id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.495 Rolnummer: Zaak: Arrest 151495 - - 21/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 05:08 Fiche Arrest nr 151.495 van 21 november 2005 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.495 van 21 november 2005 in de zaken A. 56.277/IX-1379 58.513/IX-
- In zake : I. + II. Luc BAMPS, wonende te DILSEN-ROTEM, Emiel Dorlaan 27 A tegen : I. + II. De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. tussenkomende partij : I. + II. Marc BLOMME, wonende te WESTENDE, Lombardsijdelaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc BAMPS op 10 februari 1994 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van volgende beslissingen : - de beslissing van 28 april 1993 van het “selectiecomité overgang 1992” om zijn kandidatuur niet te weerhouden voor de overgang van tijdelijke officieren naar het kader van de aanvullingsofficieren, - de beslissing om hem geen wederdienstneming te verlenen vanaf 1 oktober 1993, - het koninklijk besluit nr. 79 van 8 november 1993 in zoverre hij daarmee naar het kader van de reserveofficieren wordt overgeplaatst, - de beslissing van het “selectiecomité overgang 1992” om de kandidaturen van de officieren PAHAUT, HACCURIA, BLOMME, WOLFS en GEORGES te weerhouden, IX-1379-1/12 - het “koninklijk besluit van 14 juli 1993” in zoverre de luitenanten BLOMME, HACCURIA, PAHAUT, WOLFS en GEORGES overgeplaatst worden naar het aanvullingskader (de zaak 56.277/IX-1.379); Gezien het verzoekschrift dat Luc BAMPS op 18 juni 1994 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van volgende beslissingen : - de nieuwe beslissing van 18 januari 1994 van het selectiecomité om zijn kandidatuur opnieuw niet te weerhouden, - de nieuwe beslissing van 18 januari 1994 van het selectiecomité om opnieuw de kandidaturen van de officieren PAHAUT, HACCURIA, BLOMME en WOLFS te weerhouden, - het koninklijk besluit nr. 248 van 28 februari 1994 waarbij de tijdelijke officieren HACCURIA en PAHAUT worden opgenomen in het korps van de aanvullings- officieren, - het koninklijk besluit nr. 28.544 van 7 juni 1993 in zoverre dat besluit, in de mate het betrekking heeft op de opname van de officieren BLOMME en WOLFS in het aanvullingskader, “impliciet maar zeker na een nieuw onderzoek bevestigd (is)”, en van - het koninklijk besluit nr. 79 van 8 november 1993 waarbij verzoeker naar het reservekader wordt overgeplaatst, in zoverre dat besluit “na nieuw onderzoek op impliciete maar vaststaande wijze bevestigd wordt” (de zaak 58.513/IX-1.380); Gelet op de arresten nrs. 47.665 van 30 mei 1994 en 49.359 van 3 oktober 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten in de respectieve zaken wordt verworpen; Gezien de door Marc BLOMME ingediende verzoekschriften tot tussenkomst van 25 oktober 1994 en 28 maart 1995; Gelet op de beschikkingen van 14 november 1994 en 10 april 1995 die de tussenkomst toelaten; IX-1379-2/12 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikkingen van 18 september 1998 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij in de respectieve zaken; Gelet op de beschikkingen van 4 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die persoonlijk verschijnt, van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij, en van de tussenkomende partij, die persoonlijk verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de beide zaken uiteengezet zijn in de arresten nr. 47.665 van 30 mei 1994 en nr. 49.359 van 3 oktober 1994 waarbij uitspraak gedaan is over de schorsingsvorderingen die verzoeker tegen de bestreden beslissingen heeft ingeleid; IX-1379-3/12 Overwegende dat uit de feitelijke gegevens van de zaak blijkt dat de beide zaken met elkaar verbonden zijn zodat er in één arrest uitspraak over kan gedaan worden;
- Overwegende dat verzoeker ten tijde van de bestreden beslissingen in dienst van de Krijgsmacht was als tijdelijk officier, op basis van dienstnemingen voor een bepaalde duur; dat hij zich met de beide annulatieberoepen verzet tegen een aantal beslissingen die het hem onmogelijk maken van het tijdelijk kader naar het aanvullingskader over te gaan hetgeen, wegens de afschaffing van het tijdelijk kader bij de Krijgsmacht, tot gevolg heeft gehad dat hij, bij afloop van zijn dienstverbintenis op 30 september 1993, het actief kader van de Krijgsmacht moest verlaten en opgenomen werd in het reservekader; dat de beslissingen die verzoeker bestrijdt enerzijds de beslissingen zijn van het selectiecomité om, binnen het toegelaten quotum, hem niet en vier andere tijdelijke officieren wel tot het aanvullingskader toe te laten en de daarbij aansluitende koninklijke besluiten waarbij die overgang geformaliseerd is -het betreft de beslissing van het selectiecomité van 28 april 1993 en van 18 januari 1994 en de koninklijke besluiten van 7 juni 1993 en 28 februari 1994- en anderzijds de beslissingen waarbij hij uit het actief kader van de Krijgsmacht verwijderd wordt -de beslissing om hem geen wederdienstneming te geven vanaf 1 oktober 1993 en de beslissing om hem, wegens de beëindiging van zijn dienstverbintenis, naar het reservekader over te hevelen; De zaak 56.277/IX-1379 3.
- Overwegende dat in het arrest nr. 47.665 van 30 mei 1994 de vordering tot schorsing, die verzoeker met zijn verzoekschrift van 10 februari 1994 heeft ingediend, als onontvankelijk verworpen is; dat het arrest -ingaande op een exceptie van de verwerende partij dat de “eigenlijke griefhoudende eindbeslisssing in het geding het koninklijk besluit van 7 juni 1993 is” maar dat de beroepstermijn tegen dat besluit in juli 1993 aangevangen is, dat verzoeker ook in augustus 1993 kennis had van de beslissing om hem geen wederdienstneming te gunnen en dat de beslissing IX-1379-4/12 om verzoeker naar het reservekader over te plaatsen hem alleen maar het voordeel kan opleveren niet te moeten dienen in het reservekader- gesteld heeft : - dat het koninklijk besluit van 7 juni 1993, waarbij de tijdelijke officieren HACCURIA, BLOMME, WOLFS, PAHAUT en GEORGES naar het aanvullingskader overgaan, bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 14 juli 1993 zodat de vordering laattijdig ingediend is, - dat de beslissing van het selectiecomité om de kandidatuur van verzoeker niet te weerhouden -waarvan hij uiterlijk in mei 1993 kennis heeft gekregen- en deze van de voornoemde vijf andere officieren wel -die hem niet betekend moest worden-, voorbereidende beslissingen zijn ten aanzien van het koninklijk besluit van 7 juni 1993, zodat ook op dat vlak de vordering laattijdig ingediend is, - dat de beslissing om hem geen nieuwe wederdienstneming toe te kennen hem medegedeeld is met een brief van 26 augustus 1993 zodat ook die vordering laattijdig ingediend is, - dat de beslissing om verzoeker met ingang van 1 oktober 1993 naar het reservekader over te plaatsen steunt op het beëindigen van zijn wederdienstneming zodat de vernietiging van die beslissing geen invloed heeft op de vroeger genomen beslissing -“waar het verzoeker om gaat”- houdende de weigering hem naar het aanvullingskader te laten overgaan; 3.
- Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag over het annulatieberoep in die zaak de excepties van de verwerende partij opnieuw bijgevallen is, vaststellend dat verzoeker geen argumenten of gegevens aangevoerd heeft die het voorlopig oordeel in het arrest over de vordering tot schorsing in essentie zou kunnen ontkrachten en op grond waarvan men tot een ander besluit zou moeten komen; dat hij daar ook uiteengezet heeft dat de in de memorie van wederantwoord gevraagde uitbreiding van het beroep tot de beslissing van het selectiecomité van 18 januari 1994 en het koninklijk besluit van 28 februari 1994 waarbij de officieren PAHAUT en HACCURIA, na schorsing van hun eerdere mutatie door de Raad van State, opnieuw tot het aanvullingskader worden toegelaten, ook niet ontvankelijk is, wegens de onontvankelijkheid van het initiële beroep; IX-1379-5/12 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie uiteenzet dat twee “essentiële overwegingen” beletten dat de redenering van het arrest over de schorsing bijgevallen kan worden : - uit het dossier blijkt dat op 18 januari 1994 een nieuw selectiecomité gehouden werd en dat dit comité een identieke beslissing als deze van 28 april 1993 genomen heeft; aldus is een “nieuwe grondslag” voor de benoemingen ontstaan, begon op 18 januari 1994 een nieuwe beroepstermijn te lopen en is het beroep van 10 februari 1994 tijdig ingediend; - de beroepstermijn gaat slechts in wanneer de betrokkene kennis heeft van een formeel gemotiveerde beslissing en het blijkt niet dat de beslissing van 28 april 1993 van de selectiecommissie met de motieven die er ten grondslag aan liggen hem ter kennis gebracht zijn; Overwegende dat verzoeker nu ook vraagt dat het voorwerp van het beroep uitgebreid zou worden tot de bevorderingsbeslissingen die de in het geding betrokken personen inmiddels hebben gekregen, verzoeker binnen het reservekader en de anderen binnen het kader van de aanvullingsofficieren; 3.4.
- Overwegende dat verzoeker ten onrechte van oordeel is dat de tweede beslissing van het selectiecomité -deze van 18 januari 1994, genomen nadat de Raad van State het koninklijk besluit van 7 juni 1993 gedeeltelijk had geschorst en de verwerende partij haar geschorste beslissing had ingetrokken- voor hem een nieuwe termijn opent om het koninklijk besluit van 7 juni 1993 opnieuw te bestrijden; dat immers dat koninklijk besluit de eindbeslissing was die verzoeker onherroepelijk uitschakelde voor de overgang naar het aanvullingskader en die hij tijdig moest bestrijden; dat gewis de gedeeltelijke schorsing van dat koninklijk besluit en de herneming van de administratieve besluitvorming vanaf de vastgestelde onregelmatigheid, verzoeker wel de mogelijkheid biedt om zich te verzetten tegen de nieuwe besluiten die in het kader van de heroverweging daarop volgen, maar dat zulks slechts kan met een nieuwe vordering die niets afdoet aan het feit dat het koninklijk besluit van 7 juni 1993 definitief geworden is door het verstrijken van de beroepstermijn; IX-1379-6/12 3.4.
- Overwegende dat verzoeker de beslissing van het selectiecomité van 28 april 1993, aangezien het een voorbeslissing is ten aanzien van het koninklijk besluit van 7 juni 1993, in ieder geval samen met dit laatste besluit had moeten bestrijden, ook al was hij toen van oordeel dat hij niet terdege in kennis gesteld was van de redenen waarom de selectiecommissie hem niet in nuttige orde gerangschikt had; dat onregelmatigheden in de kennisgeving van voorbeslissingen een verzoeker niet toelaten te wachten met het bestrijden van de eindbeslissing -de enige die definitief grieft- totdat de onregelmatigheid rechtgezet wordt; 3.4.
- Overwegende dat de argumenten die verzoeker in zijn laatste memorie uiteenzet niet van aard zijn om de in het arrest nr. 47.665 gemaakte conclusie af te vallen dat het beroep niet ontvankelijk is omdat het koninklijk besluit van 7 juni 1993 niet tijdig bestreden is; dat het arrest ook wordt bijgevallen waar het vaststelt dat verzoeker geen belang heeft bij het bestrijden van het koninklijk besluit waarbij hij in het reservekader wordt opgenomen en dat hij zich niet tijdig verzet heeft tegen de beslissing om vanaf 1 oktober 1993 geen nieuwe dienstverbintenis meer te laten aanvangen; dat overigens, wat de verlenging van zijn dienstverbintenis betreft, de verwerende partij er terecht op wijst dat de verlenging door de wet, meer bepaald artikel 61, eerste lid, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, onmogelijk was gemaakt zodat de door verzoeker bestreden mededeling zelfs niet van aard was om een wijziging in zijn rechtstoestand tot stand te brengen; dat, even terecht, de verwerende partij stelt dat krachtens artikel 55, lid 1, 2/b, van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en de medische dienst en der reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst, en artikel 1, 3/, van het koninklijk besluit van 25 september 1959 betreffende het statuut der reserveofficieren, zoals die bepalingen ten tijde van de bestreden beslissingen van toepassing waren, een personeelslid van het tijdelijk kader op het einde van zijn dienstverbintenis opgenomen wordt in het reservekader, zodat ook de overgang van verzoeker naar het reservekader geen discretionaire beslissing is, maar de eenvoudige toepassing van de bestaande reglementering en “een wettelijk IX-1379-7/12 uitvloeisel” van de beslissing om hem niet naar het aanvullingskader te laten overgaan; 3.
- Overwegende dat de vaststelling dat het beroep initieel niet ontvankelijk is, tot gevolg heeft dat de subsidiaire vorderingen die verzoeker na het indienen van zijn beroep bij het voorwerp van zijn vordering betrokken heeft, niet ontvankelijk zijn; 3.
- Overwegende dat het beroep niet ontvankelijk ingediend is; De zaak 58.513/IX-1380 4.
- Overwegende dat het beroep ertoe strekt de nietigverklaring te verkrijgen van het koninklijk besluit van 28 februari 1994, waarbij de officieren HACCURIA en PAHAUT naar het kader van de aanvullingsofficieren worden overgeplaatst, nadat het selectiecomité op 18 januari 1994 de kandidaturen opnieuw had overwogen en de kandidaten op identieke manier had gerangschikt als op 28 april 1993, evenals van de daarin besloten weigering om hemzelf in nuttige orde te rangschikken; dat hij in het koninklijk besluit van 28 februari 1994 ook de impliciete bevestiging ziet van het koninklijk besluit van 7 juni 1993 in zoverre daarbij de officieren BLOMME en WOLFS naar het aanvullingskader werden overgeplaatst evenals de impliciete bevestiging van het koninklijk besluit van 8 november 1993 waarbij hij naar het kader van de reserveofficieren wordt overgeplaatst; 4.2.
- Overwegende, wat betreft de impliciete bevestiging van de beslissing om de officieren BLOMME en WOLFS naar het aanvullingskader over te plaatsen -het vierde voorwerp van het beroep-, dat uit geen stuk van het dossier blijkt dat de Koning geacht kan worden met zijn besluit van 28 februari 1994 het besluit van 7 juni 1993 te hebben willen bevestigen; dat die impliciete bevestiging ook niet mag afgeleid worden uit het feit dat het selectiecomité bij het heroverwegen op 18 januari 1994 van de rangschikking, dezelfde vier kandidaten voordraagt als het eerder op 28 april 1993 reeds had gedaan; dat het vierde voorwerp van het beroep -de in het IX-1379-8/12 koninklijk besluit van 28 februari 1994 besloten benoeming van de officieren BLOMME en WOLFS- onbestaande is; 4.2.
- Overwegende dat dezelfde redenering geldt wat betreft de ontvankelijkheid van het vijfde voorwerp van het beroep, te weten de impliciete bevestiging -wegens de nieuwe beoordeling van het selectiecomité van 18 januari 1994 en zijn niet-benoeming door de Koning- van de overplaatsing van verzoeker naar het kader van de reserveofficieren vanaf 1 oktober 1993; dat ook die beslissing onbestaande is, aangezien uit geen gegeven van het dossier blijkt dat het koninklijk besluit van 8 november 1993 op enige wijze onder de aandacht van de minister is gebracht toen hij aan de Koning voorstelde om de officieren HACCURIA en PAHAUT als aanvullingsofficier aan te stellen; 4.3.
- Overwegende dat, in het kader van de vraag naar het actueel belang, de Raad van State ambtshalve moet onderzoeken of verzoeker op dit ogenblik nog enig voordeel kan halen uit de vernietiging van de beslissing van de selectiecommissie om verzoeker niet en vier andere tijdelijke officieren wel batig te rangschikken voor de overgang naar het aanvullingskader en het daarop gevolgd koninklijk besluit om twee van die officieren daadwerkelijk naar het aanvullingskader over te plaatsen; dat, daarover ondervraagd, verzoeker op 7 februari 2005 aan de Raad van State medegedeeld heeft wat volgt : “De benoemingen in het tijdelijk en het aanvullingskader gebeuren naar anciënniteit. In de laatste memorie heeft mijn raadsman destijds in 1998 (!), voorzichtigheidshalve het voorwerp uitgebreid tot andere 'gevolg-akten'. In geval van vernietiging van de bestreden akten word ik -ex tunc- tijdelijk officier en moet de verwerende partij, wellicht het selectiecomité, de nodige maatregelen treffen om me in de mogelijkheid te stellen om automatisch -of mits enige formaliteiten- opgenomen te worden in het aanvullingskader. Er is mij geen enkel juridisch noch feitelijk gegeven bekend, waaruit zou blijken dat de verwerende partij in de volstrekte juridische onmogelijkheid verkeert om - in beginsel ex tunc - hier op in te gaan. Evenmin zou ik (...) weten waarom ik in geen geval aanvullingsofficier - in beginsel ex tunc - zou kunnen worden. Volledigheidshalve voeg ik er aan toe dat niets de minister, als verwerende partij belet om na het annulatie-arrest, een hoger aantal plaatsen vacant te verklaren, dan destijds voorzien was. De minister IX-1379-9/12 is immers ook mens en de eventuele kans hiertoe is dan ook niet louter hypothetisch. Ik herhaal hierbij nogmaals dat ik het statuut van officier van het actief kader verkies boven het statuut van reserve-officier.”; 4.3.
- Overwegende dat de vernietiging van de hier onderzochte beslissingen niet tot gevolg heeft dat verzoeker wordt geacht opnieuw in het tijdelijk kader te zijn opgenomen, noch dat voor verzoeker het recht ontstaat om als aanvullingsofficier in de Krijgsmacht te worden opgenomen, maar enkel dat de selectiecommissie de aangelegenheid moet heroverwegen en opnieuw, rekening houdend met de gegevens die haar op 18 januari 1994 voorlagen, een beslissing moet nemen over de batige rangschikking van twee kandidaten; dat de omstandigheid dat de dienstverbintenis van verzoeker definitief beëindigd is op 1 oktober 1993 niet belet dat een vernietigingsarrest en het herstel van de status quo ante hem een nieuwe kans verleent om batig gerangschikt te worden; 4.3.
- Overwegende dat de verwerende partij van oordeel is dat verzoeker, na een eventuele vernietiging, niet meer als tijdelijk officier in de Krijgsmacht geïntegreerd kan worden met het oog op een mogelijke overgang naar het aanvullingskader; dat zij in een brief van 18 oktober 2005 uiteenzet wat volgt : “Er moet echter vastgesteld worden dat in de hypothese de Raad van State toch zou overgaan tot de vernietiging van de bestreden beslissing, verzoeker nooit als tijdelijk officier bij de Krijgsmacht kan worden gereïntegreerd m.h.o. op een eventuele overgang naar het aanvullingskader. Immers, de wet van 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de Krijgsmacht (B.S. van 11 augustus 1976 (...), welke o.m. het statuut van het militair personeel van het tijdelijk kader van de Krijgsmacht instelt, werd door de wet van 21 december 1990 (...) met ingang van 15 augustus 1994 (...) opgeheven. De vraag moet worden gesteld of verzoeker, rekening houdende met het voormeld wettelijk kader, nog enig actueel belang kan hebben bij zijn beroep”; 4.3.
- Overwegende dat de statutaire toestand van verzoeker ten tijde van de bestreden beslissingen -met inbegrip van de regeling voor de overgang van het tijdelijk kader naar het aanvullingskader- geregeld was door de bepalingen van IX-1379-10/12 hoofdstuk II van de wet van 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de Krijgsmacht; dat evenwel het gehele hoofdstuk II door artikel 59, 5/, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader opgeheven is en dat die opheffingsbepaling door artikel 5, 11/, c, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 houdende de inwerkingstelling van sommige bepalingen betreffende de rechtstoestanden van het militair personeel in werking gesteld is op 15 augustus 1994; dat verzoeker niet betwist dat het statuut waaronder hij voordien tewerkgesteld was niet meer bestaat en dat hij ook geen bepaling aanwijst die het voor de verwerende partij op dit ogenblik nog mogelijk zou maken hem in het eertijds bestaande tijdelijk kader te reïntegreren met het oog op zijn mogelijke overgang naar het aanvullingskader; dat, vanuit dat oogpunt, een vernietiging van de beslissing van de selectiecommissie verzoeker geen enkel voordeel meer kan opleveren; dat verzoeker geen actueel belang heeft bij de vernietiging van de beslissing van 18 januari 1994 van het selectiecomité en het daarop gevolgde koninklijk besluit van 28 februari 1994, BESLUIT: Artikel
- De zaken A. 56.277/IX-1379 en A. 58.513/IX-1380 worden samengevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. IX-1379-11/12 Artikel
- De kosten van de gedingen, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 148,74 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig november 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-1379-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.495 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.