleiding zou hebben gegeven tot twee procedures tot nietigverklaring voor Uw Raad”, wat niet het opzet kan zijn van het beginsel van behoorlijke rechtspleging; dat verzoekster wijst op de samenhang tussen de beide bestreden beslissingen wat volgens haar toch tot voeging van de procedures zou nopen; dat zij voorts opmerkt dat zij in een eventuele interne beroepsprocedure “zich deels zou hebben moeten verweren m.b.t. diezelfde feitelijke betwistingen t.w. die opleidingsonderdelen waarvoor zij dezelfde onvoldoende quoteringen ontving zoals reeds beslist door de buitengewone examencommissie eerste examenperiode”; dat volgens haar niet XII-3339-4\6 ontkend kan worden dat de tweede betwiste beslissing integraal steunt op de eerste bestreden beslissing, met uitzondering van de beoordeling inzake de thesis; 3.
  11. Overwegende dat, als gezien, de examencommissie van de tweede examenperiode bij de tweede bestreden beslissing besloot dat verzoekster niet geslaagd is; dat met die beslissing het resultaat over het al dan niet slagen van verzoekster voor het academiejaar is vastgesteld; dat evenwel de geschillenregeling die is voorgeschreven bij de artikelen 50 en volgende van het examenreglement een georganiseerd beroep is dat moet worden uitgeput vooraleer de Raad van State kan worden geadieerd; dat verzoekster erkent tegen de beslissing van de examencommissie van de tweede examenperiode dit beroep niet te hebben ingesteld; dat evenwel enkel de beslissing waarbij dergelijke beroepsprocedure definitief wordt afgesloten, de voor de Raad van State aanvechtbare eindbeslissing is; Overwegende dat het daarbij zonder belang is of verzoekster volgens diezelfde procedure wél een beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de examencommissie over de eerste examenperiode, aangezien de beslissing van de examencommissie over de tweede examenperiode hoe dan ook in de plaats is gekomen van de eerste bestreden beslissing; dat uit al hetgeen voorafgaat voorts blijkt dat verzoekster zich vergist omtrent de noodzaak om twee procedures in te leiden bij de Raad van State; dat het ongemak om haar eerdere grieven nogmaals te herhalen verzoekster ook niet vrijstelt om de beroepsprocedure na te leven; dat de vraag of de tweede bestreden beslissing onwettig is omdat zij steunt op eerder begane onwettigheden de grond van de zaak betreft, welke verzoekster precies éérst had moeten aankaarten door middel van het georganiseerd administratief beroep; Overwegende dat, aangezien verzoekster het georganiseerd administratief beroep niet heeft uitgeput, aangenomen moet worden dat zij ook niet ontvankelijk bij de Raad van State een annulatieberoep aanhangig kan maken; dat hieruit volgt dat ook wat betreft de tweede bestreden beslissing het beroep niet ontvankelijk is, XII-3339-5\6 BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien november 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3339-6\6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.380 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.