← België

Arrest 151472 - - 21/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.472 Rolnummer: A. 162118/IX-4874 Zaak: Arrest 151472 - - 21/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 04:56 Fiche Arrest nr 151.472 van 21 november 2005 - Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.472 van 21 november 2005 in de zaak A. 162.118/IX-4874. In zake : André BOCKEN, die woonplaats kiest bij advocaat H.-K. CARÊME, kantoor houdend te HEVERLEE, Ijzermolenstraat 105 tegen : de gouverneur van de provincie Limburg, die woonplaats kiest bij advocaat Jan BERGÉ, kantoor houdend te LEUVEN, Vaartstraat 64. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat André BOCKEN op 29 april 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : 1. het besluit genomen op 1 januari 2005 door de Gouverneur van de provincie Limburg, houdende samenstelling van de provinciale visserijcommissie Limburg op 1 januari 2005, 2. de daarin besloten impliciete beslissing om een einde te maken aan verzoekers mandaat van werkend lid van de voornoemde provinciale visserijcommissie; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN DER GUCHT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-4874-1/13 Gelet op de beschikking van 6 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 oktober 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat H.-K. CARÊME, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Met het oog op het invullen van een aantal vacante mandaten in de provinciale visserijcommissie Limburg nodigt de afgevaardigd voorzitter van de commissie de vissersverenigingen in Limburg en de leden van de visserijcommissie bij rondschrijven van 14 oktober 2004 uit om kandidaten voor te dragen die aan het bijgevoegd profiel beantwoorden. 1.2. Op het daartoe bestemde formulier draagt de visserijvereniging het Maaslands Verbond voor Lijnvissers verzoeker als tweede kandidaat voor. De verenigingen De Jud Kotem en de Verenigde Liller Vissers dragen hem als eerste kandidaat voor. 1.3. Met een brief van 2 november 2004 deelt verzoeker de afgevaardigd voorzitter van de provinciale visserijcommissie mee dat het bestuur van het Maaslands Verbond voor Lijnvissers op 29 oktober 2004 heeft beslist geen gevolg te zullen geven aan het verzoek een ledenlijst van de betrokken vereniging voor te leggen, evenmin als aan de vraag om telkens een mannelijke en een vrouwelijke kandidaat voor te dragen en dit wegens strijdigheid met de wet op de privacy. IX-4874-2/13 1.4. Bij nota van 6 januari 2005 leggen de afgevaardigd voorzitter en de secretaris-penningmeester van de provinciale visserijcommissie het dossier betreffende de hersamenstelling van de visserijcommissie voor. Het dossier bevat naast een verklarende nota onder meer een lijst van de kandidaten, een bespreking van de kandidaturen en een ontwerp van besluit tot heraanstelling van de provinciale visserijcommissie. 1.5. Op 1 januari 2005 wordt het thans bestreden besluit genomen waarbij de provinciale visserijcommissie Limburg op 1 januari 2005 wordt samengesteld uit acht werkende en acht plaatsvervangende leden. Drie werkende leden vervullen verder hun lopend mandaat tot 31 december 2006; van drie leden wordt het mandaat dat op 31 december 2004 ten einde liep, voor een nieuwe termijn van vier jaar, tot 31 december 2008, verlengd; een lid, Jean MERKEN, wordt van plaatsvervangend lid effectief lid met een mandaat tot 31 december 2006; een ander lid, Willy NIJS, is nieuw en wordt aangesteld voor vier jaar tot 31 december 2008; Jean MERKEN en Willy NIJS nemen blijkbaar als effectief lid de plaatsen in van Dirk VAN MIRLO en van verzoeker, die ter gelegenheid van een uitbreiding van de visserijcommissie van zeven naar acht leden bij besluit van 31 oktober 2003, was aangesteld tot 31 december 2004. 1.6. Met een brief van 2 maart 2005 deelt de gouverneur verzoeker mede dat aan zijn kandidatuur geen gunstig gevolg werd gegeven. De nieuwe samenstelling van de provinciale visserijcommissie Limburg wordt met een brief van 14 maart 2005 aan de Limburgse vissersverenigingen medegedeeld. 2. Overwegende dat verzoeker het tweede voorwerp van zijn beroep, de impliciete beslissing om een einde te maken aan zijn mandaat van werkend lid, blijkbaar niet enkel ziet als een impliciete weigering, besloten in de aanstelling van een andere kandidaat, om zijn afgelopen mandaat te vernieuwen, maar als een voortijdige beëindiging van een mandaat van vier jaar dat nog diende te lopen tot 31 december 2006; dat blijkens het sub 1.5. vermelde besluit van 31 oktober 2003 van de gouverneur, verzoeker echter formeel slechts tot 31 december 2004 als werkend lid was aangesteld; dat de vraag of de gouverneur een mandaat van werkend IX-4874-3/13 lid voor minder dan vier jaar kon toekennen en of verzoeker de wettigheid hiervan thans nog in vraag kan stellen, aan de orde is in het tweede middel; 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1. Overwegende dat verzoeker een eerste middel aanvoert, “genomen uit de schending van artikel 38 van de Wet van 01 juli 1954 op de riviervisserij (B.S. 29 juli 1954), van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, alsmede van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur inzonderheid het zorgvuldigheidsheginsel en uit machtsoverschrijding, Doordat de eerste verwerende partij zich (in

  1. de)bestreden beslissing vergenoegt met een loutere opsomming van 8 effectieve leden en 8 plaatsvervangende leden van de provinciale visserijcommissie Limburg. En doordat uit het administratief dossier niet blijkt dat die leden door één van de meest gekwalificeerde vissersverenigingen werden voorgedragen, minstens niet blijkt dat de eerste verwerende partij de diverse kandidaturen heeft onderzocht en onderling heeft vergeleken, en terzake evenmin enige motivering die de keuze voor de aangewezen kandidaten zou kunnen rechtvaardigen, heeft aangereikt. Terwijl de leden van de provinciale visserijcommissie door de gouverneur worden gekozen onder de kandidaten, aangewezen door de meest gekwalificeerde vissersverenigingen. En terwijl de keuze van de gouverneur slechts op grond van een deugdelijke vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten kan geschieden, zulks teneinde de gelijke toegang tot de vacant verklaarde betrekkingen te garanderen. En terwijl - in de mate dat de keuze van de gouverneur op een vergelijking van titels en verdiensten van de kandidaten zou steunen - uit de motivering van de bestreden beslissing zou moeten blijken dat een vergelijking van titels en verdiensten is verricht, zulks met bekendmaking van de criteria op grond waarvan die vergelijking is geschied. IX-4874-4/13 Zodat de verwerende partij in de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt en zodoende machtsoverschrijding pleegt”; 4.1.1. Overwegende dat verzoeker toelicht dat de provinciale visserijcommissie een aantal taken heeft die opgesomd worden in de artikelen 1 en 10 van het koninklijk besluit van 13 december 1954 betreffende de provinciale visserijcommissies en het centraal comité van het visserijfonds : de inspanningen van de plaatselijke of gewestelijke vissersverenigingen coördineren om te komen tot een gemeenschappelijk optreden in het belang van de visvangst en de visteelt; voorstellen doen, uitvoering geven aan maatregelen die dienstig kunnen zijn om de productiviteit van de waterlopen te verhogen; voorstellen om visserijwachters aan te stellen; dat de commissie ieder jaar voorstellen doet met het oog op de aanwending van het fonds en het gebruik van de door haar toevertrouwde bedragen verantwoordt; dat verzoeker hieruit afleidt dat de provinciale visserijcommissie deelneemt aan de uitoefening van het bestuurlijk gezag en uit de wijze van aanstelling volgt dat haar leden uiteindelijk een openbaar ambt bekleden; dat volgens verzoeker hun aanstelling dan ook gewaarborgd wordt door de beginselen van gelijke toegang tot het ambt, zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, derwijze dat de benoemende overheid weliswaar discretionair doch geenszins willekeurig de leden van de provinciale visserijcommissie moet kiezen onder de kandidaten die door de meest gekwalificeerde vissersverenigingen werden aangewezen, zulks overeenkomstig artikel 38 van de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij, dat de provinciegouverneur meer in het bijzonder zijn discretionaire keuze dient uit te oefenen aan de hand van een vergelijking van titels en verdiensten van de diverse kandidaten; dat verzoeker stelt dat uit geen enkel stuk blijkt dat de provinciegouverneur zich door een deugdelijke vergelijking van titels en verdiensten heeft laten leiden, zulks ofschoon de verzoekende partij terzake overtuigende titels en verdiensten kan overleggen, daar hij werd voorgedragen door één van de meest gekwalificeerde vissersverenigingen en hij voordien reeds als werkend lid van de provinciale visserijcommissie was aangesteld; dat verzoeker betoogt dat, indien de benoemende overheid wel degelijk de titels en verdiensten van de kandidaten zou hebben vergeleken en beoordeeld, of zou hebben geoordeeld dat andere verenigingen waarvan leden werden aangesteld, meer gekwalificeerde vissersverenigingen zouden zijn, zulks uitdrukkelijk en afdoende diende te worden gemotiveerd, wat evenwel niet het geval is; IX-4874-5/13 4.2. Overwegende dat de verwerende partij vooreerst antwoordt dat de provinciale visserijcommissie geen gedeconcentreerde openbare dienst is waarvan de leden een openbaar ambt bekleden, daar zij geen beslissingen neemt die bindend zijn voor derden, en enkel adviesorganen zijn in de zin van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 1983 houdende sommige maatregelen tot harmonisatie van de werking en van de presentiegelden en vergoedingen van adviesorganen; dat daaruit volgt dat de leden van de commissie geen ambtenaar zijn en dat de toegang tot het “ambt” niet geconditioneerd is zoals de verzoekende partij het beweert : de verwerende partij benoemt geen ambtenaren, maar kiest uit een kandidatenlijst de vrijwilligers die in de adviescommissie willen zetelen; dat de verwerende partij vervolgt dat er geen betwisting is over het feit dat de gouverneur bij het kiezen van de commissieleden uit de kandidatenlijst over een discretionaire bevoegdheid beschikt, dat in de praktijk aan de meest gekwalificeerde vissersvereningen wordt gevraagd om kandidaten voor te dragen en dat volgens de verwerende partij bij de keuze van de commissieleden geen rekening moest worden gehouden met de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde grondwet; dat zij dan ook geen keuze moest hebben gemaakt op grond van een vergelijking van de persoonlijke verdiensten en de titels van de kandidaten : die keuze wordt wettelijk alleen geconditioneerd door artikel 38 van de Riviervisserijwet, welke bepaalt dat onder de voorgedragen kandidaten diegenen worden gekozen die zoveel als mogelijk verschillende streken van de provincie vertegenwoordigen en de belangrijkheid van de vissersverenigingen weerspiegelen; dat de verwerende partij stelt dat de bestreden beslissing beantwoordt aan deze wettelijke criteria, terwijl de verzoekende partij niet beweert dat het anders zou zijn; dat hij de bestreden beslissing dus niet bekritiseert in functie van de wettelijke conditionering van de keuze van de gouverneur, maar op grond van een criterium dat hij zelf aan de wet toevoegt; dat de verwerende partij hierbij verwijst naar een nota aan de gouverneur waaruit blijkt dat de verzoekende partij onder meer niet als commissielid werd gekozen omdat hij zelf schreef dat de vissersverenigingen die zijn kandidatuur voordroegen niet de informatie wilden geven die haar in staat moest stellen de belangrijkheid van de vissersvereniging te evalueren; dat volgens de verwerende partij verzoeker niet kan ontkennen dat hij uitdrukkelijk weigerde om deze informatie te geven, terwijl hij tevens kritiek had op de wettelijke regel over de verdeling van de mandaten tussen mannen en vrouwen; dat de nota aan de gouverneur dan ook bedenkingen bevat over het profiel van de verzoekende partij en de vraag wordt gesteld of hij wel gericht is op overleg en een constructieve houding aanneemt ten aanzien van collega’s en kan functioneren in het overlegstelsel; dat volgens de verwerende partij aldus blijkt dat het profiel van de verzoekende partij in IX-4874-6/13 die mate vragen oproept dat het afwijzen van zijn kandidatuur moet worden beschouwd als afdoende gemotiveerd; dat wat de beweerde schending van artikel 38 van de Riviervisserijwet betreft, de verwerende partij antwoordt dat uit de voormelde adviesnota en haar bijlagen wel degelijk blijkt dat aan het vereiste van de voordracht door de meest gekwalificeerde vissersverenigingen werd voldaan, terwijl ook blijkt dat de kandidaturen voorafgaand aan de bestreden beslissing werden onderzocht en getoetst aan de twee overige wettelijke criteria van artikel 38, met name de territoriale spreiding en de belangrijkheid van de verenigingen die de voordracht deden; dat de verwerende partij ten slotte betoogt dat ook het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en meer precies het zorgvuldigheidsbeginsel, niet geschonden is, wijl uit het administratief dossier blijkt dat de beslissing met zorg werd voorbereid, terwijl de beslissing zelf werd genomen op grond van de relevante letterlijke bepalingen en alle nuttige elementen van de zaak, dat de afdoende motivering van de beslissing blijkt uit het administratief dossier, wat volstaat om te voldoen aan de formele motiveringsvereiste : het dossier is kenbaar, de beslissing zelf hoeft niet alle motieven te beschrijven; 4.3.1. Overwegende dat de provinciale visserijcommissie, zoals de verwerende partij terecht opmerkt, geen eenzijdige voor derden bindende beslissingen neemt; dat zij enkel adviezen geeft en voorstellen doet; dat dit er echter niet aan in de weg staat dat de provinciegouverneurs, wanneer zij die commissies samenstellen en hun leden aanwijzen, zulks dienen te doen overeenkomstig de criteria gesteld door de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij, inzonderheid in haar artikel 38, te weten, dat zij moeten worden gekozen onder de kandidaten, aangewezen door de meest gekwalificeerde vissersverenigingen, zij zoveel mogelijk de verschillende streken van de provincie en de belangrijkheid van de groeperingen vertegenwoordigen, met dien verstande dat ten hoogste één vijfde van de leden mag worden gekozen onder de kandidaten, aangewezen door de vissersverenigingen waarvan de leden in andere wateren vissen dan die vermeld in artikel 2, behalve wanneer in de provincie slechts één vissersvereniging mocht bestaan; dat in beginsel, in toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, uit het aanwijzingsbesluit moet blijken dat aan die voorwaarden is voldaan en ook, desgevallend, wanneer meerdere kandidaten eraan voldoen, waarom aan de ene kandidaat de voorkeur wordt gegeven boven de andere; IX-4874-7/13 4.3.2. Overwegende dat het bestreden besluit zelf inzake de keuze van de werkelijke en de plaatsvervangende leden eigenlijk slechts de volgende motivering bevat : “Overwegende dat alle gekende vissersverenigingen uit de verschillende streken der provincie bij brief van 14 oktober 2004 uitgenodigd werden kandidaten voor te dragen voor de vrijgekomen mandaten van werkelijk of plaatsvervangend lid; Gezien de voorstellen van verschillende vissersverenigingen uit de provincie”; 4.3.3. Overwegende dat de redenen waarom verzoekers kandidaatstelling alsmede die van twee anderen niet in aanmerking werd genomen, blijken uit de hiervoor sub 1.4. aangehaalde nota van 6 januari 2005: hun vereniging wenst uitdrukkelijk geen transparantie (ledenlijst) te geven, waardoor de kwalificatie van hun vereniging of verbond binnen de hengelsportsector niet kan worden nagetrokken en vergeleken; dat wat specifiek verzoeker zelf betreft wordt vastgesteld dat hij zich ondermeer niet neer wil leggen bij de door de wet opgelegde richtlijnen, bijvoorbeeld de transparantie van de vereniging (ledenlijst) om de kwalificatie ervan te onderzoeken, alsook de door de verwerende partij geëiste afvaardiging van 1/3 leden van een ander geslacht, terwijl hij bovendien openlijk in commissievergadering verklaard zou hebben dat hij de democratisch aangeduide afgevaardigde voor het Centraal Comité van het Visserijfonds nooit zal aanvaarden of steunen; 4.3.4. Overwegende dat verzoeker zowel het gebrek aan materiële als aan formele motivering van het bestreden besluit aanklaagt; dat dit laatste gebrek, zoals zoëven gebleken is niet bestaat; dat in dezen de omstandigheid dat die redenen, eventueel zelfs op summiere wijze, niet in het besluit zelf waren vermeld, verzoeker echter heeft verhinderd om ze nu reeds door de Raad van State op hun wettigheid te laten toetsen; dat bovendien het misschien waarschijnlijk is, doch niet met zekerheid kan worden aangetoond, dat die motieven ook de inhoud van het bestreden besluit hebben gedetermineerd, wijl de betrokken toelichting op 6 januari 2005 gedateerd is en het bestreden besluit op 1 januari 2005 werd genomen; dat het middel derhalve ernstig is; 5.1. Overwegende dat verzoeker een tweede middel aanvoert “genomen uit de schending van artikel 3 van het Koninklijk besluit van 13 december 1954 betreffende de provinciale visserijcommissies en het centraal comité van het visserijfonds (B.S. 16 december 1954) alsmede van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, IX-4874-8/13 en het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en uit machtsoverschrijding, Doordat aan het mandaat van de verzoekende partij van werkelijk lid van de provinciale visserijcommissie waartoe hij op 01 november 2003 werd aangesteld, vroegtijdig en zonder enige motivering een einde wordt gesteld. En doordat meer dan de helft van de werkelijke en plaatsvervangende mandaten van de provinciale visserijcommissie eenklaps worden vernieuwd. Terwijl de duur van de mandaten 4 jaar bedraagt. En terwijl die mandaten om de 2 jaar slechts bij helften worden vernieuwd. Zodat de eerste verwerende partij in de bestreden beslissing de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt, en zodoende machtsoverschrijding pleegt.”; 5.1.1. Overwegende dat verzoeker toelicht dat krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit van 13 december 1954 betreffende de provinciale visserijcommissies en het centraal comité van het visserijfonds de duur van de mandaten van de provinciale visserijcommissie vier jaar bedraagt en dat zij om de twee jaar voor de helft vernieuwd worden; dat echter uit de brief van de provinciegouverneur van 2 maart 2005 impliciet maar zeker blijkt dat zij heeft besloten om meteen 10 mandaten vacant te verklaren, daarbij bedoelend dat er 5 werkelijke en 5 plaatsvervangende leden zouden worden vervangen; dat verzoeker opmerkt dat voorheen en ook nu de totale samenstelling van de provinciale visserijcommissie 8 werkelijke en 8 plaatsvervangende leden bedraagt; dat de provinciegouverneur volgens hem derhalve in strijd met het aantal mandaten dat hij overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 13 december 1954 vacant zou hebben kunnen verklaren - namelijk maximaal de helft van het totaal aantal mandaten, het is te zeggen 4 van 8 werkelijke mandaten, en 4 van 8 plaatsvervangende mandaten - telkens 5 leden heeft aangesteld en dat hij bovendien kennelijk voortijdig een einde heeft gesteld aan het mandaat van de verzoekende partij van werkelijk lid van de provinciale visserijcommissie waartoe hij op 1 november 2003 werd aangesteld, ofschoon verzoeker geenszins in vervanging van iemand anders werd aangesteld, maar zichzelf opvolgde; dat verzoeker stelt dat hij er dan ook toe gerechtigd was om zijn mandaat uiterlijk tot 31 december 2006, gelijk met de andere leden die in 2003 herbenoemd werden, te bekleden; 5.2.1. Overwegende dat aangezien het eerste middel reeds ernstig is bevonden en daaruit blijkt dat het hele bestreden besluit tot samenstelling van de IX-4874-9/13 provinciale visserijcommissie Limburg gevitieerd is, terwijl het belang van verzoeker op het eerste gezicht ook beperkt is tot zijn niet-aanstelling als lid van die commissie, in deze stand van het geding niet verder hoeft te worden ingegaan op de vraag of de gouverneur vermocht vijf van de acht mandaten te vernieuwen; dat wel de vraag blijft of dat het geval kon zijn met verzoekers mandaat en, meer bepaald, of de verwerende partij niet ten onrechte voortijdig een einde heeft gemaakt aan verzoekers mandaat van vier jaar; 5.2.2. Overwegende dat bij de vorige hersamenstelling van de provinciale visserijcommissie het aantal leden was uitgebreid van 7 naar 8; dat bij die gelegenheid verzoeker was aangesteld tot achtste lid, doch enkel voor een mandaat dat uitdrukkelijk beperkt was tot 31 december 2004, wat weliswaar bevreemdend voorkomt omdat daardoor -althans naar het zeggen van de verwerende partij- op 1 januari 2005 5 van de 8 mandaten vernieuwd zouden dienen te worden in plaats van 4, overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 13 december 1954; dat verzoeker evenwel geen beroep ingesteld heeft tegen het gouverneursbesluit van 31 oktober 2003 tot uitbreiding en samenstelling van de provinciale visserijcommissie Limburg, waarbij de duur van zijn mandaat uitdrukkelijk werd beperkt tot 31 december 2004; dat het tweede middel in de gegeven mate niet ernstig is; 6.1. Overwegende dat verzoeker als moeilijk te herstellen ernstig nadeel het volgende aanvoert : “Krachtens artikel 3 van het K.B. van 13 december 1954 betreffende de provinciale visserijcommissies en het centraal comité van het visserijfonds bedraagt de duur van de mandaten van de leden van de provinciale visserijcommissie 4 jaar. Het spreekt voor zich dat de verzoekende partij enkel mits de schorsing van de tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissing enige kans maakt om gedurende de komende 4 jaren in de provinciale visserijcommissie te zetelen. In geval van loutere vernietiging van de bestreden benoemingen zou voor de verzoekende partij nooit een kans op aanstelling ontstaan, aangezien het mandaat wellicht zal zijn beëindigd. Het nadeel zou in dat geval niet kunnen worden hersteld. Zodoende zou hij bovendien de ervaring die hij inmiddels zou kunnen doen gelden, kennelijk en onherstelbaar ontberen. De beëindiging van diens mandaat van werkelijk lis van de provinciale visserijcommissie waartoe hij nochtans op 01 november 2003 werd aangesteld, berokkent hem eens te meer een M.T.H.E.N. Door de vroegtijdige beëindiging van diens mandaat rijzen er in de visserijsector vragen naar de motieven hiervan. De vroegtijdige beëindiging wordt door sommigen als een verkapte tuchtmaatregel opgevat ... Zodoende komt de goede naam en faam van de verzoekende partij in het gedrang, dermate dat de tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing -en zodoende eveneens van de eerste bestreden beslissing- hem een moreel nadeel berokkent. IX-4874-10/13 Ingevolge de tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissing ontbeert de verzoekende partij ervaring in het visserijbeleid, en dreigt hij onherroepelijk de kans te missen om zijn mandaat te voleindigen.”; 6.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de duur van de annulatieprocedure volgens een meer dan gevestigde rechtspraak van de Raad van State op zichzelf geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel is, dat in zoverre het concrete nadeel uit oorzaak van het niet zetelen in de commissie, omschreven als het ontberen van relevante ervaring in de commissie enerzijds, en als het verlies van een kans om als bruggepensioneerde deel te nemen aan het visserijbeleid anderzijds, niet concreet is en, voor wat het tweede onderdeel betreft, zelfs niet goed begrepen kan worden; dat volgens haar verzoeker toegeeft dat het nadeel van zuiver morele aard is en zulk een nadeel behoudens uitzonderlijke omstandigheden kan worden goedgemaakt door de morele voldoening die het annulatie-arrest veroorzaakt; dat zij vervolgt dat het tweede onderdeel van de omschrijving van het nadeel erop schijnt te wijzen dat de verzoekende partij als bruggepensioneerde zijn tijd niet kan invullen, zodat hij maar beter in de commissie kan zetelen, waardoor hij zijn persoonlijke ambitie, c.q. zijn tijdsbestedingsprobleem, verwart met de normen en criteria voor de benoeming in de commissie; dat ten slotte de bewering als zou de vervroegde beëindiging van zijn mandaat door sommigen als een verkapte tuchtmaatregel worden opgevat, betrekking heeft op de tweede bestreden beslissing, welke vordering onontvankelijk is ratione temporis; 6.3. Overwegende dat het mandaat van lid van een provinciale visserijcommissie krachtens artikel 3 van het voornoemde koninklijk besluit van 13 december 1954 in de regel vier jaar bedraagt; dat zoals blijkt uit de gegevens van deze zaak, het soms wordt beperkt tot twee jaar, teneinde in bepaalde gevallen de naleving mogelijk te maken van de regel dat om de twee jaar de helft van de mandaten wordt vernieuwd; dat zoals de Raad van State onder meer heeft aangenomen in zijn arrest nr. 132.915, HENDRIX, in algemene vergadering gewezen op 23 juni 2004, “ de voornaamste betrachting van iemand die, zoals verzoeker, voor de Raad van State de rechtshandeling aanvecht waardoor hij niet wordt aangesteld in een betrekking waarvoor hij zich kandidaat had gesteld maar waarin integendeel iemand anders wordt aangesteld, is door de nietigverklaring ervan te verkrijgen dat die betrekking opnieuw open verklaard wordt en dat hij aldus de kans krijgt om zelf, in plaats van degene wiens benoeming nietig verklaard is, in die betrekking te worden aangesteld en om ze daadwerkelijk waar te nemen”; dat, toegepast op deze zaak, wanneer de Raad van State ten gronde uitspraak zal doen over de bestreden IX-4874-11/13 aanstelling van de leden van de provinciale visserijcommissie, de kans groot is, niet alleen dat de duur van hun mandaat niet enkel voor een groot deel, maar gelet op de huidige overbelasting van de Raad van State, volledig verstreken zal zijn en dat, net zoals in het aangehaalde arrest HENDRIX, vastgesteld zal moeten worden dat een eventuele aanstelling van verzoeker niet veel meer dan louter een fictief karakter zal kunnen hebben en hem het wettig vereiste belang bij de nietigverklaring van het besluit van 1 januari 2005 tot samenstelling van de provinciale visserijcommissie Limburg zal worden ontzegd; dat bijgevolg de dreiging van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voldoende is aangetoond, BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit genomen op 1 januari 2005 door de Gouverneur van de provincie Limburg, houdende samenstelling van de provinciale visserijcommissie Limburg op 1 januari 2005. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-4874-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig november 2000 en vijf, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-4874-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.472 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.202 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.