← België

Arrest 151526 - - 22/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.526 Rolnummer: A. 142117/XIV-16911 Zaak: Arrest 151526 - - 22/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-03 05:12 Fiche Arrest nr 151.526 van 22 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.526 van 22 november 2005 in de zaak A. 142.117/XIV-16.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat B. GILLARD, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Goedheidsstraat 5-7 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Liberiaanse nationaliteit, op 25 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen, enerzijds, van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten en, anderzijds, van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 138.930 van 5 januari 2005 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 1 februari 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-16.911-1/29 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. GILLARD, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Liberiaanse nationaliteit, komt in België binnen op 16 juni 2003 waar hij zich op 17 juni 2003 vluchteling verklaart. 1.
  4. Op 27 juni 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de eerste bestreden beslissing : “(...) BESLISSING TOT WEIGERING VAN VERBLIJF MET BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN In uitvoering van artikel 75, § 2, / de artikelen 81 en 75, § 2,

(1)van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 mei 1993, wordt het verblijf in het Rijk geweigerd aan : de persoon die verklaart te heten Kaillo Abdulai geboren te Kakata, op 15/12/1974 en van nationaliteit te zijn : Liberia REDEN VAN DE BESLISSING : ZIE BIJLAGE
(1)In uitvoering van artikel 7, lid 1,2 G, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt aan de betrokkene bevel gegeven het grondgebied te verlaten / binnen (vijf) dagen. Brussel, 27/06/2003 XIV-16.911-2/29 De gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken
(2)(...) BIJLAGE BIJ EEN BESLISSING TOT WEIGERING VAN VERBLIJF Betreft : de persoon die verklaart te heten K. A. geboren te Kakata , op 15/12/1974 en van nationaliteit te zijn : Liberia Toepassing van artikel 52 van de wet van 15 december 1980, gewijzigd bij de wet van 6 mei 1993 en 15 juli 1996 : daar de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. 1, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; Twee jaar geleden zouden betrokkenes vader en oudste broer, op vraag van zijn stiefmoeder, door leden van de Anti-terroristische Eenheid vermoord zijn omdat zijn vader weigerde zijn zonen te laten gaan om te vechten voor het leger van Charles Taylor. Betrokkene zou opgepakt zijn en zou twee weken opgesloten geweest zijn in de Kataha gevangenis. Hij zou vrijgelaten zijn omdat zijn moeder (step-mother) hen verzekerd had dat betrokkene zou gaan vechten. Na zijn vrijlating zou hij slecht behandeld geweest zijn door zijn stiefmoeder. In november 2001 zou zijn stiefmoeder aan de Special security officer gevraagd hebben betrokkene te komen halen om te gaan vechten. Omdat betrokkene weigerde me (mee) te gaan zou hij naar de Kataha gevangenis zijn overgebracht en zou hij tien maanden zijn vastgehouden. In oktober 2002 zou betrokkene overgebracht zijn naar het politiekantoor van Kakata, vanwaar hij na enkele dagen zou overgebracht zijn naar de Cobra-basis in Gbartala. Daar zou hij vastgehouden zijn tot januari
  1. Daarna zou hij overgebracht zijn naar het Boker Washington Institute in Kakata om er een militaire training te ondergaan. Na 2 à 3 weken zou betrokkene aan Musa, een militair van de Mandingo- stam, gevraagd hebben hem te helpen ontsnappen. 2 à 3 dagen later zou Musa betrokkene naar Bomi County overgebracht hebben en daar zou hij enkele weken op straat geleefd hebben. In maart 2003 zou betrokkene door LURD-rebellen opgepakt zijn. In april 2003 zou betrokkene, tijdens een aanval van het leger, erin geslaagd zijn te ontsnappen. Op weg naar Monrovia zou betrokkene door de regeringstroepen opgepakt zijn. Begin mei 2003 zou betrokkene samen met 3 andere gevangenen in de haven van Monrovia een boot hebben moeten laden. Betrokkene zou de hulp gevraagd hebben van een blanke man. Met diens hulp zou betrokkene erin geslaagd zijn het land te verlaten. Er dient te worden vastgesteld dat betrokkene onvoldoende feiten en elementen aanbrengt waaruit blijkt dat hij in zijn land van herkomst het slachtoffer zou geworden zijn van een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Betrokkene zou meermaals voor langere periodes opgesloten zijn, toch slaagt hij er nauwelijks in concrete en gedetailleerde informatie te verschaffen over deze detenties. Betrokkenes problemen met het leger en de rebellen zijn echter het gevolg van de problemen die hij kende met zijn stiefmoeder. Deze zou ervoor gezorgd hebben dat betrokkene met het leger zou moeten gaan vechten. De problemen die betrokkene kende met zijn stiefmoeder zijn inter-persoonlijk (tussen privé- personen). Gezien bovenstaande vaststellingen wordt zijn asielaanvraag onontvankelijk verklaard. (...).”. 1.
  2. Op 29 augustus 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing : “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal op 12 augustus 2003 bezit u de Liberiaanse nationaliteit en behoort u tot de Mandingo-etnie. In 2001 werd u door leden van de ATU (anti-terrorist unit) thuis gearresteerd met de bedoeling u in te zetten in de aan de gang zijnde strijd in Liberia tussen de regeringstroepen en de LURD- rebellen. U werd meegenomen naar de Carter High Prison in Kakata en er gedurende twee weken opgesloten. Uiteindelijk werd u, op vraag van uw stiefmoeder, weer XIV-16.911-3/29 vrijgelaten. In november 2001 kwamen leden van de SSO (special security officer) u opnieuw thuis arresteren en deze keer werd u gedurende tien maanden opgesloten in de Carter High Prison omdat u weigerde mee te vechten. In oktober 2002 werd u overgebracht naar de Cobra-base te Gbartala. Daar verbleef u gedurende drie maanden en onderging u één dag militaire training. In januari 2003 werd u naar het Booker Washington Institute te Kakata overgeplaatst waar u gedurende drie maanden een militaire training zou krijgen. Na een drietal weken slaagde u er echter in uit het instituut te ontsnappen en naar Tubmanburg in Bomi County te vluchten. Daar leefde u gedurende één maand op straat totdat de LURD-rebellen in maart 2003 Tubmanburg aanvielen. U werd door deze rebellen gevangengenomen en naar het Criminal Investigation Department gebracht waar u ondervraagd werd over uw verblijf in de stad. De inwoners van de stad hadden u als vreemdeling aangewezen en daarom werd u er door de LURD-rebellen van beschuldigd een spion te zijn voor de regeringstroepen. U werd gevangengezet maar slaagde erin tijdens een tegenaanval van de regeringstroepen op Tubmanburg uit deze gevangenis te ontsnappen. U vluchtte nu richting Monrovia maar werd onderweg door regeringstroepen gearresteerd en naar het politiebureau van Kakata gebracht. Daar stelde men vast dat u uit uw militaire training gedeserteerd was en werd u er eveneens van beschuldigd een spion te zijn, dit keer voor de rebellen. Begin mei 2003 werd u samen met drie andere gevangenen ’s nachts naar Monrovia gebracht om geëxecuteerd te worden. Onderweg veranderde het plan echter en reed de commandant naar de haven. U moest er samen met de anderen een boot vol munitie uitladen. U slaagde erin hulp te krijgen van de eigenaar van deze boot en zo aan uw executie te ontkomen. De eigenaar bracht u naar een groot schip waarmee u gedurende enkele weken ondergedoken reisde. Op 16 juni 2003 kwam u in België aan en op 17 juni 2003 vroeg u in België asiel aan. B. Motivering Vooreerst dient opgemerkt te worden dat uw opeenvolgende verklaringen niet eensluidend zijn. Zo verklaarde u tijdens uw gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in januari 2001 door leden van de anti-terrorist unit (ATU) gearresteerd werd nadat deze uw vader en broer om het leven gebracht hadden (zie gehoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken dd. 24 juni 2003, vraag 42). Ten aanzien van het Commissariaat-generaal verklaarde u echter niet meer te weten wanneer in 2001 u door leden van de ATU gearresteerd werd en beweerde u dat uw vader en uw broer in 2001 door leden van de special security officer -waarvan u stelde niet te weten of ze tot de ATU of tot een andere door u genoemde regeringsmilitie behoorden- om het leven werden gebracht, waarbij u niet kon aangeven of dit begin, midden of eind 2001 gebeurde (zie gehoorverslag Commissariaat-generaal, p. 7 en 2). Vervolgens dient erop gewezen te worden dat uw verklaringen betreffende de LURD- aanvallen op Kakata en Tubmanburg niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (en waarvan een kopie bij het administratief dossier op het Commissariaat-generaal is gevoegd). Uit deze informatie blijkt immers dat de LURD begin april 2002 de stad Kakata aanviel en kort innam, waarbij de LURD- rebellen de volledige stad probeerden plat te branden, het politiebureau van Kakata volledig door de vlammen verwoest werd en als gevolg van deze aanval de elektriciteit in Kakata permanent uitviel. Het is bijzonder weinig aannemelijk dat deze hevig verwoestende aanval van de rebellen op de stad waar u op dat ogenblik gevangen zat, ongemerkt aan u voorbij zou zijn gegaan. In elk geval is de aangehaalde informatie flagrant in strijd met uw stellige bewering dat de LURD Kakata nooit -en met name niet toen u er was- rechtstreeks aanviel en Kakata nooit binnenkwam, en dat de rebellen van de LURD alleen op een u niet nader bekend tijdstip de dorpen in de omgeving van Kakata aanvielen (p. 6). Vervolgens verklaarde u dat u in februari 2003 vluchtte naar de stad Tubmanburg, daar op straat leefde tot de rebellen van de LURD er in maart 2003 aanvielen en dat u tijdens een tegenaanval van het regeringsleger -die volgens uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (punt 42) in april 2003 plaatshad, volgens uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal alleszins vóór mei 2003- uit de door de LURD gecontroleerde gevangenis kon ontsnappen omdat de rebellen van de LURD zich terugtrokken (p. 9). Nochtans blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt dat de LURD de stad Tubmanburg reeds begin februari 2003 aanviel en in XIV-16.911-4/29 handen kreeg en sindsdien, alleszins tot midden juli 2003, de controle over de stad niet meer verloor ten voordele van de regeringstroepen. Ten slotte wordt de waarachtigheid van uw verklaringen volledig ondermijnd door een reeks gebeurtenissen die totaal onaannemelijk en ongeloofwaardig zijn in de context van de reële situatie in Liberia de afgelopen jaren (zie informatie in het administratief dossier op het Commissariaat-generaal). Kort samengevat blijkt immers uit verschillende bronnen dat de aanvankelijk sporadische aanvallen van de LURD in 1999 en 2000, in de daaropvolgende jaren 2001 en vooral 2002 een dusdanige intensiteit bereikten dat president Charles Taylor begin 2002 de noodtoestand afkondigde over zijn land. In dit klimaat van toenemende druk op de Liberiaanse overheid begonnen zowel de regeringstroepen als de rebellen de mensenrechten ernstig met de voeten te treden. De Liberiaanse regering hermilitariseerde de samenleving door onder meer remobilisatie van ex-strijders en het verplicht inlijven van honderden gewone burgers, die dikwijls met weinig of geen militaire training op een willekeurige wijze naar het front werden gestuurd. Ook aan de kant van de LURD-rebellen vonden er massaal gedwongen rekruteringen plaats. Bovendien kenmerkte de strijd zich door een etnische dimensie en werden onder andere de Mandingo’s, omwille van hun betrokkenheid bij de rebellenbeweging, meer en meer het slachtoffer van pure etnische vervolging. Tegen deze achtergrond is het dan ook volstrekt onaannemelijk dat u, als jonge en gezonde Mandingo, in 2001 wordt opgepakt voor dienst in het leger maar in plaats hiervan twee weken wordt opgesloten omdat u gewoon weigert te vechten, en ten slotte helemaal niet in de strijd wordt ingezet maar enkel en alleen op verzoek van uw stiefmoeder onvoorwaardelijk wordt vrijgelaten. Vervolgens leeft u enkele maanden thuis zonder verder te worden lastiggevallen tot u in november 2001 opnieuw voor dienst wordt opgepakt. Even ongeloofwaardig is dat u, opnieuw als jonge en gezonde man en bovendien een Mandingo, gedurende een bijzonder lange periode van tien maanden niet in de strijd wordt ingezet maar zomaar wordt opgesloten omdat u opnieuw gewoon weigert te vechten terwijl de gevechten in het Liberiaanse binnenland alsmaar toenemen en de stad waar u gevangen zit zelfs door de rebellen wordt aangevallen. In ditzelfde licht is het geheel onaannemelijk dat, in een tijd waar honderden burgers met weinig of helemaal geen militaire training aan het front worden ingezet, u naar een basis wordt gestuurd waar u drie maanden rondhangt, slechts één dag militaire training krijgt en vervolgens naar een andere basis wordt overgeplaatst waar u gedurende opnieuw drie maanden een training zou moeten ondergaan (opnieuw zonder in deze zes maand lange periode ooit in de strijd te worden ingezet). Bovendien slaagt u er blijkbaar gemakkelijk in uit deze basis te ontsnappen, wat vragen oproept over de ernst van de vervolgingsfeiten. Wanneer u vervolgens door de LURD-rebellen in Tubmanburg gearresteerd wordt, wordt u alweer niet in de strijd ingezet maar dragen de LURD-rebellen u over aan het Criminal Investigation Department, notabene een geïnstitutionaliseerde overheidsinstelling (alhoewel u na veel aarzelen verklaarde dat de CID een onderdeel van de LURD zou zijn, p. 9). Ten slotte is het bijzonder weinig geloofwaardig dat u bij uw laatste gevangenneming niet alleen niet in de strijd wordt ingezet maar bovendien in vol oorlogsgebied heen en weer wordt gereden naar ondermeer het politiebureau in Kakata en vervolgens, in een klimaat waar standrechtelijke executies de orde van de dag uitmaken, van Kakata naar Monrovia zou worden gebracht om geëxecuteerd te worden. Bovendien is uw ontsnappingsverhaal waarbij u toevallig geld vindt in de auto van de commandant, er ook nog in slaagt dit geld te stelen en vervolgens een aan het regeringsleger munitie leverende blanke man omkoopt, eveneens erg ongeloofwaardig. Bovenstaande vaststellingen ondermijnen de geloofwaardigheid van uw verklaringen zodanig dat er geen verder geloof meer gehecht kan worden aan uw asielrelaas. Het enige door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde document (Liberiaanse geboorte-akte) wijzigt hetgeen hierboven uiteengezet werd niet aangezien uw identiteit hier niet betwist wordt. Ten slotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. XIV-16.911-5/29 Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen dat het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is dat U gedwongen zou worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...)”.
  3. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat verzoeker zowel een beroep tot nietigverklaring indient van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2003 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten als van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat artikel 63/2, § 1 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt : “Tegen de beslissing waarbij (de Minister), of diens gemachtigde, met toepassing van artikel 52, de binnenkomst, het verblijf of de vestiging in het Rijk weigert aan de vreemdeling die zich vluchteling verklaart, kan een dringend beroep worden ingesteld bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.”; dat, gelet op de devolutieve kracht van dit dringend beroep, het beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 juni 2003 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten, onontvankelijk dient verklaard te worden;
  4. Over de gegrondheid van het beroep. 3.
  5. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “ENIG MIDDEL Schending van de artt. 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de artikelen 1, 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van het gebrek aan afdoende en geldige motivering, van de manifeste appreciatiefout, de onjuistheid van de feitelijke elementen en van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van de verdediging;
  6. Aangezien de Raad van State heeft geoordeeld dat de Commissaris Generaal, indien hij een aanvraag van vluchteling in het stadium van de ontvankelijkheid verwerpt, hij om passend en voldoende zijn beslissing te motiveren het geheel van de elementen van het dossier in aanmerking moet nemen en niet enkel de elementen die voor de verzochte erkenning ongunstig zijn (R.v.St., 51.146, 16 januari 1995); Aangezien eveneens is beslist dat tijdens het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning van het statuut van vluchteling een coherent. waarschijnlijk geloofwaardig en vrij van tegenstrijdigheden verhaal volstaat om aan XIV-16.911-6/29 te nemen dat er ernstige aanwijzingen in hoofde van de asielzoeker van een gegronde vrees voor vervolging in de betekenis van de Conventie van Genève, aanwezig zijn (R.v.St., 53.432, 29 mei 1995); Dat de Commissaris Generaal in de "ontvankelijkheidsfase" aldus niet bevoegd is uitspraak te doen over de grond van de zaak;
  7. Overwegende dat terzake de Commissaris Generaal zijn weigeringsbeslissing grondt op de omstandigheid dat de opeenvolgende verklaringen van verzoeker niet eensluidend zouden zijn; dat de verklaringen van verzoeker betreffende bepaalde feiten niet zouden overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt; dat tenslotte de waarachtigheid van de verklaringen van verzoeker ondermijnd zouden worden door een reeks gebeurtenissen die totaal onaannemelijk en ongeloofwaardig zijn in de context van de reële situatie in Liberia de afgelopen jaren;
  8. Overwegende dat de Commissaris Generaal geoordeeld heeft dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is; dat dit bedrieglijk karakter gemotiveerd dient te zijn; dat een onjuiste motivering -middels een verkeerde appreciatie- en een motivering met schending van de rechten van verdediging, gelijk gesteld dient te worden met een afwezigheid van motivering; Dat de beslissing van de Commissaris Generaal om volgende redenen dient vernietigd te worden; Eerste onderdeel
  9. Overwegende dat ten eerste het gebrek aan eensluidendheid aangestipt door de Commissaris Generaal betrekking heeft op de vermelding van data in het relaas van verzoeker en op de vraag door welke instantie verzoeker de eerste keer gearresteerd werd; Overwegende dat om volgende redenen de Commissaris Generaal niet redelijk kan voorhouden dat het om effectieve en ernstige tegenstrijdigheden gaat;
  10. Overwegende dat voorafgaand kan gesteld worden dat aan het verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken (stuk 4) geen onevenredig groot belang mag worden gehecht; dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken immers uiterst bekritiseerbaar is en ernstige vragen oproept over de "(bewijs)waarde" ervan; Dat allereerst niet te begrijpen valt hoe de Dienst Vreemdelingenzaken er toe gekomen is als -ontoelaatbare- grond van de asielaanvraag van verzoeker te weerhouden “inter-persoonlijke problemen met de stiefmoeder van concluant"; dat deze argumentatie om evidente redenen niet opnieuw werd weerhouden door de Commissaris Generaal, die in zijn beslissing noch expliciet noch impliciet betwist dat aan de grond van de asielaanvraag van verzoeker feiten liggen die vallen onder de Conventie van Genève d.d. 28 augustus 1951; Dat daarnaast evenmin naar redelijkheid te vatten is dat de Dienst Vreemdelingenzaken aan verzoeker verwijt "onvoldoende feiten en elementen aan te brengen" waaruit de gegrondheid van zijn verzoek zou blijken; dat het immers nu juist aan de Dienst Vreemdelingenzaken toekomt om met gerichte en precieze vragen de asielaanvraag van een kandidaat-vluchteling te beoordelen; Dat de procedure voor de Dienst Vreemdelingenzaken aldus ernstige schade heeft toegebracht aan het recht van verzoeker op (een procedure tot) asiel; dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken niet mag wegen op de beoordeling van de asielaanvraag van verzoeker op een wijze die buiten verhouding staat tot de “ernst” en "geloofwaardigheid" van deze beslissing;
  11. Overwegende dat het beweerd gebrek aan eensluidendheid terzake is dat verzoeker tijdens zijn verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij in januari 2001 door leden van de anti-terrorist-unit (ATU) werd gearresteerd nadat deze zijn vader en broer om het leven gebracht hadden, terwijl hij ten aanzien van de Commissaris Generaal verklaarde niet meer te weten wanneer hij in 2001 door leden van de ATU gearresteerd werd en hij beweerde dat zijn vader en broer in 2001 door leden van de special security officer -waarvan hij niet wist of ze tot de ATU of tot een andere regeringsmilitie behoorden- om het leven werden gebracht, waarbij hij niet kon aangeven of dit begin, midden of eind 2001 gebeurde; Overwegende dat aldus duidelijk blijkt dat het zogenaamde gebrek aan eensluidendheid "details" betreft, die geenszins een weerslag kunnen hebben op de algemene geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoeker, én dat er bij nader toezicht zelfs geen sprake is van gebrek aan eensluidendheid; XIV-16.911-7/29 Dat verzoeker op geen enkele van de feiten in de periode 2001-2003 exacte data kan plakken, gezien dit allerminst evident is ten tijde van een burgeroorlog, waarbij hij -in voornoemde periode- bovendien verscheidene malen gearresteerd en gevangengezet werd; dat steeds wanneer verzoeker in deze omstandigheden naar een bepaalde datum gevraagd werd, hij de waarheid sprak waar hij stelde niet meer te weten wanneer een bepaalde gebeurtenis juist had plaatsgevonden, en het feit dat hij niettemin een poging deed om aan de betrokken persoon een "datum bij benadering" te geven, doet hieraan geenszins afbreuk; Dat verzoeker inzonderheid het volgende antwoordde op de betreffende vraag: “Weet niet precies, ik stond onder druk”. (stuk 5; p. 2)
  12. Overwegende dat hetzelfde geldt voor wat de verschillende benamingen betreft van de instanties waarmee verzoeker werd geconfronteerd; dat de Commissaris Generaal in zijn beslissing de verkeerde indruk creëert dat verzoeker van het bestaan van geen van deze instanties op de hoogte was en verschillende instanties met elkaar verwarde, terwijl een lezing van het dossier in tegendeel aantoont dat verzoeker zeer goed op de hoogte is van vele van de benamingen en functies van de betreffende instanties; dat hij immers op de overgrote meerderheid van de vragen die hem hierover gesteld werden, met grote precisie en kennis van zaken wist te antwoorden; Dat terzake onder meer kan verwezen worden naar pp. 2, 4 en 10 van de "nota's genomen door het Commissariaat Generaal tijdens het gehoor inzake dringend beroep" (stuk 5); Dat de bestreden beslissing bovendien duidelijk een verkeerde interpretatie maakt van de elementen die door verzoeker in deze context werden aangebracht; Dat door de Commissaris Generaal terzake immers gevraagd werd naar de naam van het regeringsleger, en niet naar de afdeling van het leger waartoe de SSO behoorde: “VRAAG: Welke troepen ? ANTWOORD: SSO, Special Security Officer, een batalion. VRAAG: Batalion van wat ? ANTWOORD: Van de regering. VRAAG: Naam regeringsleger ? ANTWOORD: er zijn vele groepen, Cobra, A TU, het begin: AFL” (stuk 5, p. 2) Dat het beweerd gebrek aan eensluidendheid aldus enkel gebaseerd is op een niet gemotiveerde selectie van de verklaringen afgelegd door verzoeker, waarbij geen rekening werd gehouden met andere verklaringen afgelegd tijdens hetzelfde verhoor; dat inderdaad vaststaat dat binnen de gehele context van het verhoor bij de Commissaris Generaal, rekening houdend inzonderheid met het geheel van de verklaringen van verzoeker, dit zogenaamd gebrek aan eensluidendheid allerminst voorhanden is;
  13. Overwegende dat tenslotte, indien zou worden aangenomen dat de tegenstrijdigheden zouden zijn bewezen, deze, zoals gezegd, enkel betrekking hebben op details en geen afbreuk doen noch aan de geloofwaardigheid noch aan de onveranderlijkheid van de verklaringen van verzoeker; Dan verzoeker van bij zijn verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken een precies, gedetailleerd en omstandig verhaal heeft gedaan aangaande de gebeurtenissen die hem ertoe hebben gebracht zijn land te ontvluchten; dat hij hetzelfde verhaal herhaald heeft naar aanleiding van zijn verhoor op het Commissariaat Generaal; Dat een lezing van het dossier onweerlegbaar aantoont dat zijn verhaal samenhangend is en dat zijn verklaringen standvastig zijn gebleven, niet alleen aangaande de hoofdzaak van de door hem verhaalde gebeurtenissen, doch ook betreffende de talrijke details en de juiste omstandigheden die betrekking hebben op die gebeurtenissen; Dat de tegenstrijdigheden die de Commissaris Generaal -onterecht- weerhouden heeft onvoldoende zijn om het bedrieglijk en kennelijk ongegrond karakter van de asielaanvraag vast te stellen (zie -per analogiam- R.v.St., nr. 69.217, 28 oktober 1997, R. D. E., 1997, 55 l; T. Vreemd., 1998, 36); Dat dienvolgens de bestreden beslissing niet correct en afdoende gemotiveerd is; Tweede onderdeel XIV-16.911-8/29
  14. Overwegende dat de Commissaris Generaal eveneens overweegt dat de verklaringen van verzoeker betreffende de LURD-aanvallen op Kakata en Tubmanburg "niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat Generaal beschikt";
  15. Overwegende dat allereerst bezwaarlijk kan ontkend worden dat dergelijke argumentatie door het Commissariaat Generaal met de nodige voorzichtigheid dient gehanteerd te worden, gezien het uitgangspunt dat terzake impliciet wordt ingenomen is dat deze Informatie waarover het Commissariaat Generaal beschikt" waarachtig, objectief en volledig is; Dat zulke vooronderstelling uitermate bekritiseerbaar is, zowel vanuit het perspectief van de rechten van verdediging als vanuit algemeen praktisch oogpunt; Dat de wijze waarop gebeurtenissen worden waargenomen, los van enige kwade trouw, ernstig kan verschillen naargelang de betreffende informatie verkregen wordt, ofwel rechtstreeks ter plaatse, ofwel via de media; Dat deze overweging des te meer geldt in tijden van (burger)oorlog, waar de bevolking ter plaatse geen "algemeen beeld" kan krijgen van de situatie in het land, doch enkel van hetgeen zij met het blote oog zien of vernemen van andere mensen; Dat anderzijds de media de informatie verwerken die zij verkrijgen van de aanwezige journalisten, van officiële regeringsmededelingen, van communiqués verspreid door de rebellen en van verschillende onafhankelijke hulporganisaties; Dat het weinig betoog hoeft dat oorlogsverslaggevers en onafhankelijke waarnemers niet overal kunnen én mogen zijn en daarenboven bijna nooit zelf gebeurtenissen waarnemen, maar afhankelijk zijn van selectieve waarnemingen en getuigenissen van mensen ter plaatse; Dat wat de al dan niet officiële mededelingen betreft, bovendien niet getwijfeld kan worden aan de (pogingen tot) propaganda en indoctrinatie van beide partijen, regering en rebellen, wederzijds, in het kader van psychologische oorlogsvoering; Dat alzo de versies van de verschillende partijen ernstige verschillen en zelfs contradicties kunnen vertonen, zelfs in de hypothese van een volledige afwezigheid van kwade trouw in hoofde van de personen die de betreffende informatie vernemen; Dat de informatie die aldus verkregen wordt via de media (kranten, televisie, internet, ... ) onmogelijk als een betrouwbaar bewijselement kan dienen, laat staan als doorslaggevend bewijs; Dat terzake -per analogiam- kan verwezen worden naar de rechtspraak van Uw Raad, waarin gesteld wordt dat een tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van een kandidaat-vluchteling en informatie afkomstig van de Belgische Ambassade in het land van oorsprong op zichzelf niet voldoende is om de aanvraag kennelijk ongegrond te verklaren, omdat het niet vaststaat dat de Ambassade over alle nuttige informatie beschikt (R.v.St., nr. 63.415 van 3 december 1996, T.V.R., 1997, 427);
  16. Overwegende dat het principe van de rechten van de verdediging eveneens inhoudt dat verzoeker toegang tot voornoemde informatie zou hebben en in voorkomend geval ze zou kunnen tegenspreken; Dat het recht van verdediging in concreto inhoudt dat verzoeker tijdens het interview had moeten geconfronteerd worden met deze “informatie" teneinde zijn standpunt terzake te kunnen vernemen; dat enkel op die manier zijn betrouwbaarheid kon nagegaan worden, gezien zijn verklaringen geenszins kennelijk ongeloofwaardig of onjuist zijn, wel integendeel; Dat anderzijds, in het stadium van de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning van vluchteling, een nauwkeurig, coherent en geloofwaardig relaas volstaat; dat in casu het relaas van verzoeker aan deze voorwaarden voldoet (R.v.St., 53.432, 29 mei 1995);
  17. Overwegende dat in dat licht de verklaring van verzoeker, nl. dat hij weet had van verschillende aanvallen op de dorpen in de omgeving van Kakata, en dat hij niet op de hoogte bleek te zijn van een inname van de stad zelf door de rebellen, geenszins strijdig is met de waarheid, laat staan dat daaruit zijn afwezigheid in Kakata zou kunnen vastgesteld worden; Dat vooreerst de Commissariaat Generaal in zijn beslissing het volgende stelt: “Uit deze informatie blijkt immers dat de LURD-rebellen de volledige stad probeerden plat te branden, het politiebureau van Kakata volledig door de vlammen verwoest werd en als gevolg van deze aanval de elektriciteit in Kakata permanent uitviel.” XIV-16.911-9/29 (stuk 1) Overwegende dat het openbaar elektriciteitsnet van Kakata reeds tijdens de eerste burgeroorlog (begin jaren negentig) volledig verwoest was; dat sedertdien er enkel elektriciteit was op die plaatsen en in die woningen, waar "privé"-generatoren stonden; dat deze op benzine werkten; dat vele van deze generatoren klaarblijkelijk door de aanval van de rebellen werden verwoest of minstens stilgelegd; dat zulke "verduistering" van de stad regelmatig voorkwam in geval van (aanvals)dreiging; Dat de informatie waaraan de Commissaris Generaal blijkbaar refereert als volgt luidt: “President Taylor used the occasion to give US$25,000 to the Director of the Liberian National Police Col. Paul Mulbah for the renovation of the Kakata Police Headquarters, which was burnt by LURD terrorists in April this year, when they attacked the city. The Liberian Leader also donated to the county administration 500 gallons o fuel for use to electrify the cit The city was plun-qed into darkness as a result of the LURD's terrorist attack.1" ------ 1 Vrije vertaling: "President Taylor maakte van de gelegenheid gebruik om aan de directeur van de Liberiaanse nationale politie, Col. Paul Mulbah, 25.000$ te geven voor de renovatie van het politiestation van Kakata, dat in brand was gestoken door L URD rebellen in april van ditjaar, toen zij de stad aanvielen". (stuk 7, Adm. dossier, tekst "Pres. Taylor Visits Kakata, Other Recaptured Areas - Assures Protection and Safety For Liberians") Dat de Commissaris Generaal derhalve een verkeerde interpretatie heeft gegeven aan deze informatie; dat er geen sprake is van een "bijzondere" gebeurtenis door het uitvallen van de elektriciteit; dat benzine werd geschonken om de individuele generatoren te kunnen doen werken; dat het politiebureau niet volledig door de vlammen was verwoest, maar in brand was gestoken en daardoor ernstig beschadigd was; dat men immers spreekt van "renovatie" i.p.v. "wederopbouw"; dat deze aanval slechts één dag geduurd heeft en dat men gepoogd heeft de stad in brand te steken maar dat dit zonder meer mislukt is; Overwegende dat verzoeker bovendien op het ogenblik van de aanval opgesloten zat in de "Carter High Prison" ("Kataha"), en niet in het politiekantoor (stuk 5, p. 10); dat hij daar opgesloten zat van november 2001 tot oktober 2002 (stuk 4, p. 13; stuk 5, p. 7); dat deze gevangenis gelegen is op ongeveer 20 minuten rijden van het stadscentrum van Kakata, waar onder meer het politiestation gelegen is; Dat het verder uiterst nuttig is op te merken dat de zgn. aanval van de LURD op Kakata plaatsvond in april 2002, dus, zoals gezegd, tijdens zijn verblijf in de gevangenis elders in de stad, terwijl hij verklaard heeft dat Kakata-stad zelf niet aangevallen was tijdens zijn verblijf aldaar (stuk 5, p. 6); Dat dit alles bovendien bevestigd wordt in de “informatie waarover het Commissariaat Generaal beschikt”: "The insurgents entered Kakata from the nortwestern Part of the city ( ... ). Kakata was swiftly retaken Wednesday when government troops launched (tekst weggevallen) offensive against LURD bandits who had desperately attempted burning down the entire city. ( ... ) Members of the UN team were seen in various parts of the city in separate discussions with survivors of the brief but destructive attack apparently trying to obtain independent confirmation of the terrorist attact”
  18. (stuk 7; Adm. dossier, tekst "A Special Report On How rebels Attacked Kakata") Dat in dat verband kan verwezen worden naar het antwoord op verzoeker op de vraag wanneer de rebellen Kakata aanvielen: “Er is geen specifieke tijd, ze hit, dan go back, hit, go back” (sic). (stuk 5; p. 6) -------- 2 Vrije vertaling: "De rebellen kwamen Kakata binnen via het noordwestelijke deel van de stad (...). Kakata was woensdag snel heroverd wanneer regeringstroepen een (...) aanval inzetten op de L URD rebellen die tevergeefs gepoogd hadden de hele stad afte branden. (...) Leden van het UN team werden gezien in verschillende delen van de stad in verscheiden discussies met overlevenden van de korte maar vernietigende aanval, een poging wagend om onajhankelijke informatie te verkrijgen betreffende de aanval van de rebellen". XIV-16.911-10/29 Dat hieruit blijkt dat verzoeker wel degelijk in de mate van het mogelijke op de hoogte was van de gebeurtenissen in Kakata en dat hij ze precies en correct wist in te schatten; dat hetgeen door de Commissaris Generaal beschouwd wordt als een ‘inname" van de stad (hoewel de aanval één dag heeft geduurd !), in alle redelijkheid door verzoeker, die de betreffende informatie onrechtstreeks verkregen heeft, kan beschouwd worden als een "hit and go back" ("aanval en terugtrekking") van de rebellen (cfr. supra);
  19. Overwegende dat de Commissaris Generaal verder aanvoert dat de verklaringen van verzoeker omtrent de situatie in Tubmanburg niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat Generaal beschikt; Dat verzoeker verklaarde dat de rebellen de stad Tubmanburg aanvielen in maart 2003, terwijl de informatie waarover het Commissariaat Generaal beschikt stelt dat deze aanval plaatsvond in februari 2003; Dat niet redelijkerwijze kan aangevoerd worden dat zulke verklaringen van verzoeker aldus wijzen op bedrog in zijnen hoofde; Dat vooreerst kan opgemerkt worden dat verzoeker in eik geval op de hoogte was van dergelijke aanval van de rebellen; Dat verzoeker tijdens het interview op het Commissariaat Generaal, zoals gezegd, meerdere malen verklaard heeft dat hij geen weet had van exacte data, gezien zijn besef van tijd door de gebeurtenissen (burgeroorlog, arrestaties, opsluiting, ... ) uiteraard sterk aangetast was; dat hij steeds uiterst voorzichtig een tijdsperiode aanwees, indien hem daarnaar gevraagd werd en hij in voorkomend geval antwoordde "ongeveer" te weten wanneer iets gebeurd was; dat hij in andere gevallen zich zelfs niet durfde wagen aan tijdsaanduidingen; Dat hieruit volgt dat de aanduiding van de maand maart i.p.v. de maand februari geenszins kan leiden tot de overweging dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk zou zijn; Overwegende dat hetzelfde geldt voor de wat betreft zijn verklaringen omtrent een aanval van de regeringstroepen in april, die ongetwijfeld plaatsvond, doch klaarblijkelijk niet alsdusdanig vermeld staat in "de informatie waarover het Commissariaat Generaal beschikt"; dat de oorlog in Liberia nu juist gekenmerkt is door plotselinge aanvallen vanwege beide partijen, regering en rebellen, en kortstondige machtswisselingen in steden en dorpen; dat de media onmogelijk al deze aanvallen en kortstondige machtswisselingen kunnen registreren; dat de situatie van oorlog dat immers ernstig verhindert; Dat in verband met wat hierboven reeds gesteld werd m.b.t. de objectiviteit van de berichtgeving, kan opgemerkt worden dat de informatie betreffende Tubmanburg verkregen werd van, enerzijds, een woordvoerder van de rebellen en, anderzijds, de Minister van Defensie van Liberia en dat geen personen (journalisten, vrijwilligerswerkers, ... ) waren toegelaten in het betrokken gebied (stuk 7; Adm. dossier, tekst “Liberian rebels ring Monrovia, give Taylor a week to clear out”); Dat terzake eveneens kan verwezen worden naar de inhoud van de “informatie waarover het Commissariaat Generaal beschikt": “The fighting in northwestern Liberia was reported to be continuing. There were reports of serious exchanges between government forces and LURD rebels at Kley Junction (40 km from Monrovia) for the last two days. Front line is reported at Abojah in Suehn Mecca district in Bomi County"3; (stuk 7; Adm. dossier, tekst "OCHA Liberia Weekly Situation Report: 08 - 15 Mar 2003") "The Lutheran World Federation representative in Liberia, Charles Pitchford confirmed earlier today that the Liberians United for Reconciliation and Democracy (LURD) rebel group has been engaged fighting with government forces in the area from the Po River Towards Klay Junction and their stronghold in Tubmanburg in Bomi County. 4" (stuk 7; Adm. dossier, tekst “ACT News Udate Liberia 1503: Liberlan capital again under attack”)
  20. Overwegende dat i.v.m. de situatie van Kakata én Tubmanburg tenslotte kan verwezen worden naar een artikel uit het dossier waarin manifest de verklaringen van verzoeker terzake bevestigd worden: "Elke week worden er nieuwe gevechten gesignaleerd. In de gevechten tekent zich een patroon af. Rebellen dringen door op Liberiaans grondgebied, houden XIV-16.911-11/29 er gedurende enkele dagen posities, worden dan door het leger teruggedreven, waarna zij opnieuw deze stellingen innemen. Geen van beide kampen slaagt er in om het veroverde territorium lang onder controle te houden. Het is een continue heen-en-weer-beweging. De frontlijn vernadert voortdurend." (stuk 7; Adm. dossier, tekst "Toestand in Liberia") Dat hieruit volgt dat de verklaring van verzoeker, waarbij het stelt dat Tubmanburg op een gegeven ogenblik aangevallen werd door regeringstroepen, geenszins kennelijk ongeloofwaardig is in het licht van de bestaande berichtgeving, maar integendeel, door de berichtgeving bevestigd wordt; Dat bijgevolg het element waarop de Commissaris Generaal zich beroept niet bewezen is; Dat dienvolgens de bestreden beslissing niet correct en afdoende gemotiveerd is; ------ 3 Vrije vertaling: 'Wen meldde dat de gevechten in Noordwest Liberia voortgingen. Er waren berichten van ernstige confrontaties tussen regeringstroepen en LURD rebellen ter hoogte van Kley Junction (40 km van Monrovia) de laatste twee dagen. De frontlinie blijkt zich te situeren in Abojah in het Suehn Mecca district in Bomi County". 4 Vrije vertaling: "Een Lutheraanse vertegenwoordiger van de Wereldfederatie in Liberia, Charles Pitchford, bevestigde eerder deze dag dat de LURD rebellen gevechten zijn aangegaan met regeringstroepen in het gebied van de Po rivier richting Klay Junction en hun vesting in Tubmanburg in Bomi County". Derde onderdeel
  21. Overwegende dat de Commissaris Generaal tenslotte aanvoert dat de waarachtigheid van de verklaringen van verzoeker ondermijnd worden door een aantal gebeurtenissen die totaal onaannemelijk en ongeloofwaardig zijn in de context van de reële situatie in Liberia;
  22. Overwegende dat de Commissaris Generaal vooreerst verwijst naar "verschillende bronnen" waaruit blijkt dat tijdens de burgeroorlog gedwongen rekruteringen plaatsvonden, zowel aan de kant van de Liberiaanse regering als aan de kant van de LURD-rebellen; Dat de Commissaris Generaal terzake derhalve volledig bevestigt hetgeen verzoeker steeds verklaard heeft, inzonderheid dat hij zowel door de rebellen als door de regering gedwongen gerekruteerd werd; dat niettemin de betreffende verklaringen van verzoeker niet als elementen “in zijn voordeel" beschouwd worden, wel integendeel worden zijn verklaringen als "ongeloofwaardig" bestempeld; Dat in de berichtgeving het volgende wordt vermeld: “In the northwest of the country, government troops and pro-government militias were responsible for summarily killing, torturing and abusing civilians, raping women and girls, and abducting civilians for forced labor and combat”
  23. (stuk 7; Adm. dossier, tekst "Human Rights Developments")
  24. Overwegende dat de Commissaris Generaal deze zogezegde “ongeloofwaardigheid” verder tracht te verantwoorden door te stellen dat verzoeker “als jonge en gezonde Mandingo” onmogelijk kan gevangengezet zijn en onmogelijk kan gedwongen zijn een militaire training te volgen; Dat deze argumentatie uitermate zwak is, gezien de Commissaris Generaal terzake volledig in gebreke is wat het bewijs betreft van de afwezigheid van trainingskampen; dat verzoeker onveranderd staande houdt dat hij naar trainingskampen werd gebracht; dat verzoeker hiervan materiële bewijzen heeft overhandigd, nl. militaire badges (stuk 5; p. 4); Dat van het bestaan van deze toestanden bevestiging kan worden gevonden in het dossier: “Hundreds of civilians, including children, were forcibly conscripted by the government and sent tot the battlefront in an arbitrary manner, without advance notice or any set procedures, and often with little or no military training "
  25. (stuk 7; Adm. dossier, tekst "Human Rights Development') Overwegende dat een getrainde militair uiteraard efficiënter is dan een niet- getrainde militair; dat een “jonge en gezonde Mandingo” potentieel gezien een uiterst belangrijke strijdkracht is, waarbij men zich niet kan permitteren, juist omwille van de noodtoestand, bij een eerste weigering de betrokkene te liquideren;
  26. Overwegende dat zowel de rebellen als het regeringsleger vaak overgingen tot liquidaties, maar niet altijd: XIV-16.911-12/29 “LURD rebel forces also carried out serious abuses, although to a lesser extent than government forces, including summary executions of alleged government collaborators, rape, and the forced recruitment of civilians, including child soldiers. LURD forces subjected hundreds of civilians to forced labor restricted those wanting to flee the country, and abducted refugees who recently crossed into Guinea. On June 20, LURD abducted five nurses from the Liberian humanitarian organization, Merci, and held them for almost three months”
  27. (stuk 7; Adm. dossier, tekst “Human Rights Development”) Dat het optreden van zowel regeringstroepen als rebellenleger uiterst arbitrair was; dat dit betekent dat soms wel, soms niet werd overgegaan tot onmiddellijke executies; dat de reden waarom dit gebeurt logischerwijze niet te achterhalen valt door buitenstaanders; Dat in het dossier getuigenissen zitten van vluchtelingen die zich eveneens "heen en weer" verplaatsten, ook als spion werden beschouwd, bedreigd werden te zullen worden vermoord en er niettemin in slaagden hieraan te ontsnappen (stuk 7; Adm. dossier, tekst "Displaced man, Plumcor camp in Liberian Stories, a population caught in a cycle of violence and displacement”);
  28. Overwegende dat verzoeker uitdrukkelijk verklaard heeft dat hij de verschillende door het regeringsleger gebruikte wapens kende (voor een opsomming: zie stuk 5, p. 8 onderaan) en wist te gebruiken; dat een niet-getrainde militair deze behendigheid ontbeert, althans wat het "geheel der wapens" betreft en niet enkel het door hem gebruikte; dat hij, zoals gezegd, militaire badges neerlegde tijdens het interview (cfr. supra); Dat de Commissaris Generaal derhalve deze feiten miskent; ----- 5 Vrije vertaling: "In het noordwesten van het land waren regeringstroepen en pro- regeringsmilities verantwoordelijk voor het terstond doden, folteren en misbruiken van burgers, het verkrachten van vrouwen en meisjes, en het ontvoeren van burgers voor dwangarbeid en gevecht". 6 Vrije vertaling: 'Wonderden burgers, ook kinderen, werden verplicht ingelijfd door de regering en arbitrair naar het gevechtsfront gestuurd, zonder voorafgaande verwittiging of enige vorm van procedure, en dikwijls met weinig ofgeen militaire training". 7 Vrije vertaling: "LURD rebellen voerden ook serieuze misbruiken uit, evenwel in mindere mate dan de regeringstroepen, zoals executies van beweerde regeringscollaborateurs zonder proces, verkrachtingen, en de gedwongen rekrutering van burgers, ook kindsoldaten. LURD strijdkrachten onderwierpen honderden burgers aan dwangarbeid, weerhielden hen die het land trachtten te ontvluchten en ontvoerden vluchtelingen die net over de grens met Guinea waren gegaan. Op 20juni ontvoerden LURD rebellen vijfzusters van de Liberiaanse humanitaire organisatie, Merci, en hielden hen gevangen voor bijna drie maanden".
  29. Overwegende dat de Commissaris Generaal daarenboven de verklaringen van verzoeker negeert door te stellen dat verzoeker op een militaire basis "rondhing"; Dat verzoeker echter verklaard heeft dat hij wegens zijn weigering te vechten mishandeld werd en dusdanig behandeld werd om hem agressief en klaar voor de strijd te maken, zodat hij ter plaatse allerminst "rondhing" (stuk 5, p. 8; stuk 6; stuk 4);
  30. Overwegende dat de Commissaris Generaal de verklaringen van verzoeker volledig negeert en manifest onjuist interpreteert door te stellen dat hij “gemakkelijk uit de basis wist te ontsnappen”; Dat verzoeker dit nooit beweerd heeft; dat dit evenmin uit andere feiten valt af te leiden; dat verzoeker terzake daarentegen steeds verklaard heeft een hooggeplaatste Mandingo te hebben aangesproken teneinde hem te helpen ontsnappen; dat deze daarmee heeft ingestemd (stuk 5, p. 9; zie ook de handgeschreven bijlage van verzoeker bij het Gehoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken (stuk 6) en het Gehoorverslag zelf, p. 13 (stuk 4)); Dat de elders in de beslissing van de Commissaris Generaal aangehaalde overweging, als dat er sprake was van een etnische vervolging van Mandingo's, de verklaring van verzoeker terzake juist nog geloofwaardiger maakt;
  31. Overwegende dat verzoeker verklaard heeft dat klaarblijkelijk zowel de regeringstroepen als het rebellenleger een onderafdeling hebben die C.I.D. (Criminal Investigation Department) heet; dat de Commissaris Generaal in zijn weigeringsbeslissing echter enkel vaststelt dat verzoeker dit m.b.t. het rebellenleger zou hebben verklaard (Beslissing Commissaris Generaal (stuk 1, XIV-16.911-13/29 p. 3) waarin enkel verwezen wordt naar p. 9 "nota's genomen door het Commissariaat Generaal tijdens het gehoor inzake dringend beroep" (stuk 5)); dat verzoeker echter eerder in het verhoor uitdrukkelijk het C.I.D. vernoemd heeft als een onderdeel van het regeringsleger (stuk 5, p. 4);
  32. Overwegende dat de Commissaris Generaal -in het algemeen- meer precieze vragen had moeten stellen, indien hij twijfelde aan de verklaringen van verzoeker, hetgeen niet gebeurd is; dat het meer bepaald afbreuk doet aan de rechten van verdediging van verzoeker om uit de afwezigheid van informatie, die het gevolg is van een afwezigheid van precieze vragen, nadelige gevolgen af te leiden voor verzoeker;
  33. Overwegende dat de gebeurtenissen van verzoeker uiteraard "bijzonder" en "ongewoon" zijn, gezien het moeilijk, zo niet onmogelijk is zich als buitenstaander een juist beeld te vormen van een situatie van burgeroorlog; dat alle gebeurtenissen in zulke context op het eerste gezicht verbijsterend, ongewoon en ongeloofwaardig overkomen; dat zulke impressie evenwel allerminst betekent dat de betreffende verklaringen onwaar "zijn"; Dat een door de Commissaris Generaal geformuleerd verwijt van ongeloofwaardigheid jegens de verklaringen van verzoeker dient gestaafd te worden op vaststaande en objectieve gegevens, zoals manifeste tegenstrijdigheden en/of leugens, hetgeen in casu allerminst het geval is; dat ongefundeerde veronderstellingen van ongeloofwaardigheid terzake uiteraard niet volstaan;
  34. Overwegende dat de beoordeling of de verklaringen van verzoeker terzake "ongeloofwaardig" zijn in de "ontvankelijkheidsfase" een marginaal karakter dient te hebben; dat inzonderheid redelijkerwijze moet kunnen vastgesteld worden dat de verklaringen van verzoeker "kennelijk" ongeloofwaardig zijn; dat ze m.a.w. van elke geloofwaardigheid dienen ontbloot te zijn; dat zulks, gelet op al hetgeen hierboven gesteld werd, bezwaarlijk kan gesteld worden m.b.t. het relaas van verzoeker voor de Commissaris Generaal;
  35. Dat de Commissaris Generaal bovendien, zoals gezegd, met alle elementen van het dossier dient rekening te houden en niet enkel met de elementen die ongunstig zijn voor de erkenning van de status van vluchteling (R.v.St. nr. 60.093, 11 juni 1996; R.v.St., nr. 51302, 25 januari 1995). Dat zo onder meer door de Commissaris Generaal geen rekening werd gehouden met: - het feit dat verzoeker op overtuigende wijze heeft aangetoond Liberiaan te zijn van de Mandingo-etnie (stuk 5, p. 2 e.v.); dat de Commissaris Generaal terzake overigens zelf gesteld heeft dat de Mandingo's tijdens de burgeroorlog het slachtoffer werden en worden van etnische vervolgingen; - de opwerping van de raadsman van verzoeker tijdens het verhoor, in de mate eerstgenoemde de gemachtigde persoon die het interview afnam uitdrukkelijk verzocht heeft om, in het licht van het recht van verdediging, verzoeker te confronteren met eventuele “informatie waarover het Commissariaat Generaal beschikt" teneinde terzake een tegensprekelijk debat mogelijk te maken (stuk 5, p. 1 l); - het feit dat verzoeker, ondanks de complexiteit van de feiten, op geen enkele echte tegenstrijdigheid is betrapt; dat dit een sterk bewijs is van de geloofwaardigheid van het relaas van verzoeker; - de overweging dat een lezing van het dossier onweerlegbaar aantoont dat zijn verhaal samenhangend is en dat zijn verklaringen standvastig zijn gebleven, niet alleen aangaande de hoofdzaak van de door hem verhaalde gebeurtenissen, doch ook betreffende de talrijke details en de juiste omstandigheden die betrekking hebben op die gebeurtenissen; - het feit dat verzoeker zeer goed op de hoogte was van de machtsverhoudingen in Liberia, de evolutie van de burgeroorlog, de achtergronden van de leiders, de afdelingen van het leger, de betekenis van afkortingen van instanties en groeperingen en in het algemeen de gebeurtenissen in Liberia (zie integrale tekst van de "nota's genomen door het Commissariaat Generaal tijdens het gehoor inzake dringend beroep" (stuk 5)); XIV-16.911-14/29 - dat hij steeds is blijven vasthouden aan het aantal arrestaties en dat hij duidelijk was in verband met de opeenvolgende plaatsen van gevangenschap en de beschuldigingen tegen hem geuit (zie "nota's genomen door het Commissariaat Generaal tijdens het gehoor inzake dringend beroep" (stuk 5); Gehoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken (stuk 4); bijlage aan dit laatste Gehoorverslag (stuk 6));
  36. Overwegende dat -in het algemeen- een lezing van de rest van de tekst "Toestand in Liberia" (zie Adm. dossier; stuk 7) de beslissing van de Commissaris Generaal "onbegrijpelijk" maakt in de mate daarin gesteld wordt dat het relaas van verzoeker "ongeloofwaardig" zou zijn -quod certe non-: "Er heerst een laag moraal bij de regeringstroepen. Dit is deels het gevolg van gedwongen inlijvingen en van een gebrekkige, dikwijls onbestaande, betaling van de militairen. Een ander gevolg is dat er in relatief grote getale gedeserteerd wordt. (...) De gehanteerde techniek bestaat erin om er bij de bevolking de schrik in te jagen zodat deze op de vlucht slaan en de milities zo de dorpen en de velden kunnen plunderen. De burgerbevolking die niet op de vlucht sloeg wordt vaak verdacht van collaboratie met de andere partij. Zodoende zijn de burgers het slachtoffer van mishandelingen, folteringen, standrechtelijke executies, (groeps)verkrachtingen en ontvoeringen. De gedwongen inlijving van jonge mannen, en in minder mate kinderen, neemt toe. (...) Vaak gebeurt het ook dat na een, overigens arbitraire, arrestatie dienstnemen in het leger de enige optie is voor de gearresteerde". (stuk 7; Adm. dossier, tekst "Toestand in Liberia") Dat de teneur van de verklaringen van verzoeker bijgevolg volledig bevestigd wordt in de “informatie waarover het Commissariaat Generaal beschikt" (cfr. supra; stuk 7); Dat bijgevolg het element waarop de Commissaris Generaal zich beroept niet bewezen is; Dat dienvolgens de bestreden beslissing niet correct en afdoende gemotiveerd is; Besluit
  37. Overwegend dat samenvattend kan worden gezegd dat gedurende de hele procedure ertoe strekkende aan verzoeker het statuut van vluchteling te erkennen, zijn verhaal geloofwaardig. vaststaand en coherent is gebleven;
  38. Overwegende dat de beslissing van de Commissaris Generaal een uiterst selectieve en eenzijdige lezing maakt van de door verzoeker afgelegde verklaringen, evenals van de “Informatie waarover het Commissariaat Generaal beschikt”; Dat aldus moet worden vastgesteld dat de Commissaris Generaal enkel oog heeft gehad voor de ongunstige elementen van het dossier van verzoeker om zijn beslissing te nemen;
  39. Overwegende dat hij een manifeste appreciatiefout bij het onderzoek van het dossier heeft begaan; Dat zijn motivering niet passend is in de mate ze gesteund is op onjuiste elementen, op onjuist geïnterpreteerde elementen of op elementen die niet aan een tegensprekelijk debat werden onderworpen;
  40. Overwegende dat dient vastgesteld te worden dat in de bestreden beslissing geen ernstige elementen worden aangehaald die de motieven aangebracht door verzoeker voor zijn vlucht kennelijk weerleggen; dat de verklaringen geenszins kennelijk tegenstrijdig zijn; dat zij bovendien geenszins kennelijk strijdig zijn met de informatie waarover het Commissariaat Generaal beschikt; dat zij tenslotte geenszins kennelijk ongeloofwaardig zijn;
  41. Overwegende dat een motivering, genomen met schending van de rechten van verdediging, én een motivering, met verwijzing naar onjuistheden, gelijk te stellen is met een afwezigheid van motivering; Dat dienvolgens de Commissaris Generaal niet wettig de aanvraag van verzoeker bedrieglijk en klaarblijkelijk ongegrond kon verklaren; Dat de opgeworpen middelen GEGROND zijn;”; XIV-16.911-15/29 3.
  42. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “II. Onderzoek van de middelen In zijn enig middel beroept verzoeker zich op een schending van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en het gebrek aan een afdoende en geldige motivering, een manifeste appreciatiefout, de onjuistheid van de feitelijke elementen en van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging. Eerste onderdeel: Verzoeker meent dat de Commissaris-generaal niet kan volhouden dat het om ernstige en effectieve tegenstrijdigheden gaat. Hij richt hierbij een aantal opmerkingen tot het verloop van het interview bij en de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken. Wat betreft de tegenstrijdigheid over de datum waarop en door wie zijn vader en broer om het leven gebracht werden, stelt hij nu dat hij op geen enkele van de feiten precieze data kon plakken, dit is immers niet evident gedurende een oorlog, hij heeft steeds naar waarheid geantwoord als hij stelde niet meer precies te weten wanneer iets gebeurde. Hij heeft echter wel pogingen gedaan om gebeurtenissen te situeren. Hetzelfde geldt voor de namen van de verschillende instanties waarmee verzoeker geconfronteerd werd; de Commissaris-generaal wekt volgens verzoeker de indruk dat hij deze met elkaar verwarde, doch dit is veeleer te wijten aan een selectieve lezing van het gehoorverslag. De Commissaris-generaal maakt een verkeerde interpretatie van verzoekers antwoorden. De tegenstrijdigheden hebben bovendien enkel betrekking op details. Verweerder antwoordt hierop dat deze uitleg de tegenstrijdigheden niet weerlegt. Het komt erop neer dat verzoeker in eerste instantie wél de gebeurtenissen betreffende zijn vader en broer weet te dateren en voor het Commissariaat-generaal niet meer. Wat betreft de selectieve lezing, antwoordt verweerder dat uit het gehoorverslag de vraag duidelijk blijkt en dat verzoeker eigenlijk verwarring schept door niet eenduidig op de vraag te antwoorden, door welke instanties precies zijn vader en broer omgebracht werden (CGVS-gehoorverslag, p. 2). Dat deze tegenstrijdigheden miniem zijn, is volgens verweerder foutief en bovendien moet dit motief samengelezen worden met de overige motieven. Een schending van de motiveringsplicht is bijgevolg niet vast te stellen. Verweerder verwijst naar arresten van de Raad waarbij wordt gesteld dat ingevolge de devolutieve kracht van het bij artikel 6312 van de Vreemdelingenwet voorziene dringend beroep kritiek tegen de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken niet relevant is (R.v.St., nr. 101.697 en 101.698 beiden van 07 december 2001; R.v.St., nr 105.265 van 28 maart 2002). Tweede onderdeel: Verzoeker meent dat de vooronderstelling dat de informatie van de Commissaris-generaal 'waarachtig, objectief en volledig' is met de nodige voorzichtigheid dient gehanteerd te worden. Verzoeker vervolgt met te stellen dat de informatie die aldus verkregen wordt via de media onmogelijk kan gebruikt worden als doorslaggevend bewijs. Verzoeker verwijst hierbij naar een arrest van de Raad van State waarbij gesteld wordt dat informatie verkregen van de Belgische ambassade op zichzelf niet voldoende is om de aanvraag kennelijk ongegrond te verklaren, omdat het niet vaststaat dat de ambassade over alle nuttige informatie beschikt. Verzoeker meent ook dat hij met de ingeroepen informatie geconfronteerd had moeten worden. Verzoeker stelt, wat betreft de aanval op verschillende dorpen in de omgeving van Kakata, dat hij bleek niet op de hoogte te zijn van de aanval op Kakata zelf, dat dit niet in strijd is met de waarheid. De Commissaris-generaal stelt immers zelf dat door deze aanval de stroom in Kakata permanent uitviel, het politiebureau volledig door de vlammen verwoest werd. Verzoeker stelt hierbij dat het elektriciteitsnet al vanaf het begin van de burgeroorlog volledig verwoest was en dat de Commissaris-generaal een verkeerde interpretatie aan de informatie geeft, die hijzelf toevoegt, met name dat er in deze informatie niet de nadruk wordt gelegd op het uitvallen van de elektriciteit, het politiebureau is ook niet volledig verwoest, want er wordt geld geschonken voor de 'renovatie' van het gebouw, niet de wederopbouw, men heeft gepoogd de stad in brand te steken en dat de aanval maar één dag geduurd heeft. Bovendien zat verzoeker opgesloten in de Carter High Prison, die op 20 minuten rijden gelegen is van het stadscentrum van Kakata, en niet in het politiebureau. Ook merkt verzoeker op dat de zogenaamde aanval van de LURDrebellen op Kakata plaatsvond in april 2002, toen hij XIV-16.911-16/29 dus in de gevangenis zat en dat verzoeker verklaard heeft dat de stad niet aangevallen werd tijdens zijn verblijf aldaar. Hij heeft eveneens vermeld dat de aanvallers komen en weer teruggaan, en opnieuw aanvallen en weer terugtrekken. Wat betreft de aanval op de stad Tubmanburg, meent verzoeker dat de tegenstrijdigheid miniem is, hij situeert de aanval in maart 2003 en de informatie van het Commissariaat-generaal in februari 2003, het essentiële is volgens hem dat hij van de aanval op de hoogte was. Ditzelfde geldt voor de aanval van de regeringstroepen in april, die niet wordt vermeld in de informatie van het Commissariaat-generaal maar die ongetwijfeld plaatsvond. Verweerder antwoordt hierop dat het niet volstaat vragen hieromtrent op te werpen. Verweerder antwoordt eveneens dat het feit dat het document door de diensten van de Commissaris-generaal werd opgesteld geenszins dit document objectieve waarde kan ontzeggen. In tegendeel, gelet op de wettelijk aan de Commissaris-generaal toegewezen bevoegdheid zich objectief uit te spreken over de ontvankelijkheid van asielaanvragen in dringend beroep, is de Commissaris-generaal de instantie bij uitstek die in staat is en de opdracht heeft objectieve informatie op een professionele manier te verzamelen en deze te gebruiken bij een beoordeling van de asielaanvragen. Gelet op de marginale toetsing door de Raad is het ook niet afdoende vragen te formuleren omtrent de objectiviteit van de door de Commissaris-generaal aangehaalde objectieve elementen zonder op ondubbelzinnige wijze en met concrete elementen een concrete fout aan te tonen. De Commissaris-generaal beschikt als administratieve overheid over het vermoeden van wettelijkheid, zeker voor wat betreft de objectieve informatie die hij in het kader van zijn opdracht op een wettelijk voorgeschreven en totaal onafhankelijke wijze verzamelt. Bovendien zijn het allemaal publieke bronnen, nieuwssites, die worden geraadpleegd door de Commissaris-generaal. Het enige wat verzoeker doet is bepaalde passages citeren, die aantonen dat het om een strijd gaat en dat de frontlinies veranderen. Dit alles neemt echter niet weg dat verzoeker niet alleen vaag is over bepaalde incidenten, maar ze ook verkeerd situeert in de tijd. Dit wordt niet weerlegd door louter en alleen te verwijzen naar bepaalde passages uit de informatie die de Commissaris-generaal zelf toevoegt aan het dossier. Dat deze informatie niet juist of onvolledig zou zijn, toont verzoeker verder niet aan, terwijl niets hem weerhoudt van zelf informatie voor te leggen. Op deze wijze is ook voldaan aan de voorwaarde van transparantie, verzoeker kan immers zelf perfect andere informatie voorleggen, doch laat dit volledig na. Verweerder antwoordt hierop dat de essentie van de tegenstrijdigheid niet is of het politiebureau gerenoveerd of heropgebouwd zal worden. De essentie is of Kakata zelf aangevallen werd of niet. Verzoeker zei van niet (CGVS-verslag p.6), de informatie zegt van wel. De massiviteit van de aanval laat niet toe aan te nemen dat verzoeker hiervan niets gehoord of opgemerkt zou hebben. De tegenstrijdigheid werd niet weerlegd door verzoeker. Wat betreft de aanval op Tubmanburg, merkt verweerder op dat verzoeker de tegenstrijdigheid verdraait, de essentie was de periode gedurende dewelke de rebellen Tubmanburg onder hun controle hadden (CGVS-verslag, p.9). Niets weerhoudt verzoeker ervan om de regeringsaanval die volgens zijn verklaringen plaatsvond in april te staven met enige informatie hierrond, hetgeen hij nu beweert is immers onmogelijk na te gaan. Verweerder wenst op te merken dat van de kandidaat-vluchteling verwacht kan worden dat als hij vlucht om politieke redenen, of zoals in casu vanwege gedwongen rekrutering en oorlog, dat hij van de belangrijkste feiten op de hoogte is, zelfs al zou het dateren van gebeurtenissen moeilijk zijn in een oorlogssituatie. Verzoeker poogt enkel uit de informatie waarop het Commissariaat-generaal zich baseert de volgens hem 'onzekere' elementen te halen, doch dit overtuigt niet. De vragen die aan verzoeker werden gesteld, gingen duidelijk om gebeurtenissen waaromtrent wél duidelijkheid bestond wanneer of hoelang ze plaatsvonden. Derde onderdeel: Verzoeker haalt aan dat wat de Commissaris-generaal kwalificeert als totaal onaannemelijke en ongeloofwaardige gebeurtenissen volgens hem echter reëel zijn in de Liberiaanse context. De Commissaris-generaal bevestigt ten eerste dat er gedwongen rekruteringen gebeurden van beide kanten uit. Dit element heeft echter niet in zijn voordeel gewerkt. Verzoeker citeert de informatie waarin gewag gemaakt wordt van verkrachting, ontvoering met als doel gedwongen vechten. Verzoeker meent eveneens dat de motivering als zou het ongeloofwaardig zijn dat hij als Mandingo onmogelijk gevangen gezet kon worden, als heel zwak, daar de Commissaris-generaal geen begin van bewijs hieromtrent aanbrengt. Hij heeft als bewijs dat hij naar militaire XIV-16.911-17/29 trainingskampen moest, ook militaire badges neergelegd. Er werden inderdaad veel mensen gerekruteerd zonder militaire training, doch hij heeft wel militaire training gekregen, een getrainde militair is immers meer waard. Hij als jonge, gezonde Mandingo was té veel waard om direct bij een eerste weigering te liquideren. Bovendien hing hij niet zomaar rond, maar werd hij slecht behandeld om hem klaar te maken voor de strijd. Hij is niet ontsnapt uit de basis, de Commissaris-generaal negeert de verklaringen van verzoeker dat deze een hooggeplaatste Mandingo had aangesproken. De etnische vervolging van Manding's maakt verzoekers verhaal alleen maar meer plausibel. Verweerder wenst ten eerste op te merken dat er noch in het administratieve dossier, noch als bijvoegsel bij het huidige verzoekschrift voor de Raad van State militaire badges te vinden zijn. Bovendien, zo blijkt uit verzoekers verklaringen zelf heeft hij geen militaire training gekregen en hing hij rond in het kamp. Verweerder blijft erbij dat, op basis van de informatie, het onwaarschijnlijk is dat verzoeker zo vele maanden opgesloten werd naar aanleiding van een weigering om te vechten. De Commissaris- generaal zegt helemaal niet dat hij onmiddellijk zou geliquideerd worden. Verzoeker poogt enkel de informatie tegen te spreken, zonder dit echter te staven met enige objectieve elementen. Volledigheidshalve benadrukt verweerder dat de bestreden beslissing moet worden gelezen als geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen. Het is het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven die verweerder hebben doen besluiten tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag. Verweerder herhaalt en benadrukt dat het zeer onaannemelijk is dat verzoeker tot tweemaal toe ,enkel' wordt opgesloten als gevolg van zijn weigering tot vechten, terwijl voor het overige quasi de gehele bevolking wordt ingezet in de strijd, zelfs zonder enige training, hij voorts éénmaal wordt vrijgelaten louter en alleen op vraag van zijn stiefmoeder en hij éénmaal relatief gemakkelijk kan ontsnappen, hij ook heen en weer wordt gereden in een gebied dat in volle oorlog is, tot Monrovia en hij ook daar weer kan ontsnappen en zelfs nog geld vinden en hiermee een blanke man omkopen. Waarom dit een verkeerde interpretatie van de Commissaris-generaal zou inhouden van de verklaringen van verzoeker, is verweerder een raadsel. Het lijkt kennelijk redelijk dit te stellen. Verzoeker brengt geen gegronde argumenten aan waarmee hij kan aantonen dat de Commissaris-generaal kennelijk onredelijk geoordeeld heeft. De beslissing werd afdoende gemotiveerd. Betreffende de opgeworpen schending van de rechten van verdediging, antwoordt verweerder dat het dringend beroep bij het Commissariaat-generaal tegen een beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken een administratief en geen jurisdictioneel beroep is. Hieruit volgt dat de rechten van verdediging zoals ze gelden voor rechtscolleges, "niet zomaar kunnen worden getransponeerd naar de administratieve beroepen" (R.v.St., nr. 92.450 van 19 januari 2001, onuitg.), zoals het dringend beroep voor het Commissariaat-generaal. Het enige middel is niet gegrond.”; 3.
  43. Overwegende dat verzoeker repliceert : “I. ALGEMENE OPMERKING
  44. In het enige middel van zijn verzoekschrift beroept verzoeker zich op een schending van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, en het gebrek aan een afdoende en geldige motivering van bestuurshandelingen, en het gebrek aan een afdoende en geldige motivering, een manifeste appreciatiefout, de onjuistheid van de feitelijke elementen en van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging.
  45. De kern van de grief van verzoeker is dat de Commissaris-generaal in zijn weigeringsbeslissing de vaste rechtspraak van Uw Raad heeft genegeerd die zegt dat de Commissaris-generaal, indien hij een aanvraag van vluchteling in het stadium van de ontvankelijkheid verwerpt, hij om passend en voldoende zijn beslissing te motiveren het geheel van de elementen van het dossier in aanmerking moet nemen en niet enkel de elementen die voor de verzochte erkenning ongunstig zijn (R.v.St., 51.146, 16 januari 1995). XIV-16.911-18/29
  46. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring aangetoond dat élk van de omstandigheden waarop de weigeringsbeslissing van de Commissaris-generaal is gebaseerd, integraal dient te worden verworpen. Men kan dan ook bezwaarlijk inroepen dat, indien eik van deze omstandigheden op zich genomen onvoldoende zou zijn om een weigeringsbeslissing te staven, het "geheel" van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven wél toereikend zou zijn. In de mate eik van de omstandigheden immers manifest ongegrond zijn, volstaat het niet om te verwijzen naar het feit dat er drie omstandigheden werden ingeroepen opdat de beslissing reeds dáárom afdoende zou zijn gemotiveerd. De Commissaris-generaal is bij de beoordeling van het dringend beroep van verzoeker uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens, hij heeft bepaalde gegevens niet correct beoordeeld en hij is op grond daarvan aldus geenszins in redelijkheid tot zijn besluit gekomen. Bijgevolg heeft de Commissaris-generaal bij de behandeling van het dringend beroep de grenzen van zijn wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid overschreden. In wat volgt, antwoordt verzoeker kort op de antwoordmemorie van verweerder. II. EERSTE ONDERDEEL
  47. De opeenvolgende verklaringen van verzoeker zouden niet eensluidend zijn in de mate hij in zijn verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken, wél de gebeurtenissen betreffende zijn vader en broer wist te dateren, en voor het Commissariaat-generaal niet meer. Vooreerst is er geen sprake van een contradictie tussen twee verschillende data. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verzoeker, ondanks de moeilijkheden om alle gebeurtenissen precies in de tijd te situeren, wél een poging gedaan om een datum te plakken op voornoemde gebeurtenissen (begin 2001), terwijl hij dat voor het Commissariaatgeneraal niet meer zo concreet durfde
(2001). Hij heeft n.a.v. zijn tweede verhoor aldus geen datum opgegeven die onverenigbaar is met zijn eerste verhoor. Belangrijker is bovendien dat het niet precies kunnen situeren van deze gebeurtenissen geen enkele afbreuk heeft gedaan aan de coherentie van het verhaal in zijn geheel. Verzoeker heeft inderdaad steeds een samenhangend en coherent asielrelaas gegeven. In zijn verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde verzoeker dat hij in januari 2001 door leden van de anti-terrorist-unit (ATU) werd gearresteerd nadat deze zijn vader en broer om het leven hadden gebracht. In zijn verhoor t.a.v. het Commissariaat generaal verklaarde verzoeker in beginsel weliswaar niet meer te weten wanneer in 2001 hij door leden van de ATU werd gearresteerd, maar doordat de situering van de andere gebeurtenissen volledig gelijklopend is met zijn verklaring voor de Dienst Vreemdelingenzaken (de situatie met zijn stiefmoeder, tweede arrestatie in november 2001, ... ), staat impliciet maar zeker vast dat de gebeurtenissen betreffende zijn vader en broer - ook in de context van zijn tweede verklaringbegin 2001 hebben plaatsgevonden. Dit wordt op geen enkele wijze tegengesproken door enige andere verklaring van verzoeker, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks. Er is bijgevolg geen sprake van een "contradictie", laat staan van een contradictie die van aard zou zijn om de asielaanvraag van verzoeker te verwerpen als bedrieglijk. 5. Verweerder voert ook aan dat verzoeker in zijn verhoor door de Commissaris- generaal" stelde niet te weten of de leden van de special security officer, die zijn vader en broer hadden vermoord en hem hadden gearresteerd, behoorden tot de ATU of tot een andere regeringsmilitie, terwijl hij in zijn verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken had verklaard dat het de ATU betrof. Deze stelling van verweerder is echter in tegenspraak met het gehoorverslag, dat door verweerder zelf is opgesteld. Door de Commissaris-generaal werd op pagina 2 van het gehoorverslag -waar verweerder klaarblijkelijk aan refereert- namelijk gevraagd naar "de naam van 'het' regeringsleger", en niet naar "de afdeling van het leger waartoe de SSO behoorde die zijn vader en broer hadden vermoord en hem hadden gearresteerd": "VRAAG: Welke troepen ? ANTWOORD: SSO, Special Security Officer, een batalion. VRAAG: Batalion van wat ? XIV-16.911-19/29 ANTWOORD: Van de regering. VRAAG: Naam regeringsleger ? ANTWOORD: er zijn vele groepen, Cobra, ATU, het begin: AFL” (stuk 5, p. 2) In de mate men zou beweren dat verzoeker uit de opeenvolging van vragen had moeten kunnen opmaken dat men vroeg naar "de afdeling van het leger waartoe de SSO behoorde die zijn vader en broer hadden vermoord en hem hadden gearresteerd, merkt verzoeker vooreerst op dat gans het verhoor van verzoeker een aaneenschakeling is van specifieke en algemene vragen, teneinde, enerzijds, zowel te peilen naar het concreet asielrelaas van verzoeker als naar zijn algemene kennis van de situatie in zijn land van herkomst en, anderzijds, eventuele contradicties te kunnen vaststellen. Op pagina 7 bovenaan van het gehoorverslag wordt daarenboven elke eventuele twijfel terzake weggenomen, doordat verzoeker op de vraag van de Commissaris- generaal door wie verzoeker (te beoordelen op het ogenblik van het verhoor, nl. in 2003) "twee jaar geleden" werd gearresteerd (dit is aldus 2001) zonder aarzeling "ATU" antwoordde. Bijgevolg is hiermede bevestigd dat verzoeker - net zoals in zijn eerste verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken - ook in zijn tweede verhoor - voor de Commissaris-generaal duidelijk was dat het leden van de ATU waren die zijn vader en broer hadden vermoord en hem hadden gearresteerd. Er kan dan ook geen sprake zijn van enige contradictie in de verklaringen van verzoeker. 6. De Commissaris-generaal is bij de beoordeling van het dringend beroep van verzoeker aldus uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens, en hij heeft geen rekening gehouden met het geheel van de verklaringen van verzoeker afgelegd tijdens hetzelfde verhoor. III. TWEEDE ONDERDEEL III.a. De aanval op Kakata 7. De stelling van verweerder houdt een manifest verkeerde interpretatie in van de informatie waarover hij zelf beschikt in de mate hij blijft volhouden dat, enerzijds, het politiebureau van Kakata volledig door de vlammen werd verwoest en, anderzijds, verzoeker op het ogenblik van de korte aanval, die slechts één dag heeft geduurd, in Kakata zélf aanwezig was en dat hij dus van de aanval op de hoogte had moeten zijn. Verzoeker herhaalt: - dat het politiebureau niet volledig door de vlammen was verwoest, maar in brand was gestoken en daardoor ernstig was beschadigd; men spreekt immers van "renovatie" i.p.v. "wederopbouw"; deze aanval heeft slechts één dag geduurd en men heeft gepoogd de stad in brand te steken maar dit is zonder meer mislukt; - dat verzoeker op het ogenblik van de aanval (april 2002) opgesloten zat in de "Carter High Prison" ("Kataha"), en niet in het politiekantoor (stuk 5, p. 10); hij zat daar opgesloten van november 2001 tot oktober 2002 (stuk 4, p. 13; stuk 5, p. 7); deze gevangenis is gelegen op ongeveer 20 minuten rijden van het stadscentrum van Kakata, waar onder meer het (in brand gestoken) politiestation gelegen is; verzoeker heeft verklaard dat Kakata-stad zelf niet was aangevallen tijdens zijn verblijf aldaar (stuk 5, p. 6). 8. Wat de aard van de aanvallen van de rebellen op de omgeving van Kakata betreft, verwijst verzoeker ten slotte naar zijn antwoord op de vraag van de Commissaris- generaal wanneer de rebellen Kakata aanvielen: “Er is geen specifieke tijd, ze hit, dan go back, hit, go back” (sic). (stuk 5; p. 6) 9. De verklaringen van verzoeker waren dus volledig in overeenstemming met "de informatie waarover de Commissaris-generaal beschikt", maar de Commissaris- generaal heeft de gegevens van het dossier niet correct beoordeeld. III.b. De aanval op Tubmanburg 10. Verzoeker verwijst terzake integraal naar zijn verzoekschrift, en de erin opgenomen citaten uit "de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt", die geen precisering behoeven. De opmerkingen van verweerder in zijn antwoordmemorie doen hieraan niets af. III.c. De door partijen gebruikte informatie XIV-16.911-20/29 11. Verweerder stelt op pagina 4 van zijn antwoordmemorie: “(...), verzoeker kan immers zelf perfect andere informatie voorleggen, doch laat dit volledig na.”. Het is uiterst bevreemdend dat verweerder klaarblijkelijk een verwijt maakt aan verzoeker dat deze in het kader van huidige procedure geen informatie zou hebben voorgelegd, die zijn stellingen zou staven. Verzoeker heeft het niet nuttig geacht om zélf bijkomende informatie te voegen aan het verzoekschrift tot nietigverklaring vermits, enerzijds, hem -in voorkomend geval- zou kunnen worden verweten dat hij -in de procedure voor Uw Raad- “te laat” is met het aanbrengen van "feiten en/of bewijzen" en, anderzijds, dit geenszins nodig was, nu uit "de informatie waarover de Commissaris-generaal beschikt" precies blijkt dat het relaas van verzoeker geloofwaardig is, en dat de argumenten van de Commissaris-generaal in zijn weigeringsbeslissing steunen op een selectieve lezing van deze informatie, in combinatie met een onjuiste lezing van de verklaringen van verzoeker (cfr. supra en infra). Vanuit het perspectief van verzoeker is het uiteraard veel overtuigender om ter staving van zijn relaas te kunnen verwijzen naar informatie die werd neergelegd door de Commissaris-generaal zélf. Dit toont aan dat verweerder in geen geval het geheel van de elementen van het dossier in aanmerking heeft genomen, maar enkel de elementen die voor de verzochte erkenning ongunstig zijn. Het bewijs hiervan zijn de verschillende citaten die door verzoeker ter staving van zijn argumentatie werden opgenomen in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring. De kritiek van verweerder is bijgevolg volledig ongegrond. III. DERDE ONDERDEEL 12. Op pagina 5 van de memorie van antwoord van verweerder staat het volgende te lezen: "Verweerder wenst ten eerste op te merken dat er noch in het administratieve dossier, noch als bijvoegsel bij het huidige verzoekschrift voor de Raad van State militaire badges te vinden zijn (cfr. infra sub III.a.). Bovendien, zo blijkt uit verzoekers verklaringen zelf heeft hij geen militaire training gekregen en hing hij rond in het kamp. (cfr. infra sub III.b.)". III.a. Militaire badges 13. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring het volgende gesteld: “(...) dat verzoeker hiervan materiële bewijzen heeft overhandigd, nl. militaire badges (stuk 5; p. 4).". (verzoekschrift, p. 14) Verzoeker begrijpt niet hoe verweerder kan ontkennen dat verzoeker ter gelegenheid van zijn verhoor door de Commissaris-generaal militaire badges zou hebben getoond. Op pagina 4 van het gehoorverslag staat immers het volgende te lezen: "KV toont een badge van de EMSSU, ik kreeg dat toen ik ammunitie in de haven moest laden, KV toont ook Liberiaans geld en andere badges.". (stuk 5, p. 4) EMSSU is de afkorting voor "Executive Mansion Special Security Unit", een Liberiaanse legereenheid. De Commissaris-generaal was hier uiteraard van op de hoogte, hetgeen glashelder uit de eraan voorafgaande vragen blijkt. Terzake is de Commissaris-generaal bijgevolg opnieuw uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens. III.b. Verzoeker zou -zogezegd volgens zijn eigen verklaringen, quod certe non- hebben "rondgehangen" op de militaire basissen en zou er geen militaire training hebben gekregen 14. Het stoort verzoeker dat verweerder dergelijke stellingen verkondigt, terwijl uit het dossier manifest blijkt dat verzoeker nooit zulke zaken heeft verklaard. Verzoeker heeft steeds verklaard dat hij in de militaire basissen wel degelijk trainingen diende te volgen en dat hij, wanneer hij dit weigerde, gefolterd en mishandeld werd. Hij heeft nooit verklaard dat hij op deze basissen "rondhing". Hij verwijst naar volgende citaten uit zijn verklaringen (eigen onderlijning): "Daar namen ze een foto van mij, en volgde ik een dag training. Ik werd op de basis vastgehouden tot in januari 2003, en werd daar eveneens zwaar mishandeld." (verhoor Dienst Vreemdelingenzaken, p. 13, bovenaan; stuk 4) XIV-16.911-21/29 "Nadien brachten ze me naar BWI (BOKER WASHINGTON INSTITUTE) in KAKATA, om een militaire training te ondergaan. De training zou drie maanden duren, en op het einde van de training diende iedereen mensenvlees te eten, opdat men moedig zou worden. De bevelhebber van het instituut was Generaal TARNU. Mijn training zou ten einde lopen in april 2003, maar reeds na 2 á 3 weken vroeg ik aan MUSA (een gerespecteerd militair, van de MANDINGO-stam) om me te helpen ontsnappen.". (verhoor Dienst Vreemdelingenzaken, p. 13; stuk 4) "VRAAG: hoe lang was u daar? ANTWOORD: tot januari 2003, van okt. 2002; ik kreeg er 1 dag militaire training , o. l. v. leden van Burkina en Gambia. VRAAG: Wanneer training? ANTWOORD: was na enige tijd opsluiting, daarna werd ik erg slecht behandeld, ze zetten me buiten, geen eten, geen drinken.". (gehoorverslag Commissaris-generaal, p. 8; stuk 5) "VRAAG: wanneer ÿ BW1-basis? ANTWOORD: in januari 2003 VRAAG: hoelang daar? ANTWOORD: 2 of 3 weken training, ken de militaire rang, wapens, guerilla- fight, ambush, . .. VRAAG: wapens, welke? ANTWOORD: AR-47, JME, RPIE, pistol, raket(onleesbaar), enz. VRAAG: wie leerde u dat? ANTWOORD: velen, ik ken alleen generaal TARNU bij naam, was van het regeringsleger. VRAAG: Wat na 2, 3 weken? ANTWOORD: ik wou niet trainen of vechten, ik moest normaal 3 maanden training krijgen, ik sprak met een vriend om me te helpen de basis te verlaten, hij nam me in zijn auto ÿ Bomi ( ... ).". (gehoorverslag Commissaris-generaal, p. 8; stuk 5) Aldus blijkt dat verzoeker: - op de Cobra-basis 1 dag militaire training volgde, en daarna werd opgesloten en mishandeld vermits hij weigerde verder te trainen; hij hing er in eik geval niet zomaar rond; - op de BWI-basis 2 á 3 weken -tegen zijn zin- militaire training volgde en er verschillende gevechtstechnieken en het gebruik van wapens leerde, waarna hij vermits hij niet meer wilde trainen of vechten- een persoon van zijn etnie aansprak om hem te helpen ontsnappen. Het is absoluut niet correct van verweerder om in die omstandigheden te stellen dat verzoeker "rondhing" op de militaire basissen, zonder er militaire training te hebben gevolgd. Wederom blijkt dat de Commissaris-generaal zich voor zijn beslissing steunt op onjuiste feitelijke gegevens, minstens dat hij bepaalde gegevens niet correct heeft beoordeeld. Hiermede is tevens aangetoond dat de opmerking van verweerder dat 'Verzoeker enkel poogt informatie tegen te spreken, zonder dit echter te staven met objectieve elementen", volstrekt nergens op steunt, maar eerder lijkt te gelden voor de argumentatie van verweerder zelf. IV. BESLUIT Verweerder tracht de weigeringsbeslissing t.a.v. verzoeker te rechtvaardigen met een aaneenrijging van onjuiste feitelijke gegevens en verkeerde interpretaties van bepaalde gegevens. Verzoeker betreurt dit ten zeerste en verwijst, voor wat de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas betreft -a fortiori in de ontvankelijkheidsfase van zijn asielaanvraag-, naar de verschillende citaten op blzn. 14-18 van zijn verzoekschrift. Hij benadrukt dat het strijdig is met de motiveringsverplichting die op de Commissaris-generaal rust om, enerzijds, bepaalde elementen van het relaas van verzoeker te beschouwen als "ongeloofwaardig" en, anderzijds, ter staving van de weigeringsbeslissing te verwijzen naar informatie, waarin precies de manifeste geloofwaardigheid van dit relaas wordt bevestigd. XIV-16.911-22/29 Verzoeker volhardt bijgevolg met vertrouwen in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring.”; 3.4.1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “de artt. 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het gebrek aan afdoende en geldige motivering, van de manifeste appreciatiefout, de onjuistheid van de feitelijke elementen en van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van de verdediging”; 3.4.2.1. Overwegende dat in een eerste onderdeel verzoeker kritiek uitbrengt op de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoekers “opeenvolgende verklaringen niet eensluidend zijn”; dat verzoeker in eerste instantie aanvoert “dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken (...) uiterst bekritiseerbaar is en ernstige vragen oproept over de ‘(bewijs)waarde’ ervan”; dat wat deze kritiek betreft, kan volstaan worden met de opmerking dat het beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, zoals hierboven uiteengezet, onontvankelijk is; dat vervolgens verzoeker ingaat op de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheid; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij in januari 2001 door leden van de anti-terrorist unit (ATU) gearresteerd werd nadat deze zijn vader en broer om het leven hadden gebracht, terwijl hij voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde niet meer te weten of deze feiten zich afspeelden in “het begin, (het) midden (of het) einde” van 2001; dat verzoeker deze tegenstrijdigheid tracht af te doen als een detail door erop te wijzen dat hij “op geen enkele van de feiten in de periode 2001-2003 exacte data kan plakken, gezien dit allerminst evident is ten tijde van een burgeroorlog”, doch hierin niet kan worden gevolgd; dat van een kandidaat-vluchteling in alle redelijkheid mag worden verwacht dat deze zich de exacte datum herinnert van dergelijke belangrijke feiten als de moord op zijn vader en broer én zijn eigen aanhouding; dat verzoeker verder voor het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde dat “de troepen” zijn vader en broer hadden vermoord; dat toen de interviewer verzoeker meer specifiek vroeg welke troepen, verzoeker antwoordde : “SSO, Special Security Officer, een batalion (van de regering)”; dat hierop de interviewer aan verzoeker de naam van dit regeringsleger vroeg, waarop verzoeker antwoordde dat er vele groepen zijn (Cobra, ATU, het leger van AFL); dat verzoeker deze tegenstrijdigheid omtrent wie zijn vader en broer heeft vermoord, tracht te verklaren door aan zijn verklaringen een andere interpretatie te geven; dat hij de interviewer verwijt niet te hebben gevraagd tot welke afdeling van het leger de “special security officer” behoorde; dat verzoeker hierin niet kan worden gevolgd; dat uit het hierboven geschetste verloop van het verhoor blijkt dat de interviewer verzoeker wel XIV-16.911-23/29 degelijk heeft gevraagd welk specifiek leger zijn vader en broer hadden vermoord; dat er bijgevolg overduidelijk sprake is van een tegenstrijdigheid; 3.4.2.2. Overwegende dat in een tweede onderdeel verzoeker kritiek uitbrengt op de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoekers “verklaringen betreffende de LURD-aanvallen op Kakata en Tubmanburg niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt”; dat verzoeker stelt dat de bewijswaarde van de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt, dient te worden gerelativeerd, dat “de wijze waarop gebeurtenissen worden waargenomen, los van enige kwade trouw, ernstig kan verschillen naargelang de betreffende informatie verkregen wordt, ofwel rechtstreeks ter plaatse, ofwel via de media”, dat een burger zoals hijzelf, in tijden van oorlog, in tegenstelling tot de media geen algemeen beeld kan krijgen van de situatie in het land, doch enkel datgene kent wat hij zelf heeft gezien of heeft vernomen van andere mensen; dat verzoeker erop dient gewezen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gerechtigd is om, bij de beoordeling van een asielaanvraag, algemene inlichtingen in te winnen betreffende de situatie in het land van herkomst van de kandidaat-vluchteling, deze informatie te vergelijken met de door verzoeker afgelegde verklaringen en hieruit de nodige conclusies te trekken; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker verklaarde “dat de LURD Kakata nooit - en met name niet toen (hij) er was - rechtstreeks aanviel en Kakata nooit binnenkwam, en dat de rebellen van de LURD alleen op een (verzoeker) niet nader bekend tijdstip de dorpen in de omgeving van Kakata aanvielen”, terwijl daarentegen uit de informatie waarover de Commissaris-generaal beschikt, blijkt dat “de LURD begin april 2002 de stad Kakata aanviel en kort innam, waarbij de LURD-rebellen de volledige stad probeerden plat te branden, het politiebureau van Kakata volledig door de vlammen verwoest werd en als gevolg van deze aanval de elektriciteit in Kakata permanent uitviel”; dat, wat er ook zij van het mogelijk verschil in wijze waarop burgers, enerzijds, en media anderzijds de feiten hebben waargenomen, verzoeker geenszins aantoont dat het kennelijk onredelijk is van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om te oordelen dat het “bijzonder weinig aannemelijk (
  1. is)dat deze hevig verwoestende aanval van de rebellen op de stad waar (verzoeker) op dat ogenblik gevangen zat, ongemerkt aan (verzoeker) voorbij zou zijn gegaan”; dat verzoeker de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging aangezien hij tijdens zijn verhoor voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet werd geconfronteerd met de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert; dat het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratief beroep en geen jurisdictioneel beroep is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van geen enkele wettekst, noch van enig rechtsbeginsel verplicht is de asielzoeker attent te maken of te confronteren met de voor hem nadelige elementen van het dossier en het verhoor; dat kan worden opgemerkt dat de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich XIV-16.911-24/29 baseert, terug te vinden is in het administratief dossier, zodat verzoeker alle mogelijkheden heeft om deze aan een grondig onderzoek te onderwerpen; dat verzoeker vervolgens ingaat op de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gedane vaststellingen; dat verzoeker de feiten die blijken uit de informatie waarop de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert een andere interpretatie geeft, waarbij hij de aanval op Kataka minimaliseert om op die manier te suggereren dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hem ten onrechte verwijt niet van deze aanval op de hoogte te zijn; dat het feit dat verzoeker de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert op een andere manier interpreteert dan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zelf, op zich niet betekent dat de overwegingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk zijn; dat verzoeker met geen enkel concreet element aantoont dat de feiten die blijken uit de informatie van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onjuist zijn; dat uit de informatie blijkt dat er wel degelijk sprake was van een hevige aanval op de stad Kakata; dat het bijgevolg niet kennelijk onredelijk is van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om te oordelen dat het “bijzonder weinig aannemelijk” is dat dit aan verzoeker ongemerkt zou zijn voorbijgegaan; dat waar verzoeker opmerkt dat hij op het ogenblik van de aanval opgesloten zat in een gevangenis, gelegen op 20 minuten rijden van het stadscentrum van Kakata, waarmee hij lijkt te suggereren dat hij omwille van deze afstand niets heeft gemerkt van de aanval, dient opgemerkt dat verzoeker zich beperkt tot een blote bewering die hij met geen enkel concreet element staaft; dat verzoeker verder stelt dat het niet is omdat hij de aanval op de stad Tubmanburg heeft gesitueerd in maart 2003, terwijl deze aanval reeds een maand eerder plaatsvond, dat zulks op bedrog van verzoeker zou wijzen; dat verzoeker herhaalt dat door de gebeurtenissen in zijn land van herkomst “zijn besef van tijd (...) sterk aangetast was”; dat opnieuw dient benadrukt dat van een kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat deze een omstandig en gedetailleerd asielrelaas weet te vertellen en dat hij de belangrijke feiten uit zijn asielrelaas op een voldoende concrete wijze weet uiteen te zetten; dat bovendien aan verzoeker niet alleen deze tegenstrijdigheid wordt verweten; dat aan verzoeker vooral wordt verweten dat hij de tegenaanval van het regeringsleger en de daaropvolgende terugtrekking van de LURD situeert in april 2003, terwijl uit de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt, blijkt dat de LURD alleszins tot midden juli 2003 de controle had over de stad Tubmanburg; dat deze tegenstrijdigheid belangrijk is aangezien verzoeker stelt dat hij uit de gevangenis is kunnen ontsnappen toen de LURD zich terugtrokken; dat verzoeker hieromtrent verschillende passages uit de informatie van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen citeert waarbij hij stelt dat de strijd om Tubmanburg gekenmerkt werd door een opeenvolging van gevechten, aanvallen en kortstondige machtswisselingen; dat verzoeker stelt dat het dan ook niet onmogelijk is dat hij tijdens een aanval van de regeringstroepen in april 2003 uit de gevangenis wist te ontsnappen; dat verzoeker zich opnieuw beperkt tot vaagheden, insinuaties en afwijkende interpretaties, zonder zijn XIV-16.911-25/29 bewering omtrent de aanval in april 2003 ook maar met enig concreet element te staven; dat zulks onvoldoende is om de tegenstrijdigheid te weerleggen; dat verzoeker er dient aan herinnerd dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet is gestoeld op deze ene overweging, doch wel op het geheel van de in de bestreden beslissing weergegeven tegenstrijdigheden, vaagheden en ongerijmdheden; 3.4.2.3. Overwegende dat in een derde onderdeel verzoeker kritiek uitbrengt op de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat “de waarachtigheid van (verzoekers) verklaringen volledig (wordt) ondermijnd door een reeks gebeurtenissen die totaal onaannemelijk en ongeloofwaardig zijn in de context van de reële situatie in Liberia de afgelopen jaren”; dat meer bepaald verzoeker aanvoert dat hij wel degelijk naar trainingskampen werd gebracht; dat verzoeker hierbij verwijst naar de door hem neergelegde militaire badges en stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “volledig in gebreke is wat het bewijs betreft van de afwezigheid van (deze) trainingskampen”; dat verzoeker ook benadrukt dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat hij “de verschillende door het regeringsleger gebruikte wapens kende”, hetgeen volgens hem onmogelijk zou zijn indien hij geen militaire opleiding zou hebben gekregen; dat verzoekers kritiek geen afbreuk doet aan de hierboven aangehaalde overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat deze overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet zozeer betrekking heeft op de vraag of verzoeker al dan niet aan militaire trainingen werd onderworpen; dat de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een veel ruimere context heeft; dat meer bepaald de kern van de overweging van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen slaat op het feit dat verzoeker “als jonge en gezonde Mandingo, in 2001 wordt opgepakt voor dienst in het leger maar in plaats hiervan twee weken wordt opgesloten omdat (verzoeker) gewoon weigert te vechten, en ten slotte helemaal niet in de strijd wordt ingezet maar enkel en alleen op verzoek van (zijn) stiefmoeder onvoorwaardelijk wordt vrijgelaten”, om “vervolgens (...) enkele maanden thuis (te leven) zonder verder te worden lastiggevallen tot (hij) in november 2001 opnieuw voor dienst wordt opgepakt (
  2. en)(...) opnieuw (...) gedurende een bijzonder lange periode van tien maanden niet in de strijd wordt ingezet maar zomaar wordt opgesloten omdat (hij) opnieuw gewoon weigert te vechten” en zulks in een periode (namelijk de jaren 2001-2002) dat de “aanvallen van de LURD (...) een dusdanige intensiteit bereikten dat president Charles Taylor begin 2002 de noodtoestand afkondigde over zijn land” zodat “de Liberiaanse regering (...) de samenleving (hermilitariseerde) door onder meer remobilisatie van ex- strijders en het verplicht inlijven van honderden gewone burgers, die dikwijls met weinig of geen militaire training op een willekeurige wijze naar het front werden gestuurd (en
  3. er)ook aan de kant van de LURD-rebellen (...) massaal gedwongen rekruteringen plaats(vonden)”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hierbij benadrukt dat “de strijd zich (kenmerkte) door een etnische dimensie (...) (waardoor) onder XIV-16.911-26/29 andere de Mandingo’s, omwille van hun betrokkenheid bij de rebellenbeweging, meer en meer het slachtoffer (werden) van pure etnische vervolging”; dat verzoeker met geen enkel concreet element aantoont dat deze overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk is, temeer daar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich heeft gebaseerd op informatie afkomstig van onafhankelijke en internationale instanties zoals “Human Rights Watch”, “International Crisis Group” en “Artsen Zonder Grenzen” en verzoeker niet met enig concreet element aantoont dat deze informatie onjuist is of dat zijn persoonlijke situatie zou verschillen van hetgeen blijkt uit deze informatie; dat verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt te stellen dat hij op de militaire basis “rondhing”; dat verzoeker benadrukt dat hij weigerde te vechten en dat hij daarom op deze militaire basis werd mishandeld; dat de verwerende partij in dit verband terecht opmerkt “dat de bestreden beslissing moet worden gelezen als geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen”; dat, hoewel verzoeker kan worden gevolgd in zijn kritiek op de woordkeuze van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dient vastgesteld dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bedoelde dat verzoeker slechts gedurende één dag van zijn drie maanden durende verblijf aan een militaire training werd onderworpen, hetgeen door verzoeker niet wordt ontkend of betwist; dat de kritiek van verzoeker op dit punt niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat verzoeker verder beklemtoont dat hij “een hooggeplaatste Mandingo (...) heeft aangesproken teneinde hem te helpen ontsnappen”; dat verzoeker met deze opmerking geen afbreuk doet aan de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen waarbij deze stelt dat verzoeker “er blijkbaar gemakkelijk in (slaagde) uit deze basis te ontsnappen”; dat bovendien er nogmaals dient op gewezen dat de bestreden beslissing moet worden gelezen als geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen; dat de opmerkingen die verzoeker vervolgens maakt omtrent de vraag of het C.I.D. behoort tot het regerings- dan wel het rebellenleger, evenmin afbreuk doen aan de motieven van de bestreden beslissing; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hieromtrent slechts een terloopse opmerking maakt zonder verzoeker expliciet te verwijten vage verklaringen te hebben afgelegd; dat de desbetreffende opmerking van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen veeleer dient geplaatst te worden in het kader van de hierboven besproken overweging waarbij de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen stelt dat verzoeker verscheidene keren werd opgepakt doch nooit naar het front werd gezonden om te vechten, hoewel dit in die periode nochtans wel gebeurde met honderden andere burgers; dat verzoeker nog ingaat op de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat het “bijzonder weinig geloofwaardig (
  4. is)dat (hij) bij (zijn) laatste gevangenneming niet alleen niet in de strijd (werd) ingezet maar bovendien in vol oorlogsgebied heen en weer (werd) gereden naar ondermeer het politiebureau in Kakata en vervolgens, in een klimaat waar standrechtelijke executies de orde van de dag uitma(a)k(t)en, van Kakata naar Monrovia (...) (werd) gebracht om geëxecuteerd te worden”; dat verzoeker zich hieromtrent beperkt tot de XIV-16.911-27/29 vage en summiere kritiek “dat het optreden van zowel regeringstroepen als rebellenleger uiterst arbitrair was (...) (
  5. en)dat soms wel, soms niet werd overgegaan tot onmiddellijke executies”; dat zulks onvoldoende is om de kennelijke onredelijkheid aan te tonen van de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat waar verzoeker vervolgens nog als algemene kritiek aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “meer precieze vragen had moeten stellen”, dient opgemerkt dat deze kritiek van verzoeker feitelijke grondslag mist, aangezien uit de nalezing van het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat de interviewer verzoeker vrijwel constant specifieke vragen heeft gesteld; dat verzoeker ten slotte in een afrondende opmerking nog beklemtoont dat de gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt “bijzonder” en “ongewoon” zijn en dat het voor een buitenstaander allicht moeilijk is om zich “een juist beeld te vormen van een situatie van burgeroorlog”, maar dat zulks niet inhoudt dat verzoekers verklaringen “onwaar” zouden zijn; dat verzoeker dan ook meent dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten onrechte heeft besloten tot de bedrieglijkheid van zijn asielrelaas; dat erop dient gewezen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, in alle redelijkheid tot de conclusie kan komen dat de asielaanvraag van een kandidaat-vluchteling bedrieglijk is, door vast te stellen dat diens verklaringen tegenstrijdigheden bevatten, of verward, onsamenhangend, onvolledig of inconsistent zijn, of omdat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling niet stroken met de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat verzoekers opmerking “dat zijn verhaal samenhangend is en dat zijn verklaringen standvastig zijn gebleven”, niet terzake doet, aangezien niet noodzakelijk tegenstrijdigheden dienen voorhanden te zijn opdat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zou kunnen besluiten tot de bedrieglijkheid van het asielrelaas van een kandidaat-vluchteling; 3.4.3. Overwegende dat dient te worden geconcludeerd dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in alle redelijkheid heeft besloten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielrelaas; dat verzoekers kritiek, waarbij hij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt louter rekening te hebben gehouden met de voor verzoeker ongunstige elementen uit het dossier, niet kan worden gevolgd aangezien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een ernstige tegenstrijdigheid heeft vastgesteld, die door verzoeker niet wordt weerlegd of verklaard, verzoekers “verklaringen betreffende de LURD-aanvallen op Kakata en Tubmanburg niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt”, en verzoeker de kennelijke onredelijkheid van deze overweging niet aantoont, “de waarachtigheid van (verzoekers) verklaringen volledig (wordt) ondermijnd door een reeks gebeurtenissen die totaal onaannemelijk en ongeloofwaardig zijn in de context van de reële situatie in Liberia de afgelopen jaren”, en verzoeker ook hier niet aantoont dat deze XIV-16.911-28/29 overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk is; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.911-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.526 Gerelateerde publicatie(
  6. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.930 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.