id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.415 Rolnummer: A. 165400/VII-34518 Zaak: Arrest 151415 - - 17/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-25 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 04:55 Fiche Arrest nr 151.415 van 17 november 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.415 van 17 november 2005 in de zaak A. 165.400/VII-34.
- In zake : Artur BALCAEN, wonende te LENDELEDE, Burgemeester G. Dussartlaan 95 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij : de n.v. STEVAN, die woonplaats kiest bij Advocaat A. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Artur BALCAEN op 23 augustus 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 14 juni 2005 houdende uitspraak over een aanvraag ingediend door de n.v. STEVAN, exploitant van een inrichting gelegen te Lendelede, Heulsestraat 87, strekkende tot het bekomen van een wijziging van de bijzondere vergunningsvoor- waarden; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; VII-34.518-1/8 Gelet op de beschikking van 27 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die verschijnt in persoon, Advocaat F. TEMMERMAN die, loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat J. GOETHALS die, loco Advocaat A. LUST verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat met een verzoekschrift van 13 september 2005 de n.v. STEVAN, houder van de bestreden vergunning, vraagt om in het administra- tief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- Bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 25 oktober 2001 wordt aan de tussenkomende partij vergunning verleend voor het verder exploiteren van een stortplaats categorie 2 voor niet gevaarlijke huishoudelijke en daarmee vergelijkbare afvalstoffen, en dit voor een termijn verstrijkende op 25 oktober
- De inrichting is gelegen in een ontginningsgebied met nabestemming bosgebied, volgens het gewestplan Kortrijk. Tegen deze beslissing wordt beroep aangetekend door o.m. de verzoekende en tussenkomende partij. Deze beroepen worden bij ministerieel besluit van 26 april 2002 deels gegrond verklaard, hetgeen leidt tot de wijziging van een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden. Onder meer wordt de vergunningstermijn beperkt tot 31 december 2006, wordt een vertegenwoordiger van het "Anti- stortcomité" toegelaten tot de overlegcommissie, wordt het storten van huishoudelijk en vergelijkbaar bedrijfsafval volledig verboden vanaf 1 januari 2004, en wordt aan de exploitant opgelegd een gemotiveerd rapport inzake de mogelijkheden tot het VII-34.518-2/8 verlagen van het reliëf voor te leggen tegen uiterlijk 1 september
- Tegen dit besluit heeft de tussenkomende partij een annulatieberoep ingediend dat nog hangende is (G/A 123.483/VII-27.710). De tussenkomende partij heeft op 28 augustus 2002 het gevraagde rapport inzake het verlagen van het reliëf ingediend, hetgeen geleid heeft tot het ambtshalve aanvullen van de bijzondere voorwaarde inzake het eindreliëf (ministerieel besluit van 11 juni 2004). Deze bijzondere voorwaarde gaat uit van het voor de tussenkomende partij minst gunstige scenario en heeft tot gevolg dat het eindreliëf lager is dan hetgeen overeenkomstig het intussen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg Bergkapel toegelaten is. Ook tegen deze beslissing heeft de tussenkomende partij een annulatieberoep ingediend dat nog hangende is (G/A 155.489/VII-32.732). 2.
- Inmiddels is de basisvergunning na aanvraag van de tussenkomende partij bij besluit van de bestendige deputatie van 31 juli 2003 omgevormd en uitgebreid tot een afvalstort categorie 2 voor het storten van maximaal 398.000 m³ ontwaterd baggerslib, tot 31 december
- Ingevolge het beroep hiertegen ingediend worden door de minister op 11 juni 2004 nog een aantal randvoorwaarden toegevoegd , besluit dat naderhand op 7 juli 2004 nog ambtshalve wordt gecorrigeerd . 2.
- Op 15 februari 2005 dient de tussenkomende partij een aanvraag in strekkende tot het bekomen van een wijziging van een aantal van de opgelegde bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden. Het betreft, samengevat, de wijziging van de bijzondere voorwaarden met betrekking tot het overleg van het werkplan met de overlegcommissie, het stortverbod van huishoudelijk afval, de stofmetingen, de capaciteitsverdeling van categorie 2-afvalstoffen en baggerspecie, de opvulvolgorde van de verschillende zones, de datum van eindafwerking, het stortverbod in de 25 meter-zone en de verlaging van het eindreliëf. 2.
- Naar aanleiding van deze aanvraag worden de vereiste adviezen gegeven. In het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt onder meer voorgesteld de gevraagde aanpassing van de bijzondere voorwaarde om de verlaging van het eindreliëf te vervangen door de toelating om te mogen storten tot aan de hoogtelijnen vastgesteld in het bijzonder plan van aanleg nr. 14 "Bergkapel" te weigeren. VII-34.518-3/8 2.
- Op 14 juni 2005 beslist de minister 7 van 9 gevraagde aanpassingen van de bijzondere voorwaarden toe te staan. De gevraagde schrapping van de voorwaarde houdende het verbod van het storten van huishoudelijk en vergelijkbaar bedrijfsafval vanaf 1 januari 2004 wordt geweigerd, alsook de wijziging van de bijzondere voorwaarde betreffende een aangepast werkplan inzake de stortvolgorde. Dit is de bestreden beslissing;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker in zijn verzoekschrift doet gelden wat volgt : "HET MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL is voor de mij en voor de omwonenden van een stort in ophoging ,is via deze toegestane wijziging van de bijzondere voorwaarden een uitbreiding van de in het besluit nr AMV/00008841/l004/B toegestane restcapaciteit wordt toegestaan, dat deze uitbreiding een voorwerp moest uitgemaakt hebben van een vergunningsaanvraag, dat juist omwille van de hindergevoeligheid en krachtens de beleidslijnen, zoals reeds hogervermeld, er in het ministriëel besluit nr AMV/00008841/l004 van 26 april 2004 reeds beslist werd om de stortplaats NV STEVAN te Lendelede versneld af te werken tegen eind 2006, om juist versneld te kunnen realiseren er juist werd nagegaan in welke mate het oorspronkelijk toegestane reliëf kon ingeperkt worden ( rekening houdend met een minimum hoogte nodig voor de goede afwerking); dat het verlaagd eindreliëf volledig in overeenstemming is met de bepalingen van het BPA dat een maximale storthoogte vastlegt en bijgevolg de afwerking op een lager niveau niet verbiedt, dat erop gewezen wordt dat in het ministriëel besluit nr AMV/00008841/1004/B van 11 juni 2004 in het advies van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest vermeld staat dat het in het BPA voorziene eindreliëf gemiddeld meer dan vijf meter hoger ligt dan het oorspronkelijk reliëf ( zijnde het reliëf van voor de start van de activiteiten op de site ); dat het besluit van de minister inhoudt dat er onrechtstreeks wordt toegestaan dat er ook na 2006 nog zal moeten gestort worden om het eindreliëf te bereiken en gezien het respecteren van de eindtermijn voor de stortactiviteiten ( zijnde 31 december 2006) en het verhogen van het op dit ogenblik toegestane eindreliëf niet met elkaar verenigbaar zijn, zodat bijgevolg geen verhoging van de hoogtelijnen had mogen toegestaan worden om de huidige opgelegde eindtermijn te kunnen respecteren en omdat een verhoging onrechtstreeks een uitbreiding betekent en vergunningsplichtig moest zijn geweest, wat hier in ieder geval niet gebeurd is, noch aanvraag bij bestendige deputatie, noch info avond voor de omwonenden ging aan deze wijziging of onrechtstreekse uitbreiding vooraf. Aangezien de voorziene einddatum van de vergunning nog minder dan anderhalf jaar is, en in deze periode de uitbating zodanig moet gebeuren dat de VII-34.518-4/8 opvulling ook effectief gerealiseerd wordt, zodat daarna de afwerking kan starten. Ingevolge artikel 23 van de grondwet heeft ieder belg het recht een menswaardig leven te leiden. Dit betekent inzonderheid het recht op een behoorlijke huisvesting en het recht op een gezond leefmilieu. Beide grondwettelijke rechten werd voor de omwonenden van deze stortplaats reeds herhaaldelijk geschonden. Om deze grondwettelijke rechten voor de omwonenden veilig te stellen, moet de vergunningstermijn voor de stortplaats tot een absoluut minimum worden beperkt. Om dit grondwettelijk recht te eerbiedigen had de uitbreiding volledig moeten geweigerd zijn geworden zoals gevraagd werd in het advies van de Gewestelijke Milieu Vergunningscommissie"; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota volgende repliek geeft : "(...)
- Verzoekende partij herhaalt in zijn verzoekschrift met betrekking tot deze schorsingsvoorwaarde in hoofdorde hetgeen hij onder het vijfde middel uiteenzette, terwijl hij vervolgens wijst op artikel 23 van de Grondwet. Verzoekende partij omschrijft evenwel geenszins de nadelen die het bestreden besluit in zijn hoofde teweegbrengt, evenmin als de ernst van deze gebeurlijke nadelen. Nochtans mag worden verwacht dat verzoekende partij zéér concrete gegevens aanvoert die aantonen dat hij effectief een persoonlijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan ondergaan. Bijgevolg is evenmin voldaan aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel.
- Zelfs indien zou worden aangenomen dat het bestreden besluit de vergunningstermijn voor het stort impliciet verlengt, -quod non-, en dat verzoekende partij wenst aan te tonen dat hij een nadeel lijdt door de verlenging van de periode van uitbating van het stort, dan nog kan enkel worden vastgesteld dat dergelijk nadeel geenszins ernstig is, gezien verzoekende partij blijkens zijn verzoekschrift reeds sinds tientallen jaren 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij van haar kant doet gelden wat volgt : "(...)
- In de mate dat de verzoekende partij haar nadeel niet alleen op zichzelf betrekt, maar ook verklaart op te komen
- Voor het overige komt de verzoekende partij niet verder dan een samenvatting van de feitelijke en rechtsargumenten die zij meent tegen het bestreden besluit te kunnen aanvoeren, doch die uiteraard op zich het nadeel niet opleveren waarvan sprake in art. 17, §2 van de gecoördineerde wet. Het MTHEN moet verbonden zijn aan de tenuitvoerlegging van het bestreden VII-34.518-5/8 besluit, wat los staat van de vraag naar de legaliteit en/of de opportuniteit ervan.
- In de mate wordt gesuggereerd dat het bestreden besluit zou kunnen voor gevolg hebben dat de opvulling niet is beëindigd tegen 31 december 2006, gaat het betoog, vooreerst, uit van een loutere hypothese en, vervolgens, van een bewust overtreden door de tussenkomende partij van de haar verleende vergunning, hetgeen uitsluitend te maken heeft met het handhavingsrecht en niet met de legaliteit van het besluit en de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan.
- In de mate de verzoekende partij voorhoudt dat art. 23 van de grondwet haar het recht waarborgt om een menswaardig leven te leiden, kan enkel worden vastgesteld dat zij andermaal niet verder komt dan tot een zeer algemene en gesimplificeerde wettigheidskritiek, dan nog geput uit een constitutionele bepaling die niet rechtstreeks uitvoerbaar is. De verzoekende partij toont geenszins in concreto aan dat het bestreden besluit oorzaak zal zijn van de creatie van omgevingsomstandigheden die van die aard zullen zijn dat zij een substantiële aantasting zullen meebrengen van haar recht op behoorlijke huisvesting en op een gezond leefmilieu.
- Overigens heeft de verzoekende partij geen hoedanigheid om de desbetreffende grondrechten En sedert de tussenkomende partijen nog enkel baggerspecie en/of ruimingspecie mag storten en geen huishoudelijk afval noch vergelijkbare bedrijfsafval, is er van geurhinder in de onmiddellijke omgeving helemaal geen sprake neer, laat staan op de afstand van verzoekers woning! Overigens roept de verzoekende partijen niet eens geur- of visualiteitshinder in, laat staan dat ze die enigszins waarschijnlijk zou maken.
- Enkel volledigheidshalve herinnert de tussenkomende partij aan de arresten nr. 117.913 en 135.864). Het valt niet in te zien hoe het bestreden besluit de bestaande toestand dermate zou kunnen bezwaren dat er in redelijkheid sprake kan zijn van een MTHEN. Wat de verzoekende partij kennelijk vooral dwars zit, is dat de bestaande toestand -waarvan zij niet eens aanvoert, laat staan bewijst, dat hij abnormaal hinderlijk is- mogelijks zou kunnen voortduren na 31 december
- Maar al ware dit op zich een MTHEN, quod certe non, die vrees houdt geen enkel verband met een correcte uitvoering van het bestreden besluit, maar met een vermoede toekomstige wetsovertreding in hoofde van de tussenkomende partij, ter bestrijding waarvan er geëigende rechtsmiddelen bestaan"; 3.
- Overwegende dat de verwerende en de tussenkomende partijen kunnen worden gevolgd in hun kritiek dat verzoeker op geen enkele manier concreet VII-34.518-6/8 verduidelijkt welk nadeel hij ondergaat of dreigt te ondergaan ingevolge de bestreden beslissing; dat hij in algemene termen het heeft over een schending van het recht van omwonenden van de inrichting op een behoorlijke huisvesting en het recht op een gezond leefmilieu; dat bovendien verzoeker dit nadeel haalt uit zijn overtuiging dat ingevolge de bestreden beslissing de vergunde restcapaciteit en de eindtermijn van 31 december 2006 niet zullen worden gerespecteerd; dat evenwel de bestreden beslissing geen wijziging inhoudt van de vergunde restcapaciteit en evenmin van de eindtermijn; dat de bewering van verzoeker dat de wijziging van de bijzondere voorwaarde inzake het eindreliëf tot gevolg zou hebben dat op datum van 31 december 2006 nog niet alle stortcapaciteit zal zijn benut, niet meebrengt dat het bestreden besluit zelf een toelating inhoudt om ook na die datum nog verder te storten; 3.
- Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. STEVAN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-34.518-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien november tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-34.518-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.415 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.119 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.