← België

Arrest 151382 - - 17/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.382 Rolnummer: A. 96152/XII-2932 Zaak: Arrest 151382 - - 17/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-30 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 04:49 Fiche Arrest nr 151.382 van 17 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.382 van 17 november 2005 in de zaak A. 96.152/XII-

  1. In zake :
  2. de VZW LANDELIJK SPORTSCHUTTERS VERBOND FROS,
  3. Kris GULDIX, die woonplaats kiezen bij advocaat J. Mertens, kantoor houdende te Gent, Bagattenstraat 124 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door :
  4. de minister van Justitie,
  5. de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiezen bij advocaten P. Hofströssler en O. Vanhulst, kantoor houdende te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5-
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat VZW Landelijk Sportschutters Verbond FROS en Kris Guldix op 2 oktober 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 13 juli 2000 tot bepaling van de erkenningsvoorwaarden van schietstanden; Gelet op het arrest nr. 96.026 van 13 mei 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 19 juli 2001 ingediend door verzoekers; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; XII-2932-1/8 Gelet op de beschikking van 19 maart 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Erauw, die loco advocaat J. Mertens verschijnt voor verzoekers, en van advocaat B. Schutyser, die loco advocaat P. Hofströssler verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het, behoudens wat de kosten betreft, eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  7. Overwegende dat artikel 1, § 1, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie (hierna: de wapenwet) luidt : “Alleen de natuurlijke personen of rechtspersonen die zijn erkend door de gouverneur van de provincie waar zij voornemens zijn hun activiteit uit te oefenen, worden gemachtigd vuurwapens, onderdelen ervan of munitie te vervaardigen, te herstellen of op te slaan, alsook daarin handel te drijven of als tussenpersoon in die handel op te treden. De gouverneur doet uitspraak over de aanvraag om erkenning na ontvangst van het met redenen omkleed advies van de procureur des Konings van het arrondissement en van de burgemeester van de gemeente waar de verzoeker voornemens is zijn activiteit uit te oefenen. Ingeval de erkenning geheel of gedeeltelijk geweigerd wordt, kan de verzoeker in beroep gaan bij de Minister van Justitie, op de wijze die de Koning bepaalt. De erkenning kan alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde. Elke beslissing tot weigering vanwege de Minister of de provinciegouverneur moet met redenen omkleed zijn”; XII-2932-2/8 Overwegende dat artikel 14ter van de wapenwet, zoals ingevoegd bij artikel 19 van de wet van 18 juli 1997, voorschrijft : “Alleen de natuurlijke personen of rechtspersonen die overeenkomstig artikel 1 zijn erkend, worden gemachtigd om een schietinstallatie voor vuurwapens, al dan niet gelegen in een gesloten lokaal, uit te baten, of af en toe of regelmatig oefeningen voor sportschieten te organiseren. De Koning bepaalt de erkenningsvoorwaarden op voorstel van de Ministers die bevoegd zijn voor Justitie en Binnenlandse Zaken. Dit artikel is niet van toepassing op de sportinstallaties of de schietoefeningen die enkel bestemd zijn voor de opleiding of de training van de ambtenaren van de diensten van het openbaar gezag of voor de openbare macht die overeenkom- stig artikel 22, derde lid, worden aangeduid”; Overwegende dat op 13 juli 2000 de Koning de erkenningsvoorwaarden van schietstanden vaststelt; dat het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad van 13 juli 2000 bekendgemaakt wordt;
  8. Overwegende dat verzoekende partijen drie middelen aanvoeren; dat, zoals ter terechtzitting uitdrukkelijk wordt bevestigd, de eerste twee wezenlijk het artikel 3, 1/, van het koninklijk besluit van 13 juli 2000 viseren; dat deze bepaling reeds vernietigd is geworden bij arrest van de Raad van State inzake A.S.B.L. Cercle de Tir Mouscronnois, nr. 129.536 van 19 maart 2004; dat bijgevolg de middelen geen voorwerp meer hebben; dat zij verworpen worden; 3.
  9. Overwegende dat in een derde middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 2 en 8 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, van de privacy en van het fundamenteel recht op veiligheid van de burger; dat in een eerste onderdeel wordt uiteengezet dat artikel 3, 4/, van het koninklijk besluit van 13 juli 2000 een manuele verwerking van persoonsgegevens oplegt waarbij de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer niet verzekerd is, aangezien niet kan verhinderd worden dat de ene schutter of monitor kennis neemt van de persoonsgegevens van al de vóór hem binnengekomen bezoekers; dat in een tweede onderdeel wordt betoogd dat “die gegevensverwerking niet onder te brengen is in één van de categorieën van uitsluitend geoorloofde verwerkingen van persoonsgegevens van de door of krachtens de wet vastgestelde doeleinden, zoals opgesomd in art. 8, §1 van de Wet bescherming persoonlijke levenssfeer”; dat in de toelichting wordt uiteengezet dat iedereen die toegang heeft tot de schietstand meteen ook toegang kan krijgen tot alle persoonsgegevens van “verzoeker”, dat die gegevens vrijelijk in het publiek domein kunnen komen met als gevolg een aanzienlijk XII-2932-3/8 verhoogde bedreiging van zijn have en goed, dat het volstaat voor een potentiële inbreker die op wapens uit is om alle adressen en wapens te noteren uit de registers en gericht te gaan inbreken; Overwegende dat verzoekende partijen daar in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nog aan toevoegen dat het kwestieuze register een bestand is dat toegankelijk is volgens het criterium van “de datum van geregistreerde betreding van de schietstand”, dat ook de naam een bepaald criterium kan zijn om opzoekingen te verrichten aangezien het “mogelijk en toegestaan [is] om een bladzijde per lid van de schietclub te reserveren en daarin iedere keer chronolo- gisch de aanwezigheden te vermelden”, dat “[o]ok al is een dergelijk bestand allicht wettelijk toegelaten voor taken van openbaar belang of uitoefening van het openbaar gezag”, dit niet wegneemt “dat elke schutter of instructeur er noodzakelijkerwijs inzage kan en zelfs moet van nemen bij elk bezoek”, dat de manuele verwerking dus “absoluut niet op een veilige manier” gebeurt en kennelijk strijdig is met artikel 16, § 2, van de wet van 8 december 1992, dat dit probleem zeer eenvoudig vermeden kan worden door de naam en het adres te vervangen door het nationaal nummer of het paspoortnummer, dat verwerende partij wel beweert dat de vermelding van het rijksregisternummer volstaat als identificatie, maar dit tegen de tekst van artikel 3, 4/, van het bestreden besluit ingaat; 3.
  10. Overwegende dat artikel 3, 4/, van het koninklijk besluit van 13 juli 2000 luidt als volgt : “aan de toegang tot de schietruimten moeten vastbladige registers worden neergelegd, waarin elke particuliere schutter en elke schietmonitor telkens zijn naam en zijn adres noteert, evenals het type en kaliber van het vuurwapen waarmee hij zal schieten, evenals de datum en het juiste uur waarop hij de schietruimte betreedt en weer verlaat. De bladzijden van deze registers moet vooraf worden genummerd en geviseerd door de gemeentepolitie. De personen bedoeld in artikel 24 van de wapenwet moeten er steeds inzage van hebben. Ze moeten gedurende tien jaar worden bewaard”; 3.
  11. Overwegende, met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel, dat het recht op privacy of op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer een grondrecht is, dat gewaarborgd wordt door onder meer artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens; dat die artikelen echter niet in een absoluut recht voorzien; dat het recht kan worden onderworpen aan beperkingen, bijvoorbeeld beperkingen die in een democratische samenleving “nodig” zijn in het belang van de openbare veiligheid en XII-2932-4/8 ter bescherming van de openbare orde; dat, om “nodig” te zijn, de beperkingen de evenredigheidstoets dienen te doorstaan; Overwegende dat het recht op privacy nader geconcretiseerd wordt door de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens; dat, zonder uit te maken of de wet wel van toepassing is met betrekking tot het houden van het register bedoeld in het hoger aangehaalde artikel 3, 4/, de Raad van State er te dezen mee volstaat vast te stellen dat ook het recht van iedere natuurlijke persoon op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer inzake de verwerking van persoonsgegevens die op hem betrekking hebben, waarin het artikel 2 van de wet voorziet, niet absoluut is; dat het kan beperkt worden op voorwaarde dat de persoonsgegevens slechts verwerkt worden voor duidelijk omschreven en wettige doeleinden en dat zij, uitgaande van die doeleinden, toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn (artikel 5 van de wet) - dus op voorwaarde, alweer, dat aan het evenredigheidsbeginsel voldaan is; dat met ingang van 1 september 2001 de wet, in artikel 5, eerste lid, e, met zoveel woorden als wettig doeleinde onder meer opgeeft: “wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van openbaar belang of die deel uitmaakt van het openbaar gezag, die is opgedragen aan de verantwoordelijke voor de verwerking of aan de derde aan wie de gegevens worden verstrekt”; 3.
  12. Overwegende dat het bestreden besluit, inbegrepen het artikel 3, 4/, uitvoering geeft aan artikel 14ter van de wapenwet; dat er tijdens de parlementaire voorbereiding van laatstgenoemd artikel door de minister van Binnenlandse Zaken op gewezen is “dat de sector van de schietstanden nog niet voldoende gereglementeerd en gezuiverd is” en dat het “van het grootste belang [is] deze sector uit de criminele sfeer te houden”; dat de minister tevens verklaarde : “Regelmatig zien we immers banden tussen organisaties van twijfelachtig allooi en deze schietstanden. Vandaar de noodzaak om dringend het kaf van het koren te scheiden” (Parl. St., Kamer, 1996-97, 934/3, 22); dat het in dit licht is dat de verwerende partij in een verplichting voor elke particuliere schutter en schietmonitor heeft voorzien tot registratie van zijn gebruik van de schietruimten van een schietstand; dat, louter op zich, die verplichting geacht kan worden noodzakelijk te zijn voor de controle op de naleving van de wapenwet en van de regeling inzake de schietstanden, en dus nodig voor het algemeen belang, meer bepaald de openbare orde en veiligheid; XII-2932-5/8 3.
  13. Overwegende dat de verzoekende partijen dat niet echt betwisten; dat hun kritiek niet wezenlijk het principe van de registratie betreft, maar alleen de manier waarop zij volgens het artikel 3, 4/, van het aangevochten besluit dient te gebeuren; dat die huns inziens onvoldoende garandeert dat van de geregistreerde gegevens geen kennis kan worden genomen door anderen, al dan niet ook particuliere schutters of schietmonitoren, waardoor “het register voor eventuele malafide bezoekers een goede bron van informatie [zal] zijn betreffende de adressen waar bepaalde wapens voorhanden zijn en dus ook ontvreemd kunnen worden”; dat zij zodoende de proportionaliteit betwisten tussen de precieze wijze van de registratie en het doel dat met de registratie is beoogd; Overwegende dat het voorschrift van artikel 3, 4/, in zijn context moet worden gezien, en meer bepaald in het licht van de waarborgen die het geheel van de regelgeving eventueel biedt; dat het voorschrift bepaalt dat vastbladige registers dienen te worden neergelegd aan de toegang tot de schietruimten, waarin een particuliere schutter en schietmonitor “telkens” zijn naam en adres moet noteren, het type en kaliber van het vuurwapen waarmee hij zal schieten, en datum en uur waarop hij de schietruimte betreedt en weer verlaat; dat niet ten onrechte de verwerende partij er op wijst dat uit de voorlaatste zin van het artikel 3, 4/, mag worden afgeleid dat de inzage van het register is voorbehouden aan de “personen bedoeld in artikel 24 van de wapenwet”; dat anderen er niets in te “zoeken” hebben; dat, daarbij, niet zomaar om het even wie toegang heeft tot de schietstand; dat artikel 5 van het aangevochten besluit nader bepaalt welke categorieën van personen van schietstanden mogen gebruik maken; dat het, benevens sommige ambtenaren, alleen om bewakingsagenten en particuliere schutters gaat; dat artikel 3, 3/, vereist dat zij -de bewakingsagenten en de particuliere schutters- jaarlijks een getuigschrift van goed zedelijk gedrag aan de uitbater overhandigen; dat, nog, artikel 3, 11/, in de opstelling voorziet, door de uitbater, van een huishoudelijk reglement voor alle personen die toegang hebben tot de schietstand; dat daarin regels omtrent het hanteren van het register kunnen worden opgenomen; dat de bepaling de uitbater opdraagt op de naleving van het huishoudelijk reglement toe te zien; dat trouwens artikel 3, 6/, uitdrukkelijk voorschrijft dat de uitbater aanwezig moet zijn telkens er schietactiviteiten plaatsvinden; Overwegende dat tegen die achtergrond het zijdelingse effect dat het voorschrift van artikel 3, 4/, op het aangevoerde recht van privacy en veiligheid kan hebben, doordat de geheimhouding van de geregistreerde gegevens niet absoluut XII-2932-6/8 vaststaat, zeer hypothetisch en miniem moet worden geacht; dat dit, louter volledigheidshalve, zelfs nog des te meer het geval is indien, zoals de verzoekende partijen menen, het vastbladige register als een bestand in de zin van de wet van 8 december 1992 te beschouwen is en de beschermingsregeling van die wet van toepassing is; dat de wet, in haar toentertijd geldende versie, de houder van het bestand uitdrukkelijk verplichtte ervoor te zorgen dat de persoonsgegevens alleen kunnen worden meegedeeld aan wie gerechtigd is toegang te hebben (artikel 16, § 1, 5/), bij overtreding van de verplichting in een strafsanctie voorzag (artikel 38) en de houder van het bestand formeel opdroeg de gepaste technische en organisatorische maatregelen te treffen nodig voor de bescherming van de bestanden tegen de toegang tot persoonsgegevens (artikel 16, § 3); Overwegende dat de aangeklaagde weerslag op het recht op privacy, en daardoor op het zogenaamde recht op veiligheid, zodanig weinig waarschijnlijk en verwaarloosbaar voorkomt dat de registratie die het artikel 3, 4/, van het aangevochten besluit vereist, niet als te ruim en disproportioneel mag worden beschouwd ten opzichte van het nagestreefde, legitieme doel van algemeen belang; dat het eerste onderdeel van het besproken middel ongegrond is; 3.
  14. Overwegende, met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel, dat overeenkomstig het aangevoerde artikel 8, § 1, van de wet van 8 december 1992, zoals het toentertijd gold, de verwerking van persoonsgegevens met betrekking tot de in het voorschrift opgesomde gerechtelijke aangelegenheden “slechts geoorloofd [is] voor de door of krachtens de wet vastgestelde doeleinden”; dat evenwel de persoonsgegevens die volgens het artikel 3, 4/, van het bestreden besluit in het vastbladige register aan de toegang tot de schietruimten genoteerd moeten worden, geen dergelijke gerechtelijke persoonsgegevens betreffen; dat derhalve, ongeacht of de wet van 8 december 1992 te dezen wel van toepassing is, het tweede onderdeel van het derde middel hoe dan ook ongegrond is; 3.
  15. Overwegende dat het middel in zijn geheel ongegrond is;
  16. Overwegende dat er in de concrete omstandigheden van de zaak, gelet op het overwogene sub 2., reden is de kosten van het geding ten laste van de verwerende partij te leggen, XII-2932-7/8 BESLUIT: Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  18. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien november 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2932-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.382 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.96.026 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.