← België

Arrest 151383 - - 17/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.383 Rolnummer: A. 67116/XII-2583 Zaak: Arrest 151383 - - 17/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-03 04:49 Fiche Arrest nr 151.383 van 17 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.383 van 17 november 2005 in de zaak A. 67.116/XII-

  1. In zake : Rosette KERINCKX, die woonplaats kiest bij advocaat K. Ronse, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20 tegen :
  2. de GEMEENTE KAMPENHOUT, die woonplaats kiest bij advocaat N. Vandebroek, kantoor houdende te Leuven, C. Meunierstraat 111
  3. het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rosette Kerinckx op 11 januari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 september 1995 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kampenhout om haar de tuchtstraf op te leggen van schorsing van een maand met inhouding van wedde voor het bedrag dat het bestaansminimum overschrijdt, en van het besluit van 29 november 1995 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting tot goedkeuring van de collegebeslissing; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 23 mei 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-2583-1/11 Gelet op de beschikking van 23 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 april 2005; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Ronse, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat J. Fonteyn, die loco advocaat N. Vandebroek verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kalmthout op 7 februari 1995 verzoekster, vast benoemd opsteller en werkzaam op de rekendienst, aanduidt als verantwoordelijke “inzake oprichting P.W.A.”; dat het schepencollege haar op 14 februari 1995 ook er mee belast om, in samenwerking met H. Kemps, waarnemende gemeentesecretaris, het “voorbereidend werk voor opstarting Nieuw Administratief en Geldelijk Statuut” te verrichten; dat het college tevens beslist dat de opdrachten met betrekking tot het P.W.A. en het nieuwe statuut moeten worden uitgevoerd op de dienst secretariaat, op maandag-, dinsdag-, donderdag- en vrijdagnamiddag, met ingang van 1 maart 1995; Overwegende dat verzoekster op maandag 6 en dinsdag 7 maart 1995 niet op de dienst secretariaat werkt; dat het college op 7 maart 1995 zijn beslissing van 14 februari 1995 handhaaft; dat het college op 14 maart 1995 de beslissingen van 14 februari 1995 en 7 maart 1995 handhaaft; dat op 3 april 1995 de burgemeester een onderhoud heeft met verzoekster; dat, volgens het verslag van de burgemeester aan het schepencollege, verzoekster weigert deeltijds te werken op het secretariaat en verklaard heeft niet te willen samenwerken met H. Kemps; dat het college op 4 april 1995 zijn beslissingen van 14 februari 1995, 7 maart 1995 en 14 maart 1995 handhaaft; dat het schepencollege tijdens zijn zitting van 18 april 1995 verzoekster telefonisch laat oproepen om toelichting te komen verstrekken bij haar weigering op de dienst secretariaat te werken; dat verzoekster niet alleen wil verschijnen, “desnoods wel met een raadsman”; dat het college dienvolgens beslist haar te ontbieden naar de zitting van 25 april 1995; dat tijdens die zitting verzoekster XII-2583-2/11 en haar raadsman bepleiten dat het college op de beslissing in verband met verzoeksters werkplaats zou terugkomen; dat, nog dezelfde dag, het college daar niet op ingaat en zijn vorige beslissingen ter zake handhaaft, er aan toevoegend : “Deze schepencollegebeslissing geldt als laatste waarschuwing. Bij niet gunstige gevolgver- lening zal een tuchtprocedure worden ingeleid”; Overwegende dat het schepencollege op 2 mei 1995 vaststelt dat verzoekster die dag andermaal niet op het secretariaat is opgedaagd, en aan de waarnemende gemeentesecretaris opdraagt een tuchtverslag tegen haar op te stellen; dat het schepencollege op 18 juli 1995 kennis neemt van het tuchtverslag van dezelfde dag van de waarnemende gemeentesecretaris, en beslist verzoekster op 12 september 1995 te horen over: “Pertinente weigering om werkzaamheden verbonden aan oprichting P.W.A. en voorbereiding opstarting Nieuw Administratief en Geldelijk statuut te verrichten op secretariaat op maandag-, dinsdag-, donderdag- en vrijdagnamiddag. Weigert derhalve de gedeeltelijke uitvoering van SK-besluiten dd. 14.2.95 - 7.3.95 - 14.3.95 - 4.4.95 - 25.4.95”; dat verzoekster met brief van 16 augustus 1995 naar de hoorzitting wordt uitgenodigd; Overwegende dat het college haar op 26 september 1995 voor het ten laste gelegde feit de tuchtstraf oplegt van een maand schorsing, met inhouding van wedde voor het bedrag dat het bestaansminimum overschrijdt; dat onder meer wordt gemotiveerd dat “zij halsstarrig blijft weigeren deeltijds een andere standplaats in te nemen”; dat, op beroep van verzoekster, de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting bij besluit van 29 november 1995 de tuchtstraf goedkeurt;
  5. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel aanvoert dat het onpartijdigheidsbeginsel geschonden is; dat wordt toegelicht dat het college van burgemeester en schepenen zich reeds vóór de tuchtzitting in bepaalde beslissingen negatief over verzoekster had uitgelaten en dat de aangeklaagde partijdigheid niet in de eigen aard en structuur van de gemeentelijke administratie zijn oorsprong vindt, maar hierin dat het schepencollege “nadat het had laten verstaan dat een tuchtproce- dure zou worden opgestart ten laste van verzoek[st]er, op een hardnekkige wijze in diverse beslissingen, die soms met totaal andere aangelegenheden dan de betrokken feiten hadden te maken, over verzoekster negatieve waarde-oordelen bleef uitspre- ken”; XII-2583-3/11 Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie stelt dat het “goed mogelijk [is] dat een te ruime toepassing van het beginsel dat niemand rechter kan zijn in zijn eigen zaak, de beginselen van de goede werking van de openbare dienst niet in het gevaar mag brengen”, maar dat daarmee niet verklaard is “waarom het college van burgemeester en schepenen voorafgaand aan de tuchtrechtelijke procedure dergelijke zware verwijten naar verzoekster moest richten”; Overwegende dat verzoekster ter bewijs dat het college van burgemeester en schepenen onmogelijk nog op een serene, objectieve en onpartijdige wijze over het haar ten laste gelegde vergrijp kon oordelen, citeert uit zes collegebeslissingen; Overwegende dat in de beslissingen van 1 augustus 1995 en 5 september 1995 het college bekritiseert dat verzoekster “de wetgeving aangaande syndicaal overleg” heeft voorbijgezien, respectievelijk dat zij misleidende informatie heeft verschaft in verband met de organisatie van een EHBO-cursus; dat de beslissingen totaal niets te maken hebben met verzoeksters weigering om deeltijds op het secretariaat te gaan werken; dat zij dan ook bezwaarlijk geacht kunnen worden een vooringenomenheid van het college met betrekking tot dit feit te staven; Overwegende dat in twee andere beslissingen -die van 4 en 18 april 1995- het schepencollege weliswaar laat verstaan niet ingenomen te zijn met de aanhoudende onwil van verzoekster om op het secretariaat te werken, maar zich uiteindelijk toch er toe beperkt om eens te meer zijn beslissing ter zake te handhaven en om te beslissen tot een gesprek met haar, nadat overigens eerder reeds de burgemeester een dergelijk gesprek voerde; dat de beslissingen er wezenlijk van doen blijken dat het college, verre van de zaken op de spits te willen drijven, juist heel veel geduld er voor over heeft om verzoekster er toe te brengen de gegeven instructies goedschiks na te leven; Overwegende, ten slotte, dat ook uit de beslissingen van 2 mei 1995 en 18 juli 1995 niet is af te leiden dat het college niet onpartijdig genoeg meer was om nog over de aan verzoekster ten laste gelegde tekortkoming te oordelen; dat in de beslissing van 2 mei 1995 het college de houding van verzoekster “onaanvaardbaar” noemt en, vervolgens, opdracht geeft aan de waarnemende gemeentesecretaris om een tuchtverslag op te stellen; dat in de beslissing van 18 juli 1995 het college, na kennisneming van het tuchtverslag, vaststelt dat verzoekster XII-2583-4/11 “reeds herhaaldelijk werd gewezen op haar plichten”, maar “halsstarrig blijft weigeren gevolg te verlenen aan collegebesluiten m.b.t. deeltijdse tewerkstelling op de dienst secretariaat, en blijkbaar niet voor rede vatbaar is”, en besluit haar te horen; dat noch in de ene, noch in de andere beslissing bewoordingen worden gebruikt die een prohibitieve animositeit in hoofde van het college doen vermoeden, of die tenminste uitwijzen dat het college zich al zodanig een mening heeft gevormd dat het niet meer geacht kan worden de voor een tuchtbeoordeling minimaal vereiste distantie te bezitten en redelijkerwijze nog in staat te zijn tot een onbevangen, objectieve tuchtuitspraak; Overwegende dat het middel ongegrond is;
  6. Overwegende dat een tweede middel de artikelen 282 en 301 van de nieuwe gemeentewet geschonden noemt; dat verzoekster uiteenzet dat haar enkel de weigering verweten wordt om een opdracht op een bepaalde plaats uit te voeren, dat dergelijke weigering hoogstens als disciplinair sanctioneerbaar kan worden beschouwd wanneer de hiërarchische overheid goede, met het belang van de dienst verband houdende redenen kan doen gelden waarom de opdracht juist op de welbepaalde plaats moet worden uitgeoefend, dat die redenen niet blijken, dat haar weigering verband houdt met de karakteriële onmogelijkheid om samen te werken met degene in wier bureau de toevertrouwde opdracht moet worden vervuld, dat overigens de weigering niet strafbaar is omdat zij niet uitging van de bevoegde hiërarchische meerdere, dat niet het schepencollege maar de gemeentesecretaris het hoofd van het gemeentepersoneel is, dat verzoekster een “pertinente weigering” wordt verweten, wijl pertinent betekent: gepast, doelmatig, juist, behoorlijk of zonder dat er iets tegen in te brengen is, en dat er in de tuchtstraf sprake is van een “halsstarrige weigering” ofschoon zij niet is uitgenodigd om zich daartegen te verweren; Overwegende dat de collegebeslissing van 26 september 1995 verzoekster straft omdat te haren aanzien “een duidelijke tekortkoming aan de beroepsplichten kan worden vastgesteld, meer bepaald een inbreuk op de gehoorzaamheid”; dat de ongehoorzaamheid hierop slaat dat verzoekster “halsstarrig blijft weigeren deeltijds een andere standplaats in te nemen” en, zodoende, “een efficiënte werking van de gemeentelijke administratie ten gronde verstoort en het gezag van het bestuur ten zeerste ondermijnt”; dat immers, aldus nog steeds de formele motivering van de tuchtstraf, “het college van in den beginne unaniem van XII-2583-5/11 mening was dat de uitbouw van een personeelsbeleid en de werkzaamheden verbonden aan de voorbereiding en opstarting van een Nieuw Administratief en Geldelijk Statuut beter ressorteerden onder de dienst secretariaat onder de direkte leiding van de gemeentesecretaris of diens vervanger, dan onder de rekendienst”; dat met dit laatste wordt herhaald wat ook al mondeling, op 25 april 1995, en schriftelijk, op 2 mei 1995, aan verzoekster werd meegedeeld, namelijk dat “het schepencollege van mening was dat in bepaalde gevallen een dienst beter kan renderen als een bepaald personeelslid wordt tewerkgesteld op een andere locatie” en dat “het schepencollege het recht [heeft] een poging te ondernemen het rendement te bevorderen door tewerkstelling op andere locatie + andere opdrachten”; Overwegende dat de formele motivering van de collegebeslissing afdoende aangeeft welke de “met het belang van dienst verband houdende” redenen zijn voor de deeltijdse tewerkstelling van verzoekster op het secretariaat; dat, in principe, die redenen toereikend zijn ter verantwoording dat “het ten laste gelegd feit als een strafbaar feit kan worden beschouwd waarvoor krachtens art. 282 N.G.W. een tuchtstraf kan worden opgelegd”; Overwegende, wat verzoeksters opwerping betreft dat het voor haar onmogelijk is om met de waarnemende gemeentesecretaris in het secretariaat samen te werken, dat die klacht niet nieuw is; dat, ofschoon het schepencollege hem bij herhaling heeft afgewezen, verzoekster omtrent de beweerde onmogelijkheid nooit in details is getreden of nadere bijzonderheden heeft verstrekt; dat zij het bij loutere affirmaties hield; dat alleszins bezwaarlijk als verhelderend kan worden beschouwd de enkele toevoeging die verzoekster in een nota van begin april 1995 deed, dat het “algemeen geweten” is dat samenwerking met de waarnemende gemeentesecretaris moeilijk is; dat de beweerde “karakteriële onmogelijkheid” niet vaststaat en geen verontschuldiging vormt voor verzoeksters gedrag; Overwegende, in zoverre verzoekster doet gelden dat de opdracht om op het secretariaat te werken onwettig zou zijn, dat het middel samenvalt met het derde middel, dat hierna ongegrond wordt bevonden; Overwegende, ten slotte, dat “pertinent” ook betekent: stellig, nadrukkelijk; dat de tuchtoverheid, door verzoekster een “pertinente weigering” te verwijten om op het secretariaat te werken, haar aldus ten laste legt dat zij beslist en koppig de instructies om werkzaamheden in het secretariaat te verrichten, naast zich XII-2583-6/11 blijft neerleggen; dat de eerste verwerende partij deze tenlastelegging in haar beslissing van 26 september 1995 gegrond bevindt, zeggende dat verzoekster “halsstarrig blijft weigeren deeltijds een andere standplaats in te nemen”; Overwegende, samenvattend, dat niet blijkt dat de eerste verwerende partij verzoekster heeft veroordeeld voor een tuchtfeit waarvan de oproeping, in strijd met artikel 301 van de nieuwe gemeentewet, geen melding maakte, noch dat zij de weigering van verzoekster om op het secretariaat te werken ten onrechte heeft beschouwd als een tekortkoming bedoeld in artikel 282, 1/, van de nieuwe gemeentewet, waarvoor een tuchtstraf kan worden opgelegd; dat het middel ongegrond is;
  7. Overwegende dat verzoekster in een derde middel de schending van artikel 26bis, § 2, van de nieuwe gemeentewet doet gelden, doordat de tuchtstraf het gevolg is van “het feit dat het College van Burgemeester en schepenen klaarblijkelijk uit het oog is verloren dat het de gemeentesecretaris is die de gemeentelijke diensten leidt en coördineert en die hoofd is van het personeel”; dat zij toelicht dat het college niet over de rechtens vereiste bevoegdheid beschikte om haar te verplichten in een ander bureau te gaan werken, en dat het middel de openbare orde raakt aangezien het betrekking heeft op de bevoegdheid van de steller van de handeling; Overwegende dat overeenkomstig artikel 26bis, § 1, van de nieuwe gemeentewet de secretaris de gemeentelijke diensten leidt en coördineert en hoofd van het personeel is, een en ander weliswaar “[o]nder het gezag van het college van burgemeester en schepenen”; dat, tevens, artikel 123, 10/, het college expliciet belast met het toezicht op de door de gemeente bezoldigde beambten, behalve op de leden van het politiekorps; Overwegende dat in het auditoraatsverslag uit de parlementaire voorbereiding van genoemd artikel 26bis afgeleid wordt “dat de praktische en daadwerkelijke invulling van de wettelijke opdrachten [van gemeentesecretaris en schepencollege] afhangt zowel van de ingesteldheid van de gemeentesecretaris als van de ruimte die door het gemeentebestuur daadwerkelijk geboden wordt”; dat er voorts in geoordeeld wordt dat de gemeentesecretaris als “hoofd van het personeel” niet over een exclusieve bevoegdheid ten opzichte van het gemeentepersoneel beschikt, maar als zodanig aan het gezag van het schepencollege is onderworpen en XII-2583-7/11 ook rekening moet houden met de bevoegdheid van het schepencollege op grond van artikel 123, 10/ ; dat de Raad van State het standpunt in het auditoraatsverslag bijvalt; Overwegende bijgevolg dat, gelet op de concrete omstandigheden te dezen, meer vermeld artikel 26bis niet er aan in de weg stond dat het schepencollege aan verzoekster opdroeg sommige werkzaamheden in samenwerking met de gemeentesecretaris te verrichten, op de dienst secretariaat; dat, blijkens de tuchtstraf en de memorie van antwoord van eerste verwerende partij, die concrete omstandigheden immers de volgende waren: er was een “feitelijke situatie” gegroeid waarbij de gehele personeelsadministratie werd afgehandeld op de rekendienst, door verzoekster, volgens het schepencollege was het beter “de hele personeelsproblematiek terug aan de Gemeentesecretaris toe te vertrouwen”, dit impliceerde dat ook de voorbereiding van het nieuw administratief en geldelijk statuut ressorteerde “onder de dienst secretariaat onder de direkte leiding van de gemeentesecretaris of diens vervanger”, deze voorbereiding leverde vanwege de langdurige ziekte van de gemeentesecretaris grote moeilijkheden op, zodat verzoekster, volledig met de personeelsdienst vertrouwd, als eerste in aanmerking kwam om mee de invoering van het nieuw administratief statuut te begeleiden; dat bij het voorgaande nog de reeds vermelde tegenzin van verzoekster komt om met de (waarnemende) gemeentesecretaris samen te werken, en zelfs om op normale wijze met haar te communiceren; dat in deze specifieke situatie het schepencollege niet geacht kan worden met haar interventie ten overstaan van verzoekster, de toezichts- bevoegdheid waarover het beschikt te buiten te zijn gegaan; Overwegende dat het middel niet gegrond is;
  8. Overwegende dat een vierde middel “de motiveringsplicht, opgelegd door art. 305, par. 3 van de gemeentewet en door de wet van 29 juli 1991” geschonden noemt; dat in het verzoekschrift, de memorie van wederantwoord en de laatste memorie wordt toegelicht dat niet duidelijk is “waarom de houding van verzoekster (weigering om de bijkomend opgedragen taken uit te voeren in een ander bureel dan dit waar zij haar gewone taken uitvoert) strijdig zou zijn met het belang van de dienst”; XII-2583-8/11 Overwegende dat hoger reeds, bij de bespreking van het tweede middel is aangenomen dat de formele motivering van de tuchtstraf van 26 september 1995 op afdoende wijze aangeeft om welke redenen verzoekster tuchtrechtelijk gestraft is en dat die redenen kunnen volstaan ter verantwoording dat zij aan haar beroepsplichten is tekortgeschoten; dat het middel ongegrond is;
  9. Overwegende dat volgens een vijfde middel het evenredigheidsbeginsel is miskend, doordat het college de zwaarste straf heeft opgelegd waartoe het overeenkomstig artikel 288 van de nieuwe gemeentewet bevoegd was, “zeker nu, zoals eerder ingeroepen, geen exact beeld wordt gegeven van hetgeen verzoekster ten laste kon worden gelegd, m.a.w. waarom het belang van de dienst concreet vereist dat op een andere plaats dan het gewone bureau van verzoekster moest worden gewerkt”; Overwegende dat de aangevochten tuchtstraf is opgelegd, niet voor één enkele weigering, maar voor een “halsstarrig”, obstinaat negeren van een gegeven instructie - halsstarrigheid waarvan verzoekster kennelijk maar niet af te brengen was, alle geduld en pogingen tot overreding vanwege de eerste verwerende partij ten spijt; dat het feitenrelaas sub 1 in dit verband sprekend is; dat de Raad van State de eerste verwerende partij dan ook bijvalt waar zij in de tuchtstraf met betrekking tot verzoeksters houding overweegt dat deze “het gezag van het bestuur ten zeerste ondermijnt” en dat “indien het schepencollege mevr. Kerinckx R. zou laten begaan, een precedent wordt geschapen”; dat niet aannemelijk wordt gemaakt dat de tuchtoverheid de haar toekomende discretionaire bevoegdheid bij de bepaling van de strafmaat is te buiten gegaan; dat in zoverre verzoekster het middel mee steunt op de gegrondheid van het vierde middel, moet worden vastgesteld dat dit middel hiervóór ongegrond bevonden is; dat ook het vijfde middel ongegrond is;
  10. Overwegende dat luidens een zesde middel de tuchtvordering verjaard was, aangezien zij pas werd ingesteld met de oproepingsbrief van 16 augustus 1995, hetzij meer dan zes maanden na de kennisname of de vaststelling van de strafbare feiten; Overwegende dat volgens artikel 317, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, de tuchtoverheid geen tuchtrechtelijke vervolging meer kan instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten; XII-2583-9/11 Overwegende dat de opdracht aan verzoekster om tijdelijk op de dienst secretariaat te werken voor het eerst werd gegeven bij collegebeslissing van 14 februari 1995, om in te gaan op 1 maart 1995; dat er dan ook bezwaarlijk reeds vóór 1 maart 1995 sprake kan zijn van een tekortkoming aan de opdracht, laat staan nog van de vaststelling of de kennisname van een “pertinente” of “halsstarrige” weigering om de opdracht na te leven; dat hieruit volgt dat de tuchtvordering die is ingesteld -op 16 augustus 1995- vóór het verstrijken van een termijn van zes maanden na 1 maart 1995, hoe dan ook tijdig is; dat het middel ongegrond is;
  11. Overwegende dat een zevende middel de schending aanvoert, door de ministeriële beslissing van 29 november 1995, van “het recht van verzoekster om in het kader van het administratief beroep de opportuniteit van de beslissing opnieuw te laten beoordelen”; dat verzoekster uit “de omstandig gemotiveerde goedkeuringsbeslissing” afleidt dat de minister geweigerd heeft “zowel de wettigheid als de opportuniteit, daaronder verstaan de grond van de zaak, te beoordelen”; Overwegende dat met zijn beslissing van 29 november 1995 de Vlaamse minister, op beroep van verzoekster, zijn goedkeuring heeft verleend aan het besluit van 26 september 1995 van het college van burgemeester en schepenen; dat hij daarmee deed kennen dat zijns inziens de betrokken tuchtstraf noch de wet schendt, noch het algemeen belang schaadt; dat, waar zijn beslissing formeel gemotiveerd moet zijn, het in de rede ligt dat die motivering zich toespitst op de bezwaren die verzoekster in haar beroepschrift had doen gelden teneinde de tuchtstraf niét te doen goedkeuren; dat verzoekster in haar beroep alleen wettigheidsgrieven heeft geuit - dezelfde als die welke zij ook in onderhavig beroep heeft aangevoerd, in het eerste, derde, vierde, vijfde en zesde middel ; dat, zoals de bespreking van die middelen uitwijst, de minister terecht van oordeel is geweest dat het college zich bij het opleggen van de tuchtstraf niet aan de beweerde onwettigheden schuldig heeft gemaakt; Overwegende dat niet blijkt dat de Vlaamse minister het recht van verzoekster om -op grond van artikel 5 van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel- beroep in te stellen tegen de collegebeslissing van 26 september 1995 tekort heeft gedaan en dat hij zijn bevoegdheid om die collegebeslissing al dan niet goed te keuren verkeerd zou hebben gebruikt; dat het middel niet gegrond is, XII-2583-10/11 BESLUIT: Artikel
  12. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien november 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2583-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.383 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.