id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.526 Rolnummer: A. 142117/XIV-16911 Zaak: Arrest 151526 - - 22/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-03 05:12 Fiche Arrest nr 151.526 van 22 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.526 van 22 november 2005 in de zaak A. 142.117/XIV-16.
(2001). Hij heeft n.a.v. zijn tweede verhoor aldus geen datum opgegeven die onverenigbaar is met zijn eerste verhoor. Belangrijker is bovendien dat het niet precies kunnen situeren van deze gebeurtenissen geen enkele afbreuk heeft gedaan aan de coherentie van het verhaal in zijn geheel. Verzoeker heeft inderdaad steeds een samenhangend en coherent asielrelaas gegeven. In zijn verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde verzoeker dat hij in januari 2001 door leden van de anti-terrorist-unit (ATU) werd gearresteerd nadat deze zijn vader en broer om het leven hadden gebracht. In zijn verhoor t.a.v. het Commissariaat generaal verklaarde verzoeker in beginsel weliswaar niet meer te weten wanneer in 2001 hij door leden van de ATU werd gearresteerd, maar doordat de situering van de andere gebeurtenissen volledig gelijklopend is met zijn verklaring voor de Dienst Vreemdelingenzaken (de situatie met zijn stiefmoeder, tweede arrestatie in november 2001, ... ), staat impliciet maar zeker vast dat de gebeurtenissen betreffende zijn vader en broer - ook in de context van zijn tweede verklaringbegin 2001 hebben plaatsgevonden. Dit wordt op geen enkele wijze tegengesproken door enige andere verklaring van verzoeker, noch rechtstreeks noch onrechtstreeks. Er is bijgevolg geen sprake van een "contradictie", laat staan van een contradictie die van aard zou zijn om de asielaanvraag van verzoeker te verwerpen als bedrieglijk. 5. Verweerder voert ook aan dat verzoeker in zijn verhoor door de Commissaris- generaal" stelde niet te weten of de leden van de special security officer, die zijn vader en broer hadden vermoord en hem hadden gearresteerd, behoorden tot de ATU of tot een andere regeringsmilitie, terwijl hij in zijn verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken had verklaard dat het de ATU betrof. Deze stelling van verweerder is echter in tegenspraak met het gehoorverslag, dat door verweerder zelf is opgesteld. Door de Commissaris-generaal werd op pagina 2 van het gehoorverslag -waar verweerder klaarblijkelijk aan refereert- namelijk gevraagd naar "de naam van 'het' regeringsleger", en niet naar "de afdeling van het leger waartoe de SSO behoorde die zijn vader en broer hadden vermoord en hem hadden gearresteerd": "VRAAG: Welke troepen ? ANTWOORD: SSO, Special Security Officer, een batalion. VRAAG: Batalion van wat ? XIV-16.911-19/29 ANTWOORD: Van de regering. VRAAG: Naam regeringsleger ? ANTWOORD: er zijn vele groepen, Cobra, ATU, het begin: AFL” (stuk 5, p. 2) In de mate men zou beweren dat verzoeker uit de opeenvolging van vragen had moeten kunnen opmaken dat men vroeg naar "de afdeling van het leger waartoe de SSO behoorde die zijn vader en broer hadden vermoord en hem hadden gearresteerd, merkt verzoeker vooreerst op dat gans het verhoor van verzoeker een aaneenschakeling is van specifieke en algemene vragen, teneinde, enerzijds, zowel te peilen naar het concreet asielrelaas van verzoeker als naar zijn algemene kennis van de situatie in zijn land van herkomst en, anderzijds, eventuele contradicties te kunnen vaststellen. Op pagina 7 bovenaan van het gehoorverslag wordt daarenboven elke eventuele twijfel terzake weggenomen, doordat verzoeker op de vraag van de Commissaris- generaal door wie verzoeker (te beoordelen op het ogenblik van het verhoor, nl. in 2003) "twee jaar geleden" werd gearresteerd (dit is aldus 2001) zonder aarzeling "ATU" antwoordde. Bijgevolg is hiermede bevestigd dat verzoeker - net zoals in zijn eerste verhoor door de Dienst Vreemdelingenzaken - ook in zijn tweede verhoor - voor de Commissaris-generaal duidelijk was dat het leden van de ATU waren die zijn vader en broer hadden vermoord en hem hadden gearresteerd. Er kan dan ook geen sprake zijn van enige contradictie in de verklaringen van verzoeker. 6. De Commissaris-generaal is bij de beoordeling van het dringend beroep van verzoeker aldus uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens, en hij heeft geen rekening gehouden met het geheel van de verklaringen van verzoeker afgelegd tijdens hetzelfde verhoor. III. TWEEDE ONDERDEEL III.a. De aanval op Kakata 7. De stelling van verweerder houdt een manifest verkeerde interpretatie in van de informatie waarover hij zelf beschikt in de mate hij blijft volhouden dat, enerzijds, het politiebureau van Kakata volledig door de vlammen werd verwoest en, anderzijds, verzoeker op het ogenblik van de korte aanval, die slechts één dag heeft geduurd, in Kakata zélf aanwezig was en dat hij dus van de aanval op de hoogte had moeten zijn. Verzoeker herhaalt: - dat het politiebureau niet volledig door de vlammen was verwoest, maar in brand was gestoken en daardoor ernstig was beschadigd; men spreekt immers van "renovatie" i.p.v. "wederopbouw"; deze aanval heeft slechts één dag geduurd en men heeft gepoogd de stad in brand te steken maar dit is zonder meer mislukt; - dat verzoeker op het ogenblik van de aanval (april 2002) opgesloten zat in de "Carter High Prison" ("Kataha"), en niet in het politiekantoor (stuk 5, p. 10); hij zat daar opgesloten van november 2001 tot oktober 2002 (stuk 4, p. 13; stuk 5, p. 7); deze gevangenis is gelegen op ongeveer 20 minuten rijden van het stadscentrum van Kakata, waar onder meer het (in brand gestoken) politiestation gelegen is; verzoeker heeft verklaard dat Kakata-stad zelf niet was aangevallen tijdens zijn verblijf aldaar (stuk 5, p. 6). 8. Wat de aard van de aanvallen van de rebellen op de omgeving van Kakata betreft, verwijst verzoeker ten slotte naar zijn antwoord op de vraag van de Commissaris- generaal wanneer de rebellen Kakata aanvielen: “Er is geen specifieke tijd, ze hit, dan go back, hit, go back” (sic). (stuk 5; p. 6) 9. De verklaringen van verzoeker waren dus volledig in overeenstemming met "de informatie waarover de Commissaris-generaal beschikt", maar de Commissaris- generaal heeft de gegevens van het dossier niet correct beoordeeld. III.b. De aanval op Tubmanburg 10. Verzoeker verwijst terzake integraal naar zijn verzoekschrift, en de erin opgenomen citaten uit "de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt", die geen precisering behoeven. De opmerkingen van verweerder in zijn antwoordmemorie doen hieraan niets af. III.c. De door partijen gebruikte informatie XIV-16.911-20/29 11. Verweerder stelt op pagina 4 van zijn antwoordmemorie: “(...), verzoeker kan immers zelf perfect andere informatie voorleggen, doch laat dit volledig na.”. Het is uiterst bevreemdend dat verweerder klaarblijkelijk een verwijt maakt aan verzoeker dat deze in het kader van huidige procedure geen informatie zou hebben voorgelegd, die zijn stellingen zou staven. Verzoeker heeft het niet nuttig geacht om zélf bijkomende informatie te voegen aan het verzoekschrift tot nietigverklaring vermits, enerzijds, hem -in voorkomend geval- zou kunnen worden verweten dat hij -in de procedure voor Uw Raad- “te laat” is met het aanbrengen van "feiten en/of bewijzen" en, anderzijds, dit geenszins nodig was, nu uit "de informatie waarover de Commissaris-generaal beschikt" precies blijkt dat het relaas van verzoeker geloofwaardig is, en dat de argumenten van de Commissaris-generaal in zijn weigeringsbeslissing steunen op een selectieve lezing van deze informatie, in combinatie met een onjuiste lezing van de verklaringen van verzoeker (cfr. supra en infra). Vanuit het perspectief van verzoeker is het uiteraard veel overtuigender om ter staving van zijn relaas te kunnen verwijzen naar informatie die werd neergelegd door de Commissaris-generaal zélf. Dit toont aan dat verweerder in geen geval het geheel van de elementen van het dossier in aanmerking heeft genomen, maar enkel de elementen die voor de verzochte erkenning ongunstig zijn. Het bewijs hiervan zijn de verschillende citaten die door verzoeker ter staving van zijn argumentatie werden opgenomen in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring. De kritiek van verweerder is bijgevolg volledig ongegrond. III. DERDE ONDERDEEL 12. Op pagina 5 van de memorie van antwoord van verweerder staat het volgende te lezen: "Verweerder wenst ten eerste op te merken dat er noch in het administratieve dossier, noch als bijvoegsel bij het huidige verzoekschrift voor de Raad van State militaire badges te vinden zijn (cfr. infra sub III.a.). Bovendien, zo blijkt uit verzoekers verklaringen zelf heeft hij geen militaire training gekregen en hing hij rond in het kamp. (cfr. infra sub III.b.)". III.a. Militaire badges 13. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring het volgende gesteld: “(...) dat verzoeker hiervan materiële bewijzen heeft overhandigd, nl. militaire badges (stuk 5; p. 4).". (verzoekschrift, p. 14) Verzoeker begrijpt niet hoe verweerder kan ontkennen dat verzoeker ter gelegenheid van zijn verhoor door de Commissaris-generaal militaire badges zou hebben getoond. Op pagina 4 van het gehoorverslag staat immers het volgende te lezen: "KV toont een badge van de EMSSU, ik kreeg dat toen ik ammunitie in de haven moest laden, KV toont ook Liberiaans geld en andere badges.". (stuk 5, p. 4) EMSSU is de afkorting voor "Executive Mansion Special Security Unit", een Liberiaanse legereenheid. De Commissaris-generaal was hier uiteraard van op de hoogte, hetgeen glashelder uit de eraan voorafgaande vragen blijkt. Terzake is de Commissaris-generaal bijgevolg opnieuw uitgegaan van onjuiste feitelijke gegevens. III.b. Verzoeker zou -zogezegd volgens zijn eigen verklaringen, quod certe non- hebben "rondgehangen" op de militaire basissen en zou er geen militaire training hebben gekregen 14. Het stoort verzoeker dat verweerder dergelijke stellingen verkondigt, terwijl uit het dossier manifest blijkt dat verzoeker nooit zulke zaken heeft verklaard. Verzoeker heeft steeds verklaard dat hij in de militaire basissen wel degelijk trainingen diende te volgen en dat hij, wanneer hij dit weigerde, gefolterd en mishandeld werd. Hij heeft nooit verklaard dat hij op deze basissen "rondhing". Hij verwijst naar volgende citaten uit zijn verklaringen (eigen onderlijning): "Daar namen ze een foto van mij, en volgde ik een dag training. Ik werd op de basis vastgehouden tot in januari 2003, en werd daar eveneens zwaar mishandeld." (verhoor Dienst Vreemdelingenzaken, p. 13, bovenaan; stuk 4) XIV-16.911-21/29 "Nadien brachten ze me naar BWI (BOKER WASHINGTON INSTITUTE) in KAKATA, om een militaire training te ondergaan. De training zou drie maanden duren, en op het einde van de training diende iedereen mensenvlees te eten, opdat men moedig zou worden. De bevelhebber van het instituut was Generaal TARNU. Mijn training zou ten einde lopen in april 2003, maar reeds na 2 á 3 weken vroeg ik aan MUSA (een gerespecteerd militair, van de MANDINGO-stam) om me te helpen ontsnappen.". (verhoor Dienst Vreemdelingenzaken, p. 13; stuk 4) "VRAAG: hoe lang was u daar? ANTWOORD: tot januari 2003, van okt. 2002; ik kreeg er 1 dag militaire training , o. l. v. leden van Burkina en Gambia. VRAAG: Wanneer training? ANTWOORD: was na enige tijd opsluiting, daarna werd ik erg slecht behandeld, ze zetten me buiten, geen eten, geen drinken.". (gehoorverslag Commissaris-generaal, p. 8; stuk 5) "VRAAG: wanneer ÿ BW1-basis? ANTWOORD: in januari 2003 VRAAG: hoelang daar? ANTWOORD: 2 of 3 weken training, ken de militaire rang, wapens, guerilla- fight, ambush, . .. VRAAG: wapens, welke? ANTWOORD: AR-47, JME, RPIE, pistol, raket(onleesbaar), enz. VRAAG: wie leerde u dat? ANTWOORD: velen, ik ken alleen generaal TARNU bij naam, was van het regeringsleger. VRAAG: Wat na 2, 3 weken? ANTWOORD: ik wou niet trainen of vechten, ik moest normaal 3 maanden training krijgen, ik sprak met een vriend om me te helpen de basis te verlaten, hij nam me in zijn auto ÿ Bomi ( ... ).". (gehoorverslag Commissaris-generaal, p. 8; stuk 5) Aldus blijkt dat verzoeker: - op de Cobra-basis 1 dag militaire training volgde, en daarna werd opgesloten en mishandeld vermits hij weigerde verder te trainen; hij hing er in eik geval niet zomaar rond; - op de BWI-basis 2 á 3 weken -tegen zijn zin- militaire training volgde en er verschillende gevechtstechnieken en het gebruik van wapens leerde, waarna hij vermits hij niet meer wilde trainen of vechten- een persoon van zijn etnie aansprak om hem te helpen ontsnappen. Het is absoluut niet correct van verweerder om in die omstandigheden te stellen dat verzoeker "rondhing" op de militaire basissen, zonder er militaire training te hebben gevolgd. Wederom blijkt dat de Commissaris-generaal zich voor zijn beslissing steunt op onjuiste feitelijke gegevens, minstens dat hij bepaalde gegevens niet correct heeft beoordeeld. Hiermede is tevens aangetoond dat de opmerking van verweerder dat 'Verzoeker enkel poogt informatie tegen te spreken, zonder dit echter te staven met objectieve elementen", volstrekt nergens op steunt, maar eerder lijkt te gelden voor de argumentatie van verweerder zelf. IV. BESLUIT Verweerder tracht de weigeringsbeslissing t.a.v. verzoeker te rechtvaardigen met een aaneenrijging van onjuiste feitelijke gegevens en verkeerde interpretaties van bepaalde gegevens. Verzoeker betreurt dit ten zeerste en verwijst, voor wat de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas betreft -a fortiori in de ontvankelijkheidsfase van zijn asielaanvraag-, naar de verschillende citaten op blzn. 14-18 van zijn verzoekschrift. Hij benadrukt dat het strijdig is met de motiveringsverplichting die op de Commissaris-generaal rust om, enerzijds, bepaalde elementen van het relaas van verzoeker te beschouwen als "ongeloofwaardig" en, anderzijds, ter staving van de weigeringsbeslissing te verwijzen naar informatie, waarin precies de manifeste geloofwaardigheid van dit relaas wordt bevestigd. XIV-16.911-22/29 Verzoeker volhardt bijgevolg met vertrouwen in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring.”; 3.4.1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “de artt. 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het gebrek aan afdoende en geldige motivering, van de manifeste appreciatiefout, de onjuistheid van de feitelijke elementen en van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van de verdediging”; 3.4.2.1. Overwegende dat in een eerste onderdeel verzoeker kritiek uitbrengt op de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoekers “opeenvolgende verklaringen niet eensluidend zijn”; dat verzoeker in eerste instantie aanvoert “dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken (...) uiterst bekritiseerbaar is en ernstige vragen oproept over de ‘(bewijs)waarde’ ervan”; dat wat deze kritiek betreft, kan volstaan worden met de opmerking dat het beroep tot nietigverklaring van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, zoals hierboven uiteengezet, onontvankelijk is; dat vervolgens verzoeker ingaat op de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheid; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat hij in januari 2001 door leden van de anti-terrorist unit (ATU) gearresteerd werd nadat deze zijn vader en broer om het leven hadden gebracht, terwijl hij voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde niet meer te weten of deze feiten zich afspeelden in “het begin, (het) midden (of het) einde” van 2001; dat verzoeker deze tegenstrijdigheid tracht af te doen als een detail door erop te wijzen dat hij “op geen enkele van de feiten in de periode 2001-2003 exacte data kan plakken, gezien dit allerminst evident is ten tijde van een burgeroorlog”, doch hierin niet kan worden gevolgd; dat van een kandidaat-vluchteling in alle redelijkheid mag worden verwacht dat deze zich de exacte datum herinnert van dergelijke belangrijke feiten als de moord op zijn vader en broer én zijn eigen aanhouding; dat verzoeker verder voor het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde dat “de troepen” zijn vader en broer hadden vermoord; dat toen de interviewer verzoeker meer specifiek vroeg welke troepen, verzoeker antwoordde : “SSO, Special Security Officer, een batalion (van de regering)”; dat hierop de interviewer aan verzoeker de naam van dit regeringsleger vroeg, waarop verzoeker antwoordde dat er vele groepen zijn (Cobra, ATU, het leger van AFL); dat verzoeker deze tegenstrijdigheid omtrent wie zijn vader en broer heeft vermoord, tracht te verklaren door aan zijn verklaringen een andere interpretatie te geven; dat hij de interviewer verwijt niet te hebben gevraagd tot welke afdeling van het leger de “special security officer” behoorde; dat verzoeker hierin niet kan worden gevolgd; dat uit het hierboven geschetste verloop van het verhoor blijkt dat de interviewer verzoeker wel XIV-16.911-23/29 degelijk heeft gevraagd welk specifiek leger zijn vader en broer hadden vermoord; dat er bijgevolg overduidelijk sprake is van een tegenstrijdigheid; 3.4.2.2. Overwegende dat in een tweede onderdeel verzoeker kritiek uitbrengt op de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoekers “verklaringen betreffende de LURD-aanvallen op Kakata en Tubmanburg niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt”; dat verzoeker stelt dat de bewijswaarde van de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt, dient te worden gerelativeerd, dat “de wijze waarop gebeurtenissen worden waargenomen, los van enige kwade trouw, ernstig kan verschillen naargelang de betreffende informatie verkregen wordt, ofwel rechtstreeks ter plaatse, ofwel via de media”, dat een burger zoals hijzelf, in tijden van oorlog, in tegenstelling tot de media geen algemeen beeld kan krijgen van de situatie in het land, doch enkel datgene kent wat hij zelf heeft gezien of heeft vernomen van andere mensen; dat verzoeker erop dient gewezen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gerechtigd is om, bij de beoordeling van een asielaanvraag, algemene inlichtingen in te winnen betreffende de situatie in het land van herkomst van de kandidaat-vluchteling, deze informatie te vergelijken met de door verzoeker afgelegde verklaringen en hieruit de nodige conclusies te trekken; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker verklaarde “dat de LURD Kakata nooit - en met name niet toen (hij) er was - rechtstreeks aanviel en Kakata nooit binnenkwam, en dat de rebellen van de LURD alleen op een (verzoeker) niet nader bekend tijdstip de dorpen in de omgeving van Kakata aanvielen”, terwijl daarentegen uit de informatie waarover de Commissaris-generaal beschikt, blijkt dat “de LURD begin april 2002 de stad Kakata aanviel en kort innam, waarbij de LURD-rebellen de volledige stad probeerden plat te branden, het politiebureau van Kakata volledig door de vlammen verwoest werd en als gevolg van deze aanval de elektriciteit in Kakata permanent uitviel”; dat, wat er ook zij van het mogelijk verschil in wijze waarop burgers, enerzijds, en media anderzijds de feiten hebben waargenomen, verzoeker geenszins aantoont dat het kennelijk onredelijk is van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om te oordelen dat het “bijzonder weinig aannemelijk (
- is)dat deze hevig verwoestende aanval van de rebellen op de stad waar (verzoeker) op dat ogenblik gevangen zat, ongemerkt aan (verzoeker) voorbij zou zijn gegaan”; dat verzoeker de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging aangezien hij tijdens zijn verhoor voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet werd geconfronteerd met de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert; dat het dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratief beroep en geen jurisdictioneel beroep is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van geen enkele wettekst, noch van enig rechtsbeginsel verplicht is de asielzoeker attent te maken of te confronteren met de voor hem nadelige elementen van het dossier en het verhoor; dat kan worden opgemerkt dat de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich XIV-16.911-24/29 baseert, terug te vinden is in het administratief dossier, zodat verzoeker alle mogelijkheden heeft om deze aan een grondig onderzoek te onderwerpen; dat verzoeker vervolgens ingaat op de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gedane vaststellingen; dat verzoeker de feiten die blijken uit de informatie waarop de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert een andere interpretatie geeft, waarbij hij de aanval op Kataka minimaliseert om op die manier te suggereren dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hem ten onrechte verwijt niet van deze aanval op de hoogte te zijn; dat het feit dat verzoeker de informatie waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich baseert op een andere manier interpreteert dan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zelf, op zich niet betekent dat de overwegingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk zijn; dat verzoeker met geen enkel concreet element aantoont dat de feiten die blijken uit de informatie van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onjuist zijn; dat uit de informatie blijkt dat er wel degelijk sprake was van een hevige aanval op de stad Kakata; dat het bijgevolg niet kennelijk onredelijk is van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om te oordelen dat het “bijzonder weinig aannemelijk” is dat dit aan verzoeker ongemerkt zou zijn voorbijgegaan; dat waar verzoeker opmerkt dat hij op het ogenblik van de aanval opgesloten zat in een gevangenis, gelegen op 20 minuten rijden van het stadscentrum van Kakata, waarmee hij lijkt te suggereren dat hij omwille van deze afstand niets heeft gemerkt van de aanval, dient opgemerkt dat verzoeker zich beperkt tot een blote bewering die hij met geen enkel concreet element staaft; dat verzoeker verder stelt dat het niet is omdat hij de aanval op de stad Tubmanburg heeft gesitueerd in maart 2003, terwijl deze aanval reeds een maand eerder plaatsvond, dat zulks op bedrog van verzoeker zou wijzen; dat verzoeker herhaalt dat door de gebeurtenissen in zijn land van herkomst “zijn besef van tijd (...) sterk aangetast was”; dat opnieuw dient benadrukt dat van een kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat deze een omstandig en gedetailleerd asielrelaas weet te vertellen en dat hij de belangrijke feiten uit zijn asielrelaas op een voldoende concrete wijze weet uiteen te zetten; dat bovendien aan verzoeker niet alleen deze tegenstrijdigheid wordt verweten; dat aan verzoeker vooral wordt verweten dat hij de tegenaanval van het regeringsleger en de daaropvolgende terugtrekking van de LURD situeert in april 2003, terwijl uit de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt, blijkt dat de LURD alleszins tot midden juli 2003 de controle had over de stad Tubmanburg; dat deze tegenstrijdigheid belangrijk is aangezien verzoeker stelt dat hij uit de gevangenis is kunnen ontsnappen toen de LURD zich terugtrokken; dat verzoeker hieromtrent verschillende passages uit de informatie van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen citeert waarbij hij stelt dat de strijd om Tubmanburg gekenmerkt werd door een opeenvolging van gevechten, aanvallen en kortstondige machtswisselingen; dat verzoeker stelt dat het dan ook niet onmogelijk is dat hij tijdens een aanval van de regeringstroepen in april 2003 uit de gevangenis wist te ontsnappen; dat verzoeker zich opnieuw beperkt tot vaagheden, insinuaties en afwijkende interpretaties, zonder zijn XIV-16.911-25/29 bewering omtrent de aanval in april 2003 ook maar met enig concreet element te staven; dat zulks onvoldoende is om de tegenstrijdigheid te weerleggen; dat verzoeker er dient aan herinnerd dat de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet is gestoeld op deze ene overweging, doch wel op het geheel van de in de bestreden beslissing weergegeven tegenstrijdigheden, vaagheden en ongerijmdheden; 3.4.2.3. Overwegende dat in een derde onderdeel verzoeker kritiek uitbrengt op de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat “de waarachtigheid van (verzoekers) verklaringen volledig (wordt) ondermijnd door een reeks gebeurtenissen die totaal onaannemelijk en ongeloofwaardig zijn in de context van de reële situatie in Liberia de afgelopen jaren”; dat meer bepaald verzoeker aanvoert dat hij wel degelijk naar trainingskampen werd gebracht; dat verzoeker hierbij verwijst naar de door hem neergelegde militaire badges en stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “volledig in gebreke is wat het bewijs betreft van de afwezigheid van (deze) trainingskampen”; dat verzoeker ook benadrukt dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat hij “de verschillende door het regeringsleger gebruikte wapens kende”, hetgeen volgens hem onmogelijk zou zijn indien hij geen militaire opleiding zou hebben gekregen; dat verzoekers kritiek geen afbreuk doet aan de hierboven aangehaalde overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat deze overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet zozeer betrekking heeft op de vraag of verzoeker al dan niet aan militaire trainingen werd onderworpen; dat de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een veel ruimere context heeft; dat meer bepaald de kern van de overweging van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen slaat op het feit dat verzoeker “als jonge en gezonde Mandingo, in 2001 wordt opgepakt voor dienst in het leger maar in plaats hiervan twee weken wordt opgesloten omdat (verzoeker) gewoon weigert te vechten, en ten slotte helemaal niet in de strijd wordt ingezet maar enkel en alleen op verzoek van (zijn) stiefmoeder onvoorwaardelijk wordt vrijgelaten”, om “vervolgens (...) enkele maanden thuis (te leven) zonder verder te worden lastiggevallen tot (hij) in november 2001 opnieuw voor dienst wordt opgepakt (
- en)(...) opnieuw (...) gedurende een bijzonder lange periode van tien maanden niet in de strijd wordt ingezet maar zomaar wordt opgesloten omdat (hij) opnieuw gewoon weigert te vechten” en zulks in een periode (namelijk de jaren 2001-2002) dat de “aanvallen van de LURD (...) een dusdanige intensiteit bereikten dat president Charles Taylor begin 2002 de noodtoestand afkondigde over zijn land” zodat “de Liberiaanse regering (...) de samenleving (hermilitariseerde) door onder meer remobilisatie van ex- strijders en het verplicht inlijven van honderden gewone burgers, die dikwijls met weinig of geen militaire training op een willekeurige wijze naar het front werden gestuurd (en
- er)ook aan de kant van de LURD-rebellen (...) massaal gedwongen rekruteringen plaats(vonden)”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hierbij benadrukt dat “de strijd zich (kenmerkte) door een etnische dimensie (...) (waardoor) onder XIV-16.911-26/29 andere de Mandingo’s, omwille van hun betrokkenheid bij de rebellenbeweging, meer en meer het slachtoffer (werden) van pure etnische vervolging”; dat verzoeker met geen enkel concreet element aantoont dat deze overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk is, temeer daar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich heeft gebaseerd op informatie afkomstig van onafhankelijke en internationale instanties zoals “Human Rights Watch”, “International Crisis Group” en “Artsen Zonder Grenzen” en verzoeker niet met enig concreet element aantoont dat deze informatie onjuist is of dat zijn persoonlijke situatie zou verschillen van hetgeen blijkt uit deze informatie; dat verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt te stellen dat hij op de militaire basis “rondhing”; dat verzoeker benadrukt dat hij weigerde te vechten en dat hij daarom op deze militaire basis werd mishandeld; dat de verwerende partij in dit verband terecht opmerkt “dat de bestreden beslissing moet worden gelezen als geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen”; dat, hoewel verzoeker kan worden gevolgd in zijn kritiek op de woordkeuze van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dient vastgesteld dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bedoelde dat verzoeker slechts gedurende één dag van zijn drie maanden durende verblijf aan een militaire training werd onderworpen, hetgeen door verzoeker niet wordt ontkend of betwist; dat de kritiek van verzoeker op dit punt niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat verzoeker verder beklemtoont dat hij “een hooggeplaatste Mandingo (...) heeft aangesproken teneinde hem te helpen ontsnappen”; dat verzoeker met deze opmerking geen afbreuk doet aan de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen waarbij deze stelt dat verzoeker “er blijkbaar gemakkelijk in (slaagde) uit deze basis te ontsnappen”; dat bovendien er nogmaals dient op gewezen dat de bestreden beslissing moet worden gelezen als geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen; dat de opmerkingen die verzoeker vervolgens maakt omtrent de vraag of het C.I.D. behoort tot het regerings- dan wel het rebellenleger, evenmin afbreuk doen aan de motieven van de bestreden beslissing; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hieromtrent slechts een terloopse opmerking maakt zonder verzoeker expliciet te verwijten vage verklaringen te hebben afgelegd; dat de desbetreffende opmerking van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen veeleer dient geplaatst te worden in het kader van de hierboven besproken overweging waarbij de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen stelt dat verzoeker verscheidene keren werd opgepakt doch nooit naar het front werd gezonden om te vechten, hoewel dit in die periode nochtans wel gebeurde met honderden andere burgers; dat verzoeker nog ingaat op de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat het “bijzonder weinig geloofwaardig (
- is)dat (hij) bij (zijn) laatste gevangenneming niet alleen niet in de strijd (werd) ingezet maar bovendien in vol oorlogsgebied heen en weer (werd) gereden naar ondermeer het politiebureau in Kakata en vervolgens, in een klimaat waar standrechtelijke executies de orde van de dag uitma(a)k(t)en, van Kakata naar Monrovia (...) (werd) gebracht om geëxecuteerd te worden”; dat verzoeker zich hieromtrent beperkt tot de XIV-16.911-27/29 vage en summiere kritiek “dat het optreden van zowel regeringstroepen als rebellenleger uiterst arbitrair was (...) (
- en)dat soms wel, soms niet werd overgegaan tot onmiddellijke executies”; dat zulks onvoldoende is om de kennelijke onredelijkheid aan te tonen van de overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat waar verzoeker vervolgens nog als algemene kritiek aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “meer precieze vragen had moeten stellen”, dient opgemerkt dat deze kritiek van verzoeker feitelijke grondslag mist, aangezien uit de nalezing van het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat de interviewer verzoeker vrijwel constant specifieke vragen heeft gesteld; dat verzoeker ten slotte in een afrondende opmerking nog beklemtoont dat de gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt “bijzonder” en “ongewoon” zijn en dat het voor een buitenstaander allicht moeilijk is om zich “een juist beeld te vormen van een situatie van burgeroorlog”, maar dat zulks niet inhoudt dat verzoekers verklaringen “onwaar” zouden zijn; dat verzoeker dan ook meent dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten onrechte heeft besloten tot de bedrieglijkheid van zijn asielrelaas; dat erop dient gewezen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, in alle redelijkheid tot de conclusie kan komen dat de asielaanvraag van een kandidaat-vluchteling bedrieglijk is, door vast te stellen dat diens verklaringen tegenstrijdigheden bevatten, of verward, onsamenhangend, onvolledig of inconsistent zijn, of omdat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling niet stroken met de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat verzoekers opmerking “dat zijn verhaal samenhangend is en dat zijn verklaringen standvastig zijn gebleven”, niet terzake doet, aangezien niet noodzakelijk tegenstrijdigheden dienen voorhanden te zijn opdat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zou kunnen besluiten tot de bedrieglijkheid van het asielrelaas van een kandidaat-vluchteling; 3.4.3. Overwegende dat dient te worden geconcludeerd dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in alle redelijkheid heeft besloten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielrelaas; dat verzoekers kritiek, waarbij hij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt louter rekening te hebben gehouden met de voor verzoeker ongunstige elementen uit het dossier, niet kan worden gevolgd aangezien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een ernstige tegenstrijdigheid heeft vastgesteld, die door verzoeker niet wordt weerlegd of verklaard, verzoekers “verklaringen betreffende de LURD-aanvallen op Kakata en Tubmanburg niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt”, en verzoeker de kennelijke onredelijkheid van deze overweging niet aantoont, “de waarachtigheid van (verzoekers) verklaringen volledig (wordt) ondermijnd door een reeks gebeurtenissen die totaal onaannemelijk en ongeloofwaardig zijn in de context van de reële situatie in Liberia de afgelopen jaren”, en verzoeker ook hier niet aantoont dat deze XIV-16.911-28/29 overweging van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk is; dat het enig middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.911-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.526 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.138.930 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div