← België

Arrest 151523 - - 22/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.523 Rolnummer: A. 139216/XIV-15968 Zaak: Arrest 151523 - - 22/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 05:12 Fiche Arrest nr 151.523 van 22 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.523 van 22 november 2005 in de zaak A. 139.216/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. PIRARD, kantoor houdende te 3840 BORGLOON, Stationsstraat 50 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indische nationaliteit, op 16 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 mei 2003 waarbij zijn aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 13 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-15.968-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. PIRARD, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Indische nationaliteit, heeft op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/. 1.
  4. Op 8 februari 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen. Bij arrest nummer 111.956 van 28 oktober 2002 wordt het beroep tegen voornoemde beslissing door de Raad van State verworpen. 1.
  5. Verzoeker heeft op 30 juli 2002 een aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ingediend. 1.
  6. Op 19 mei 2003 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken het verzoek om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing : “Mijnheer de Burgemeester, Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door :XXX nationaliteit: India geboren te Siana op 04/05/1969 ex-kandidaat vluchteling adres: Markt 26/3 te 3540 Herk-De-Stad in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mee dat dit verzoek onontvankelijk is. Redenen: XIV-15.968-2/4 De problemen die aangehaald werden waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden. De problemen in zijn land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd voor een tweede maal afgewezen door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door de Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen op 30/06/1999 en kennis gegeven op 02/07/
  7. Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Daarenboven heeft betrokkene zich ingeschreven bij de Regularisatiecommissie en heeft hij een negatieve beslissing gekregen met betrekking tot zijn aanvraag tot regularisatie op grond van de wet van 22/12/
  8. Artikel 16 § 1 van deze wet verbiedt het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf krachtens art. 9.3 van de wet van 15/12/1980 wanneer reeds een verzoek bij de Regularisatiecommissie werd ingediend (wat hier het geval is onder nr.35402000012800050). Dit verbod geldt niet enkel tot de eventuele verwerping van het verzoek, maar zolang genoemde wet van 22/12/1999 van kracht is. Tegen deze negatieve beslissing tekende betrokkene beroep aan bij de Raad van State. Dit beroep schorst echter deze beslissing niet op en verhindert betrokkene niet terug te keren naar India. Bovendien trachtte betrokkene bewust de Belgische overheid te misleiden door gebruik te maken van een alias en door te verzwijgen dat hij reeds in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Hierdoor kan hem geen gunstig regime worden toegestaan. Hij dient contact op te nemen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en/of de Indische ambassade ten einde zijn terugkeer voor te bereiden. Bijgevolg dient betrokkene dringend het Belgisch grondgebied te verlaten.”.
  9. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker op 27 januari 2000 een regularisatieaanvraag heeft ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk; dat deze aanvraag op 8 februari 2002 door de Minister van Binnenlandse Zaken werd verworpen; dat artikel 16 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk luidt als volgt : “De indiening van een aanvraag op grond van artikel 2 verbiedt de aanvrager om een aanvraag in te dienen op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De indiening, na de inwerkingtreding van deze wet, van een aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van voornoemde wet van 15 december 1980 verbiedt de aanvrager om, gelijktijdig of daarna, een aanvraag in te dienen op grond van artikel 2.”; dat bij een eventuele vernietiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 mei 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard, de Minister niet anders vermag dan dezelfde beslissing te nemen; dat derhalve een eventuele vernietiging van de XIV-15.968-3/4 voormelde beslissing aan verzoeker geen nut kan opleveren; dat dient vastgesteld dat verzoeker aldus geen belang heeft bij het beroep;
  10. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.968-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.523 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.