id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.381 Rolnummer: A. 75632/XII-358 Zaak: Arrest 151381 - - 17/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 04:49 Fiche Arrest nr 151.381 van 17 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.381 van 17 november 2005 in de zaak A. 75.632/XII-
- In zake : Noël VANCLOOSTER, wonende te Torhout, Ronde Vijverstraat 11 A tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS. tussenkomende partij : Karel GEERS, die woonplaats kiest bij advocaat Y. Werbrouck, kantoor houdende te Roeselare, Beversesteenweg
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Noël Vanclooster op 10 september 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing waarbij : - Karel Geers gemuteerd werd naar de betrekking nr. 29.434 aan het K.T.A. Sint-Michiels als leraar secundair onderwijs T.V. Electronica, derde graad T.S.O. - aan de mutatieaanvraag van verzoeker naar deze betrekking geen gunstig gevolg kon worden gegeven”; Gelet op het arrest nr. 69.372 van 4 november 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek van de verzoekende partij tot voortzetting van de procedure; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 3 april 1998; XII-358-1\8 Gelet op de beschikking van 20 april 1998 die de tussenkomst van Karel Geers toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. Verhulst; Gelet op de beschikking van 20 april 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Fransen, die loco advocaat M. Stommels verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is vast benoemd als leraar technische vakken en beroepspraktijk in het secundair onderwijs. XII-358-2\8 Hij is sedert 1 oktober 1989 gereaffecteerd naar of tijdelijk geaffecteerd aan het KTA Sint-Michiels (Brugge). 1.
- Op 13 mei 1997 dient hij een aanvraag tot mutatie in voor de betrekking nr. 29.434 aan het KTA Sint-Michiels, dit is een betrekking als leraar technisch vak elektronica in het secundair onderwijs, derde graad TSO. Hij beroept zich daarbij op het eenmalige mutatierecht ex artikel 94 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs (hierna : “rechtspositiedecreet”). 1.
- Op 9 juni 1997 adviseert de lokale raad nr. 297 de centrale raad om de mutatie toe te staan aan Karel Geers, die zich ook op het eenmalige mutatierecht ex artikel 94 van het rechtspositiedecreet beroept. Zijn eindconclusie over de kandidatuur van verzoeker luidt als volgt : “De heer Vanclooster beschikt over een lager diploma dan de heer Geers, heeft minder bewijzen aangedragen m.b.t. zijn gehechtheid aan het [gemeenschapsonderwijs] en presteerde 'slechts' goed in het interview. Zijn globale dienstanciënniteit is - zonder discussie - groter. De anciënniteit in het gevraagde niveau (HSO) en in de specialiteit (TV Electronica 3de graad TSO) is evenwel minder dan 8 jaar (want slechts begonnen vanaf 01.09.89)”. 1.
- Op 10 juni 1997 wordt het advies van de lokale raad om Karel Geers de mutatie toe te staan per brief aan verzoeker ter kennis gebracht. Op 15 juni 1997 dient verzoeker een bezwaarschrift in hiertegen. Op 20 juni 1997 verwerpt de lokale raad verzoekers bezwaren en bevestigt hij zijn advies met betrekking tot de bewuste mutatie. 1.
- Op 27 juni 1997 dient verzoeker een tweede bezwaarschrift in, thans bij de centrale raad. 1.
- Bij brief van 17 juli 1997 wordt hem gemeld : “Ik deel U mee dat aan de aanvraag voor de volgende betrekking geen gunstig gevolg kon worden gegeven wegens de bijvermelde reden. 1 Betrekking nr.29434 (1 FT) aangevraagd voor mutatie volgens art. 94 DRP KTA SINT-MICHIELS LERAAR SO TV ELEKTRONICA 3e gr TSO Afgewezen omdat de betrekking werd toegewezen aan andere kandidaat of u kreeg meer prioritaire keuze”. XII-358-3\8 1.
- Bij brief van 15 september 1997 deelt de Argo aan verzoeker nog mee dat het vast bureau in zijn zitting van 14 juli 1997 zowel het advies van de lokale raad als de door verzoeker geformuleerde bezwaren heeft onderzocht. In de brief wordt concluderend gesteld “dat de lokale raad 297 geen procedurefouten heeft gemaakt en dat er bij het verstrekken van het advies geen scheeftrekkingen werden vastgesteld tussen de geformuleerde motivatie en de gegeven rangschikking per criterium”, dat het vast bureau “in zijn zitting van 14 juli 1997, agendapunt 4.20 beslist [heeft] uw bezwaarschrift van 27 juni 1997 ontvankelijk doch ongegrond te verklaren” en dat de “beslissing van de lokale raad 297 waarbij de heer K. Geers gunstig wordt geadviseerd voor mutatietoewijzing via het éénmalig mutatierecht (artikel 94 DRP) in de betrekking 29434 297 werd gevolgd door het Vast Bureau waardoor aan de heer K. Geers mutatie werd verleend in de betrekking 29434 297 m.i.v. 1 juli 1997”. Voorts wordt opgemerkt dat zijn klacht dat er gegevens uit zijn dossier werden opgevraagd, concreet: dat het benoemingsbesluit van verzoeker werd ingezien door een syndicaal afgevaardigde, los staat van het advies dat door de lokale raad is geformuleerd en dat de leden van de raad niet op de hoogte waren van dit feit ten tijde van de besluitvorming op 9 juni 1997, zodat dit element geen aanleiding kan geven tot het vernietigen van de beslissing van de lokale raad; De gegrondheid van het beroep 2.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing niet is gemotiveerd zoals de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991dat vraagt; dat hij herinnert aan het doel van de motiveringsplicht en stelt geen vrede te moeten nemen met de mededeling van de motieven nadat hij de hem ter beschikking staande rechtsmiddelen heeft aangewend; dat hij stelt niet te weten welke motieven in casu aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, dat hij “zeer uitvoerig [heeft] aangegeven waarom hij meende beter te moeten scoren dan de aangevochtene” met betrekking tot het bekwaamheidsbewijs, de anciënniteit en de gehechtheid aan het gemeenschapsonderwijs; Overwegende dat verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord dat verzoeker de motieven meer dan voldoende blijkt te kennen; dat zij daarbij verwijst naar het door verzoeker zelf gegeven feitenrelaas, naar het hem door de lokale raad bezorgde antwoord op het beroep van 20 juni 1997 en naar de brief van de Argo-administratie; XII-358-4\8 Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord dupliceert dat de motivering “Afgewezen omdat de betrekking werd toegewezen aan andere kandidaat of u kreeg meer prioritaire keuze” een schoolvoorbeeld is van een ongeoorloofde gestandaardiseerde motivering die bovendien onnauwkeurig is aangezien er twee mogelijke redenen voor de afwijzing worden aangehaald; dat hij bemerkt dat evenmin verwezen wordt naar voorbereidende handelingen, zoals adviezen, waarop de bestreden beslissing zou zijn gesteund; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie argumenteert dat op geen van beide door hem ingediende bezwaarschriften formeel werd geantwoord en dat de aangehaalde bezwaren niet werden weerlegd; dat hij voorts uiteenzet “dat de invulling van de criteria en de daaraangekoppelde kwotering onjuist is” en zulks illustreert aan de hand van een volgens hem verkeerde berekening van de anciënniteit; 2.
- Overwegende dat de mededeling in de brief van 17 juli 1997 “omdat de betrekking werd toegewezen aan andere kandidaat of u kreeg meer prioritaire keuze” surreëel kan worden genoemd; dat er in die brief inderdaad ook niet uitdrukkelijk wordt verwezen naar het advies van de lokale raad; dat verzoekers argumenten daaromtrent echter kritiek op de kennisgeving van de beslissing betreft, en niet kritiek op de beslissing zelf of haar motieven; dat het evenwel van de bestuurshandeling zelf is waarin de beslissing is opgenomen, dat de aangevoerde wet van 29 juli 1991 een uitdrukkelijke motivering eist; Overwegende dat verzoeker terecht herinnert aan het doel van die wet, welke er in is gelegen de betrokkene in kennis te stellen van de redenen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, tegen dat besluit kan verweren door aan te tonen dat de tot uiting gebrachte motieven niet gegrond zijn; dat daaruit volgt dat, wanneer de betrokkene op een andere wijze dan door de formele motivering de motieven van de bestuurshandeling heeft leren kennen en die kennisneming zich heeft voorgedaan in omstandigheden die zijn recht om zich in rechte te verweren tegen die handeling niet in het gedrang brengen, te zijnen opzichte het doel van de formele motivering is bereikt; Overwegende dat het vast bureau bij zijn beslissing van 14 juli 1997 wel degelijk het advies van de lokale raad heeft gevolgd; dat verzoeker zelf XII-358-5\8 erkent, blijkens de door hem opgestelde bezwaarschriften, kennis te hebben gekregen van het advies van de lokale raad en de beoordelingsfiche te hebben ontvangen; dat hij zelf toegeeft in zijn bezwaarschrift “zeer uitvoerig” te hebben kunnen reageren met betrekking tot élk van de in het advies in aanmerking genomen elementen; dat hij bovendien van de lokale raad een weerlegging ontving van zijn bezwaarschrift, waarbij door het bestuur op zijn argumenten telkens wordt ingegaan; dat een andere vraag is of die antwoorden bevredigend zijn; dat dit een zaak is van materiële, en niet meer van formele motivering; dat echter vanuit het oogpunt van de in het middel aangevoerde formele-motiveringsplicht dient vastgesteld dat verzoeker ter dege kennis had van de toegepaste criteria, van de in concreto toegekende punten, van het advies van de lokale raad en van diens argumenten om de bezwaren van verzoeker niet te aanvaarden; dat, nu hij van dit alles op de hoogte was vooraleer hij het voorliggende beroep heeft ingesteld, verzoeker bijtijds een volledig zicht blijkt te hebben gehad van de concrete redenen die het bestuur tot zijn beslissing hebben geleid zodat het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt; dat het middel niet tot nietigverklaring kan leiden; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie voor het eerst, en bijgevolg te laat, een eerste poging onderneemt om die motieven in de procedure voor de Raad van State ook inhoudelijk aan kritiek te onderwerpen; dat, voor zover hij in het middel thans ook de materiële motiveringsplicht aan de orde wil brengen, die nieuwe invulling ervan onontvankelijk is; 3.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert dat de procedure die tot de bestreden beslissing heeft geleid onregelmatig is “daar een tegenkandidaat er, ook indirect, niet toe gerechtigd is het individueel dossier van een medekandidaat in te kijken teneinde hem de toegang tot de betrekking te vergemakkelijken”; dat hij hier aan toevoegt dat “deze onregelmatigheid [...] door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer als een inbreuk op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer [werd] aangemerkt”; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord voorbehoud formuleert bij de bewering van verzoeker maar opmerkt dat, mocht ze waar zijn, dit de leden van de lokale raad niet heeft kunnen beïnvloeden omdat de personen die volgens verzoeker gegevens uit het personeelsdossier zouden hebben XII-358-6\8 opgevraagd niet aan de behandeling van de dossiers deelnemen, zodat de beweerde inbreuk los staat van de huidige procedure; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord acteert dat bedoelde personen geen leden zijn van de lokale raad, maar meent “dat er onregelmatigheden zijn gebeurd waarmee geen rekening werd gehouden door de lokale raad” en “dat uit het dulden van deze praktijken, de vooringenomenheid van de lokale raad blijkt”; dat hij, aldus nog verzoeker in de laatste memorie, de garantie ontbeert dat zijn dossier vertrouwelijk werd behandeld en slechts toegankelijk was voor bevoegden; 3.
- Overwegende dat verzoeker kritiek formuleert over het feit dat zijn tegenkandidaat onrechtstreeks inlichtingen zou hebben opgevraagd uit zijn personeelsdossier, en zulks in strijd met het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer; dat verzoeker de verwerende partij niet tegenspreekt in de vaststelling dat de personen die volgens verzoeker gegevens uit zijn personeelsdossier zouden hebben opgevraagd geen lid zijn van de lokale raad en niet aan de behandeling van de dossiers deelnemen; dat een eventuele inbreuk door derden op de hoger vermelde wet van 8 december 1992 op zich niet de regelmatigheid van de door de lokale raad gevolgde procedure aantast; dat verzoeker voorts ook niet verduidelijkt, laat staan aantoont, hoe dit gebeuren de besluitvorming in de lokale raad tóch negatief heeft kunnen beïnvloeden; dat hij het houdt bij loutere beweringen en verdachtmakingen over de beweerde vooringenomenheid van de lokale raad; dat hij de vermeende partijdigheid van de lokale raad en de weerslag van de beweerde inbreuk op de bestreden beslissing geenszins tastbaar maakt; dat de Raad er dan ook geen rekening mee mag houden; dat het middel niet wordt aangenomen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-358-7\8 De kosten van de tussenkomst in de vordering tot schorsing en in het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien november 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-358-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.381 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.69.372 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.