id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.387 Rolnummer: A. 67690/XII-2139 Zaak: Arrest 151387 - - 17/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 04:49 Fiche Arrest nr 151.387 van 17 november 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.387 van 17 november 2005 in de zaak A. 67.690/XII-
- In zake : Maurice BLEYENBERGH, wonende te Kalmthout, Statiestraat 20/2, bus 7 tegen :
- de GEMEENTE KAPELLEN,
- het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maurice Bleyenbergh op 19 februari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
- de beslissing van 2 oktober 1995 waarbij de burgemeester van de gemeente Kapellen aan verzoeker de tuchtstraf oplegt van veertien dagen schorsing zonder wedde
- het besluit van 18 december 1995 waarbij de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, de voormelde beslissing van 2 oktober 1995 goedkeurt; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur-generaal M. Roelandt; Gelet op de beschikking van 1 september 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op het tussenarrest van de Raad van State, nr. 145.027 van 26 mei 2005 waarbij de debatten worden heropend, de gemeente Kapellen mee als verwerende partij wordt aangewezen en de terechtzitting vastgesteld wordt op 27 september 2005; XII-2139-1/10 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat Chr. Coen, die verschijnt voor verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1 Verzoeker is sedert 16 maart 1984 als politieagent werkzaam bij het politiekorps van de gemeente Kapellen. 1.
- Op 22 augustus 1995 worden drie tuchtverslagen over verzoeker opgesteld, het eerste door de inspecteur van politie A. Vennincx. Dit verslag beschrijft de weigerachtige houding van verzoeker om op vraag van Venninckx, met hoofdinspecteur E. Kinjet deel te nemen aan een preventiecampagne inzake autocriminaliteit. Waarnemend inspecteur van wacht P. Biegel beschrijft in een tweede verslag een tussenkomst van verzoeker betreffende een parkeerincident die van weinig inzet van verzoeker zou hebben getuigd. Diezelfde P. Biegel geeft in een derde verslag relaas van een gesprek onder andere met hemzelf en P. Briers waarin verzoeker zich negatief zou hebben uitgelaten over de werking van het korps. 1.
- Eveneens op 22 augustus 1995 zendt politiecommissaris H. Schryvers een tuchtverslag naar de burgemeester, met opgave van de feiten, en een tuchtvoorstel van een maand schorsing. Het luidt onder meer als volgt : “1/ Ingevolge de ordedienst voor de voetbalmatch Cappellen-Beerschot op 22.8.1995 werden door onze dienst verschillende maatregelen genomen, waaronder een korte introductie over het gebruik van de lange matrak. Inspecteur Vennincx werd door ons aangeduid als lesgever. Iedereen was vrij om aan deze oefening deel te nemen. XII-2139-2/10 Op maandag 21 augustus 1995 werd ik door de heer A. Vennincx, inspecteur van politie, in kennis gesteld dat politieagent-brigadier Bleyenbergh tegen een aantal collega’s had gezegd dat hij geen les wou krijgen van een fascistische Vlaams Blokker. Hiermee bedoelde bij duidelijk de inspecteur. Agent-brigadier Bleyenbergh heeft dit gezegd in het bijzijn van verschillende collega’s, waaronder de agenten Biegel en De Greef. Beide personen hebben dit ook bevestigd. 2/ Op 16.8.1995 weigerde agent-brigadier Bleyenbergh een opdracht van inspecteur Vennincx en trachtte de beide in dienst zijnde inspecteurs uit te spelen tegen elkaar. 3/ Van zijn collega’s zijn er signalen gekomen dat hij tracht insubordinatie te plegen door alles wat de werking van het politiekorps betreft in vraag te stellen en negatieve kritiek te geven. 4/ Op 21.8.1995 kreeg hij een opdracht van dienstdoende inspecteur Patrick Biegel. Agent-brigadier Bleyenbergh ging wel ter plaatse maar loste de situatie niet naar behoren op. (zie verslag P. Biegel) 5/ Van collega’s-patrouilleurs vernemen wij dat hij op bepaalde momenten een apathische houding aanneemt. De hele houding van agent-brigadier Bleyenbergh drukt zwaar op het korps zodat een tuchtmaatregel de enige oplossing is. Gesprekken in het verleden brachten geen keerpunt. Gelet op de ernst van de feiten en om reden dat het moreel van mijn gemotiveerde manschappen eronder lijdt stelt ondergetekende voor deze feiten te bestraffen met de tuchtstraf van 1 maand schorsing (die van rechtswege gepaard gaat met verlies van wedde, waarbij het bestaansminimum gewaarborgd blijft). Om reden dat zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst is een preventieve schorsing wenselijk. In bijlage : verslag 22.8.1995 opgemaakt door Patrick Biegel verslag 22.8.1995 opgemaakt door Patrick Biegel verslag 22.8.1995 opgemaakt door Alex Vennincx”. 1.
- Op 24 augustus 1995 wordt verzoeker uitgenodigd voor een verhoor op 19 september
- 1.
- Verzoekers raadsman dient op 18 september 1995 een schriftelijke verdedigingsnota in. Beiden worden gehoord op 19 september
- 1.
- Op 2 oktober 1995 neemt de burgemeester de eerste bestreden beslissing. Ze wordt als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de tenlasteleggingen als volgt kunnen samengevat worden : - ongepast taalgebruik (kwetsende taal t.a.v. een directe overste) - twee directe oversten tegen elkaar uitspelen XII-2139-3/10 - insubordinatie - niet naar behoren uitvoeren van opgelegde taken; Overwegende dat de heer M. Bleyenbergh tijdig en regelmatig naar vorm, overeenkomstig de bepalingen van art. 299 en volgende van de Nieuwe Gemeentewet, werd opgeroepen om te verschijnen voor de burgemeester om er te worden gehoord in zijn middelen van verdediging Overwegende dat de heer Bleyenbergh in zijn verdediging wordt bijgestaan door meester Coen, Mechelsesteenweg 210 A te 2018 Antwerpen; Gelet op de schriftelijke verdedigingsnota van Mr. Coen die bij het dossier gevoegd werd; Gelet op de mondelinge toelichtingen verstrekt tijdens de tuchtzitting van 19 september 1995; Overwegende dat op 19 september 1995 het verhoor plaatsvond; dat hiervan staande de vergadering een proces-verbaal van verhoor werd opgemaakt, door alle partijen ondertekend; Gelet op het voorstel van de commissaris om de heer Bleyenbergh de tuchtstraf van 1 maand schorsing op te leggen; Overwegende dat de heer Bleyenbergh (verder Bij navraag blijkt trouwens dat alle stukken van het tuchtdossier gekopieerd werden en overhandigd aan betrokkene; Overwegende dat wat de tenlastelegging betreft voor het ongepaste taalgebruik gestaafd wordt door de neergeschreven verklaringen van de agenten De Greef en Biegel Hieruit blijkt duidelijk dat de uitspraak ‘Fascistisch Vlaams- Blokker’ gericht was op zijn meerdere Alex Vennincx (zie geschreven verklaring P. Biegel). De zorgvuldigheidsplicht van de commissaris is voldoende uitgevoerd gezien de verklaring van 2 personen. Het is dan ook overbodig om nog meer personen hieromtrent te ondervragen. De bewering van de verdediging dat het onderzoek inzake deze feiten, onvolledig en gebrekkig zijn is bijgevolg onterecht. Het feit dat de commissaris geschreven verklaringen heeft bekomen bewijst juist de volledigheid van zijn onderzoek. Het feit wordt als bewezen geacht. Uit het tuchtdossier, wat de tweede tenlastelegging betreft, kan eveneens besloten worden dat de kwalificatie ‘twee directe oversten tegen elkaar uitspelen’ correct is. Uit de nota van de heer Vennincx d.d. 22.8.1995 blijkt een gedetailleerde weergave van de feiten, waarbij zelfs getuigen worden aangehaald. De feiten kunnen dan ook moeilijk beschouwd worden als een onwaarschijnlijk verhaal en worden in se door de verdediging zelfs niet ontken[d]. Overwegende dat de insubordinatie evenzeer als bewezen kan beschouwd worden om reden van het onbetamelijk gedrag; De opmerking van de verdediging dat insubordinatie een militair misdrijf is, is onjuist. Het begrip insubordinatie is juist een begrip dat zeer courant is in het administratief tuchtrecht. De tuchtregeling in openbare besturen is bovendien totaal vreemd aan de strafwet en de strafvordering zoals deze toegepast worden door de rechtbank. Uit de verslagen blijkt duidelijk dat de heer Bleyenbergh pogingen onderneemt om het gezag van zijn meerderen te ondermijnen in het bijzijn van anderen. Door het in het openbaar in vraagstellen van een bepaalde opdracht, m.n. preventie autocriminaliteit met het argument dat hij een uur later een andere opdracht heeft, kan zelfs bovendien geconcludeerd worden dat hij zich wenst te onttrekken aan een rechtmatig gegeven en bovendien uitvoerbare opdracht. XII-2139-4/10 Uit het dossier wordt dit bevestigd door een incident betreffende een opdracht van verkeerspolitie. Het gedetailleerde verslag van hoofdbrigadier Biegel is duidelijk. Het is echter opvallend dat het probleem met de geparkeerde vrachtauto werd opgelost door de hoofdbrigadier Biegel zelfs zonder dat er parkeerplaats vrijgekomen was. Overwegende dat de verdediging argumenteert dat er kritische reflexie nodig is kan evenzeer gesteld worden dat deze reflexie ook redelijkerwijze moet gehanteerd worden in andere situaties zoals in het uitvoeren van opdrachten; Overwegende dat in het tuchtrecht als doelstelling het goede functioneren van de dienst heeft; Overwegende dat de heer Bleyenbergh een rem is op dit goed functioneren en dat daardoor eens hypotheek op de dienst wordt gelegd. Overwegende dat met de heer Bleyenbergh functioneringsgesprekken gevoerd werden; Overwegend dat een politiekorps als kenmerk een hiërarchische structuur heeft; Gelet op het voorstel van de commissaris tot het opleggen van de tuchtstraf van 1 maand schorsing; Overwegende dat in het verleden geen eerdere tuchtzaken lastens de heer Bleyenbergh kunnen ingebracht worden”; 1.
- Verzoeker gaat op 31 oktober 1995 in beroep bij de Vlaamse Regering. Verzoeker en zijn raadsman worden gehoord op 28 november 1995 door de adjunct van de directeur bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Dezelfde dag wordt tevens een verhoor afgenomen van politiecommissaris H. Schryvers. 1.
- Op 10 december 1995 neemt de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden het tweede bestreden besluit. De motivering luidt onder meer als volgt : “Overwegende dat de burgemeester van de gemeente Kapellen bij het tuchtstrafbesluit, waartegen beroep, de betrokkene de tuchtstraf van de schorsing voor de duur van veertien dagen oplegde om reden dat hij zich schuldig maakte aan ongepast taalgebruik ten aanzien van een directe overste, twee directe oversten tegen elkaar uitspeelde, insubordinatie pleegde en de hem opgelegde taken niet naar behoren uitvoerde; Overwegende dat uit het dossier en door het onderzoek ter zitting de feiten als bewezen kunnen worden beschouwd; Overwegende inderdaad dat het is komen vast te staan dat de betrokkene zich op een voor een politieagent ongepaste wijze heeft uitgelaten, in het bijzijn van collega’s, over een directe overste; XII-2139-5/10 Overwegende dat immers uit de geschreven verklaring van 22 augustus 1995 van politieagent-hoofdbrigadier Patrick Biegel blijkt dat de betrokkene een hiërarchische chef, met name de heer Alex Vennincx een ‘fascistisch Vlaams Blokker’ noemde van wie hij les zou krijgen ‘in het neerknuppelen van mensen’; Overwegende dat de betrokkene ter zitting in graad van beroep deze tenlastelegging tracht af te zwakken door te stellen dat hij enerzijds het woord fascistisch niet heeft gebruikt, en dat hij anderzijds hiermee niet de heer Alex Vennincx als dusdanig heeft bedoeld; dat hij wel toegeeft te hebben gezegd dat hij weigerde les te krijgen van een vlaams blokker in het neerknuppelen van mensen; Overwegende nochtans dat de geschreven verklaring van 22 augustus 1995 van politieagent-hoofdbrigadier Patrick Biegel duidelijk is, waarin deze stelt dat ‘het gesprek’ tussen de betrokkene en een zekere Eric Briers ‘ging voornamelijk over de werking van ons politiekorps - dit in negatieve zin, o.a. dat hij morgen niet zou deelnemen aan de oefeningen met de matrak, gezien deze les werd gegeven door een fascistisch vlaams blokker; Overwegende dat uit het verhoor, in graad van beroep, van de politiecommissaris van de gemeente Kapellen tevens is ‘gebleken dat ook de heer Patrick de Greef het gezegde van de betrokkene heeft gehoord, zulks blijkens zijn mondelinge verklaring aan de commissaris zelf; Overwegende dat de betrokkene thans wel tracht te ontkennen dat hij het woord fascistisch zou hebben gebruikt; dat er echter geen enkele reden is om [...] te twijfelen aan de oprechtheid van de verklaring van de heer Patrick Biegel en de politiecommissaris in verband met het woordgebruik van de betrokkene; dat de door de verdediging in beroep bijgebrachte geschreven, maar niet gedateerde, verklaring van Patrick Biegel dat hij het woord ‘fascistisch’ niet zou hebben gehoord, hieraan niets verandert; dat deze verklaring immers duidelijk post factum werd opgesteld, terwijl minstens de geschreven verklaring van de heer Patrick Biegel in tempore non suspecto werd geacteerd; [...] Overwegende dat het probleem in verband met het feit dat de burgemeester in het tuchtstrafbesluit melding maakte van twee ‘neergeschreven’ verklaringen, met name van de heren Vennincx en de Greef, terwijl slechts één verklaring, met name deze van de heerAlex Vennincx, in het dossier aanwezig was, tijdens de hoorzitting in graad van beroep werd opgelost; dat immers zowel uit de verklaring van de politiecommissaris als uit de door de betrokkene zelf bijgebracht[e] verklaring van de heer de Greef blijkt dat deze laatste geen geschreven verklaring aflegde; dat derhalve er geen stuk in verband met de verklaring van de heer Patrick de Greef in het tuchtstrafdossier kon aanwezig zijn, zodat de passage desbetreffend in het tuchtstrafbesluit als een materiële vergissing moet worden beschouwd; Overwegende dat ook de andere tenlasteleggingen als bewezen moeten worden beschouwd; Overwegende immers dat het uitspelen van twee directe oversten tegen elkaar, de insubordinatie en het niet naar behoren uitvoeren van de opgelegde taken, blijken uit de geschreven verklaringen van politieagent-hoofdbrigadier Patrick Biegel van 22 augustus 1995; [...] Overwegende dat de betrokkene nog stelt dat de tuchtoverheid tekort zou zijn geschoten in de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding, aangezien geen getuigen werden gehoord; Overwegende dat in dit verband eveneens kan worden verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad van State die stelt dat een omstandige en concrete verklaring van een rechtstreekse getuige niet van onwaarde is en op zichzelf kan worden beschouwd als een voldoende bewijs, op voorwaarde echter dat zij niet is weerlegd door een andere, even geloofwaardige getuigenis (cfr. R.v.S., XII-2139-6/10 Scholiers, nr. 31.245 van 27 oktober 1988); dat in casu de verklaringen van politieagent-brigadier Patrick Biegel voor zich spreken en dat deze verklaringen niet worden tegengesproken door een andere, even geloofwaardige, getuige; [...]”; 1.
- Met een aangetekende brief van 19 december 1995 krijgt verzoeker kennis van het ministerieel besluit;
- De gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker aanvoert dat zowel de burgemeester als de beroepsinstantie de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding (tweede middel) en de rechten van verdediging (derde middel) hebben miskend; dat hij nader betoogt dat voor een correcte feitenvinding een bijkomend getuigenverhoor diende te worden gehouden, dat de vier tenlasteleggingen gesteund werden op de verklaringen van P. Biegel, voor de eerste en de vierde, en op de verklaring van A. Vennincx, voor de tweede en de derde, dat niet werd ingegaan op verzoekers aanbod om andere getuigen te horen zoals P. Briers en E. Kinjet, dat zelfs een schriftelijke getuigenis wordt voorgelegd van P. De Greef die afwijkt van het verslag van P. Biegel, dat die getuigenis zonder meer wordt verworpen met als motief dat ze post factum werd opgesteld, dat het voorts zeker passend ware geweest om hoofdinspecteur Kinjet te ondervragen omdat verzoeker ervan verdacht werd twee oversten, meer bepaald Kinjet en Vennincx, tegen elkaar uit te spelen en ten slotte dat een verklaring van Kinjet noodzakelijk was voor een juiste feitenvinding; 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar haar bespreking van het eerste middel waarin zij antwoordt op het argument van verzoeker dat de bestreden beslissingen steunen op slechts één verklaring van een persoon met wie verzoeker op gespannen voet leeft; dat de verwerende partij daaromtrent betoogde dat rekening gehouden werd “met alle elementen die zich in het dossier bevonden” en dat bovendien de verklaring van een rechtstreeks getuige een voldoende bewijs is op voorwaarde dat zij niet weerlegd wordt door een andere, even geloofwaardige getuigenis; Overwegende dat die verwerende partij daar in haar laatste memorie nog aan toevoegt, dat “niets belet dat een politieagent die tussen 1984 en 1995 nooit enig tuchtverslag heeft verkregen, op een bepaald moment een dusdanig ernstig tuchtvergrijp begaat dat hij op één en dezelfde dag het voorwerp uitmaakt van XII-2139-7/10 drie tuchtverslagen opgesteld door twee inspecteurs, gevolgd door een tuchtverslag van de commissaris”, dat te dezen de tuchtoverheid beschikte over twee verklaringen en niet verplicht is om in te gaan op elk verzoek tot het horen van getuigen, dat zij “naar recht en redelijkheid” kon aannemen dat een eventuele nieuwe getuigenis geen ander licht zou werpen op de feiten, dat commissaris Schrijvers “voor de tweede maal” uitdrukkelijk, tijdens het verhoor voor de toezichthoudende overheid, verklaarde dat agent De Greef ten overstaan van hem heeft verklaard dat de verzoeker de bewoording ‘fascistische Vlaams Blokker’ gebruikte ten opzichte van Vennincx en de commissaris laat opmerken dat De Greef “geen enkel risico” loopt “vermits hij een aanvraag tot verlof zonder wedde of ontslag had ingediend”, dat aldus aan de geschreven en niet-gedateerde verklaring van De Greef dat hij geen schriftelijke verklaring heeft afgelegd, in het auditoraatsverslag “een waarde wordt toegekend die haar geenszins toekomt”, dat verzoeker tijdens het verhoor bij de toezichthoudende overheid heeft toegegeven “te hebben gezegd dat hij weigerde les te krijgen van een Vlaams Blokker in het neerknuppelen van mensen”, dat het al dan niet toevoegen van het woord “fascistisch” geen afbreuk doet aan de tenlastelegging van “ongepast taalgebruik ten aanzien van een directe overste”, dat ten slotte de stelling dat verzoeker zijn belediging niet zou hebben gericht tot Vennincx, ongeloofwaardig is aangezien laatstgenoemde bekend staat als een beoefenaar van de karatesport; dat de verwerende partij voorts stelt dat, wat de tweede tenlastelegging betreft, “twee directe oversten tegen elkaar uitspelen”, dit feit opnieuw door twee politie-ambtenaren, namelijk Vennincx en Biegel, is vastgesteld en de tuchtoverheid aldus terecht mocht oordelen dat een bijkomend getuigenverhoor geen nieuw licht zou kunnen werpen op de feiten; 2.
- Overwegende dat de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding een tuchtoverheid in bepaalde gevallen ertoe kan verplichten een getuigenverhoor te organiseren om een zorgvuldig oordeel te kunnen vellen over het al dan niet bestaan van de feiten of hun tuchtrechtelijke kwalificatie; dat zulks onder meer het geval is indien de tuchtrechtelijk vervolgde, die de feiten of hun kwalificatie ontkent, om een dergelijk getuigenverhoor vraagt en er geen deugdelijke redenen voorhanden zijn om dat verzoek af te wijzen; Overwegende dat te dezen de vier tenlasteleggingen gegrond werden bevonden op grond van verklaringen van de inspecteurs Biegel en Vennincx, zonder dat werd ingegaan op de vraag van verzoeker om andere getuigen te horen; XII-2139-8/10 Overwegende, wat de eerste tenlastelegging betreft, dat reeds in zijn eerste verdedigingsnota van 18 september 1995 verzoeker vroeg om ook “de rechtstreekse getuige, de heer Briers, over het gesprek desbetreffend te ondervragen”; dat tevens blijkt dat P. De Greef in een schriftelijk stuk achteraf bevestigt dat hij omtrent dat gesprek geen schriftelijke verklaring heeft afgelegd ofschoon daar wel naar wordt verwezen in de beslissing van de burgemeester; dat ook nagelaten is P. De Greef te gepasten tijde te horen over de toedracht van het gebeuren; dat de laatstgenoemde in zijn door verzoeker bijgebrachte verklaring nochtans een belangrijke nuance in de tenlastelegging anders zag dan beschreven in de verklaring van voornoemde Biegel en zijn getuigenis zinvol had kunnen zijn; dat hij immers verklaart “het woord fascistisch heb ik niet horen gebruiken”; Overwegende, wat betreft de tweede tenlastelegging, dat een van de rechtstreeks betrokkenen, hoofdinspecteur Kinjet, niet om een verklaring is verzocht; Overwegende ten slotte dat het bestreden goedkeuringsbesluit, betreffende de vraag van verzoeker om andere getuigen te horen, in het algemeen overweegt dat volgens de rechtspraak de verklaring van één rechtstreekse getuige volstaat, op voorwaarde dat ze niet is weerlegd door een andere, even geloofwaardige getuigenis; dat de tuchtoverheid echter precies verhinderd heeft dat andere getuigenissen werden afgelegd; dat immers geweigerd werd andere door verzoeker met naam genoemde getuigen namelijk P. Briers en E. Kinjet te horen; dat zulks des te meer klemt nu de inspecteurs A. Vennincx en P. Biegel als gegriefde hiërarchische oversten ook betrokken partij waren bij de twee besproken tuchtfeiten waaromtrent een getuigenverhoor werd gevraagd door verzoeker en andere leden van het politiekorps wellicht met meer afstandelijkheid de feiten konden toelichten; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat de tweede verwerende partij haar goedkeuring heeft gehecht aan een tuchtsanctie na een procedure waarin, op zijn minst voor twee van de vier tenlasteleggingen, het onderzoek naar de feiten niet zorgvuldig is gevoerd; dat zulks de tuchtsanctie onrechtmatig maakt en de beide bestreden beslissingen vitieert; dat de middelen in zoverre gegrond zijn, BESLUIT: XII-2139-9/10 Artikel
- Vernietigd worden de beslissing van 2 oktober 1995 waarbij de burgemeester van de gemeente Kapellen aan Maurice Bleyenbergh de tuchtstraf oplegt van veertien dagen schorsing zonder wedde en het besluit van 18 december 1995 waarbij de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting, de voormelde beslissing van 2 oktober 1995 goedkeurt. Artikel
- Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien november 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2139-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.387 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.145.027 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.