← België

Arrest 151478 - - 21/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.478 Rolnummer: A. 99705/IX-2698 Zaak: Arrest 151478 - - 21/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 04:59 Fiche Arrest nr 151.478 van 21 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.478 van 21 november 2005 in de zaak A. 99.705/IX -

  1. In zake : het Openbaar Centrum Voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van LIER, dat woonplaats kiest bij advocaat P. VAN RILLAER, kantoor houdende te BONHEIDEN, Putsesteenweg 8 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering. tussenkomende partij : Steven HAZENBOSCH, die woonplaats kiest bij advocaat L. LENAERTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Nachtegaalstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn -hierna: OCMW- van LIER op 23 januari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 november 2000 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport waarbij het hoger beroep van het OCMW tegen het besluit van 3 augustus 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen tot niet- goedkeuring van het besluit van 27 april 2000 van de raad voor maatschappelijk welzijn houdende het opleggen van de tuchtmaatregel van drie maanden schorsing aan Steven HAZENBOSCH, niet wordt ingewilligd; IX-2698-1/6 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 2 maart 2001; Gelet op de beschikking van 20 maart 2001 die de tussenkomst van Steven HAZENBOSCH toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 26 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 november 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J . DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN RILLAER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat L. LENAERTS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-2698-2/6
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Steven HAZENBOSCH is verantwoordelijke voor de afdeling residentiële ouderenzorg van het OCMW van Lier. 1.
  5. Op zijn vraag ontvangt het OCMW op 23 november 1999 een afschrift van documenten waaruit blijkt dat op 18 augustus 1999 een inschrijving in het Handelsregister werd aangevraagd voor een vennootschap onder firma, “Hazenbosch” genoemd, waarvan het voornoemde personeelslid vennoot is. 1.
  6. De secretaris van het OCMW stelt vervolgens een tuchtverslag op ten laste van Steven HAZENBOSCH waarin hij wijst op de voorschriften, eensdeels, van artikel 14 van het personeelsstatuut betreffende het verbod voor personeelsleden om, zelf of door een tussenpersoon, handel te drijven en om een bijbetrekking uit te oefenen die onverenigbaar is met het beklede ambt en, anderdeels, van artikel 49 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna “de OCMW-wet”), naar luid waarvan personeelsleden, zelf of door een tussenpersoon, geen enkele bezigheid mogen verrichten die kan schaden aan het vervullen van hun ambtsplichten of die met de waardigheid van het ambt in strijd is (§ 1), evenmin als een, zelfs onbezoldigde, opdracht of dienst in particuliere zaken met winstoogmerk (§ 2).De secretaris stelt voor betrokkene, gelet op zijn blanco tuchtverleden en het feit dat het om een zeer goed en gemotiveerd medewerker gaat, bij tuchtmaatregel een blaam of een berisping op te leggen. 1.
  7. Nadat hij Steven HAZENBOSCH heeft gehoord, besluit de raad voor maatschappelijk welzijn op 27 april 2000 betrokkene voor de feiten die in het verslag van de secretaris zijn vermeld, bij tuchtmaatregel gedurende drie maanden te schorsen vanaf de betekening van de beslissing. IX-2698-3/6 1.
  8. Met een brief van 26 mei 2000 dient de raadsman van Steven HAZENBOSCH tegen het tuchtbesluit bezwaar in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 1.
  9. Op 3 augustus 2000 besluit de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het tuchtbesluit van 27 april 2000 van de raad voor maatschappelijk welzijn niet goed te keuren wegens schending van het evenredigheidsbeginsel. 1.
  10. Op beroep van het OCMW van Lier neemt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport op 27 november 2000 het thans bestreden besluit om het beroep van het OCMW niet in te willigen. De minister overweegt in hoofdorde dat het tuchtbesluit van 27 april 2000 niet binnen een termijn van tien werkdagen aan het betrokken personeelslid ter kennis is gegeven, zodat het krachtens artikel 307 van de Nieuwe Gemeentewet als ingetrokken moet worden beschouwd. 2.
  11. Overwegende dat het bevoegde lid van het auditoraat ambtshalve opwerpt dat het tuchtbesluit van 27 april 2000 van de raad voor maatschappelijk welzijn, waarbij Steven HAZENBOSCH bij tuchtmaatregel gedurende drie maanden wordt geschorst, hetwelk door het bestreden besluit van 27 november 2000 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport niet wordt goedgekeurd, als ingetrokken moet worden beschouwd; dat zulks volgens het lid van het auditoraat volgt uit artikel 307, tweede lid, van de Nieuwe Gemeentewet, dat krachtens artikel 52 van de OCMW-wet ook van toepassing is op tuchtmaatregelen die worden genomen ten aanzien van vast benoemde personeelsleden van het OCMW, omdat van de tuchtmaatregel geen kennis was gegeven binnen de termijn van tien werkdagen, waardoor de verzoekende partij niet het rechtens vereiste belang heeft bij de nietigverklaring van het laatstgenoemde besluit; dat, immers, in de onderhavige zaak het tuchtbesluit genomen werd op 27 april 2000 en de omstandigheid dat het verslag van de vergadering van 27 april IX-2698-4/6 2000 pas op 11 mei 2000 door de raad voor maatschappelijk welzijn is goedgekeurd, daar niets aan verandert: de kennisgeving van het tuchtbesluit aan het betrokken personeelslid had krachtens de voormelde wetsbepaling dan ook uiterlijk op 10 mei 2000 dienen te gebeuren, doch de secretaris en de voorzitter van het OCMW hebben pas met een aangetekende brief van 18 mei 2000 verzoeker van de tuchtbeslissing en haar motivering in kennis gesteld; 2.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij laat gelden dat het recht op tegenspraak, besloten in de rechten van de verdediging, inhoudt dat elke partij kennis moet kunnen nemen van de middelen die tegen haar worden aangevoerd, dat deze vereiste een zuiver formeel karakter heeft en de inhoud van de middelen die zonder tegenspraak tegen een partij gebruikt worden, geen enkele rol speelt; dat volgens haar de omstandigheid dat de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport het tuchtbesluit op grond van artikel 307 als ingetrokken beschouwde, niet wegneemt dat de Vlaamse minister de rechten van de verdediging van de verzoekende partij geschonden heeft door dit te doen zonder haar de gelegenheid te geven haar verweermiddelen te laten gelden, zodat het bestreden besluit zelf nietig is; dat de verzoekende partij geen middelen ten gronde aanvoert tegen de stelling in hoofdorde van het bestreden besluit, volgens welke het tuchtbesluit als ingetrokken beschouwd diende te worden; 2.
  13. Overwegende dat het recht van verdediging in tuchtzaken als zodanig niet kan worden ingeroepen door de overheid die de tuchtstraf oplegt; dat zij ook niet in de positie verkeert van iemand tegen wie een maatregel wordt overwogen die gegrond is op haar persoonlijk gedrag en die haar belangen ernstig kan beknotten; dat hoe dan ook overigens, het feit dat de aan Steven HAZENBOSCH opgelegde tuchtsanctie hem niet binnen de termijn van tien werkdagen ter kennis was gegeven, voor eenvoudige constatering vatbaar was, zodat het horen van de verzoekende partij daaraan niets kon veranderen; dat de Vlaamse minister, optredende als toezichthoudende overheid, geen rechter is op wiens uitspraken artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van IX-2698-5/6 de Mens en de Fundamentele Vrijheden van toepassing is; dat de ambtshalve opgeworpen exceptie moet worden bijgevallen, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig november 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2698-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.478 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.