← België

Arrest 151539 - - 22/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.539 Rolnummer: A. 118295/XIV-9138 Zaak: Arrest 151539 - - 22/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 05:13 Fiche Arrest nr 151.539 van 22 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.539 van 22 november 2005 in de zaak A. 118.295/XIV-9138. In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaten L. KOOLS en M. DE RAEDEMAEKER, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Van Benedenlaan 15 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 23 september 1958, en XXX geboren op 12 december 1959, en beiden van Iraanse nationaliteit, op 19 maart 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 februari 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van respectieve- lijk 16 februari 2001 en 4 januari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 25 februari 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 26 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag dd. 16 december 2004 opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-9138-1/8 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 oktober 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DE RAEDEMAEKER, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker komt België binnen op 26 september 2000 en verklaart zich vluchteling op 28 september 2000. Verzoekster komt België binnen op 18 december 2001en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.2. Op respectievelijk 16 februari 2001 en 4 januari 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 25 februari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. Dit zijn de thans bestreden beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van Madjid NAMWAR, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde tijdens uw interview in dringend beroep dat u op 29/5/1379 (Iraanse kalender, stemt overeen met 19/8/2000 Europese kalender) samen met een vriend, H. M.l, zou hebben deelgenomen aan een studentenmanifestatie in Teheran. Agenten van Nirouyé Entezami XIV-9138-2/8 (ordedienst in Iran) zouden hebben toegekeken, zonder te reageren, terwijl mannen in burger de studenten zouden zijn beginnen aanvallen. U zou hierbij gewond zijn geraakt, maar zijn kunnen ontsnappen. Een achttal dagen na de manifestatie zou H. familie u thuis hebben opgebeld en hebben gemeld dat Hamid thuis was opgepakt. U zou toen, ook omwille van het feit dat men de manifestatie had gefilmd, hebben besloten te vluchten en naar uw moeder zijn gegaan. U zou twee dagen bij uw moeder zijn gebleven in Teheran en vervolgens naar uw broer M.en zijn gegaan, die ook in Teheran woonde. Bij hem zou u ook twee dagen hebben doorgebracht, om vervolgens naar een vriend, Fashan, te gaan en twee à drie dagen later Iran te verlaten. U zou op 18/6/1379 (8/9/2000) per vliegtuig vanuit Teheran zijn vertrokken naar Turkije, waarna u per vliegtuig naar Bosnië zou zijn gereisd. Van daaruit zou u vervolgens zijn doorgereisd naar België, waar u op 26/9/2000 zou zijn aangekomen en op 28/9/2000 asiel aanvroeg bij de Belgische asielinstanties. Tien à vijftien dagen na uw vertrek zouden twee mannen in burger bij uw vrouw thuis naar u zijn komen vragen. Enkele dagen later zouden drie agenten vervolgens uw huis zijn binnengevallen, alles doorzocht hebben en uw vrouw hebben mishandeld. Uw vrouw zou hierna enkele dagen bij uw broer M.en hebben doorgebracht om daarna bij haar zus te gaan wonen. Nog later zou uw vrouw gedurende enkele maanden in een huis in Teheran zijn gaan wonen dat uw broer voor haar had gehuurd. U zou het feit van de huiszoeking vernomen hebben toen u reeds in België was en naar uw vrouw belde. Uw vrouw, K. A. zou dan vervolgens ook hebben besloten naar België te reizen, wat ze effectief zou hebben gedaan op 2 of 3/9/1380 (23 of 24/11/2001). Op 18/12/2001 zou ze samen met uw jongste dochter, H. N., zijn aangekomen in België om op dezelfde dag op haar beurt asiel aan te vragen. Er dient vastgesteld te worden dat uw asielrelaas tegenstrijdig is met het asielrelaas dat uw echtgenote aflegde tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-generaal (CGVS), waardoor afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van uw relaas. Zo verklaarde u tijdens uw verhoor op het Commissariaat-generaal dat twee agenten in burger bij uw vrouw zouden zijn langsgeweest om naar u te vragen en dit zou hebben plaatsgevonden tien à vijftien dagen na uw vertrek, toen u nog in Iran was. Enkele dagen later zouden de agenten een tweede maal zijn langsgeweest bij u(

  1. w)thuis (verhoorverslag CGVS, vluchtrelaas, p. 2). Uw vrouw daarentegen stelde op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal dat deze twee mannen ongeveer twee maanden na uw vertrek bij u(
  2. w)thuis zouden zijn langsgeweest. Ze zouden een tiental dagen later een tweede maal bij u(
  3. w)thuis zijn binnengevallen (zie verhoorverslag DVZ, nr. 42 en verhoorverslag CGVS, p. 5 en 7). Verder beweerde u tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal eerst dat uw vrouw u de invallen van de agenten in huis mee zou hebben gedeeld, toen ze u opbelde op uw GSM in België. Vervolgens stelde u meteen hierna in hetzelfde verhoor dat u het nieuws van de twee invallen zou hebben vernomen toen u naar uw broer in Iran belde en zo met uw vrouw sprak. Nog later verklaarde u dat u toen u uw broer belde van uw vrouw zou vernomen hebben dat de agenten een tweede maal waren binnengevallen in uw huis en u de eerste inval reeds zou hebben vernomen toen u naar uw vrouw belde, toen u nog in Iran was (zie verhoorverslag CGVS, vluchtrelaas, p. 3). Uw echtgenote verklaarde tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal daarentegen dat ze geen enkel contact zou hebben gehad met u, toen u nog in Iran was en u voor het eerst met haar zou hebben gesproken toen u reeds twee maanden in België was. U zou haar toen thuis hebben opgebeld en ze zou u toen de eerste inval van de agenten hebben gemeld. Over het tweede bezoek van de agenten zou ze toen niet hebben gesproken, gezien dit nog niet had plaatsgevonden (zie verhoorverslag CGVS, p. 5b). Vervolgens stelde u tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal dat uw vrouw bij de huiszoeking door de agenten zou zijn mishandeld (zie verhoorverslag CGVS, vluchtrelaas p. 2). Uw vrouw beweerde daarentegen tijdens het interview op het Commissariaat-generaal dat er nooit een aanslag op haar fysieke integriteit zou zijn geweest (zie verhoorverslag CGVS, p. 8). Verder stelde u op het verhoor van het Commissariaat-generaal dat u sympathisant zou zijn geweest voor een studentenpartij “Hezbè Vahdat-é Daneshjoriï”, maar was u niet in staat enige informatie te verschaffen over de ideologie van deze partij, noch over de oprichter of de datum van oprichting. U slaagde er niet in aannemelijk te maken dat u sympathiseerde met deze studentenpartij, gezien u niet kon aangeven waarom u voorstander was van die partij of deelnam aan manifestaties van die partij (zie verhoorverslag CGVS, p. 4 en 4b). De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde stukken (kopie boekje burgerlijke stand van u, uw echtgenote en uw dochter en kopie huwelijksakte) tenslotte, zijn, gezien de bedrieglijkheid van uw asielrelaas, niet van die aard om bovenstaande vaststellingen te wijzigen. Deze documenten hebben bovendien enkel betrekking op uw identiteit en voegen niets toe aan uw vluchtrelaas. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van A. K., is als volgt gemotiveerd : XIV-9138-3/8 “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde tijdens uw interview in dringend beroep dat uw man tijdens de vijfde maand van 1379 (Iraanse kalender, stemt overeen met juli-augustus 2000 Europese kalender) zou hebben deelgenomen aan een manifestatie in Teheran. Op deze manifestatie zou er zijn gefilmd en enkele dagen later zou een vriend van uw man zijn opgepakt door de autoriteiten. Na dit te hebben vernomen zou uw man (CG/00/29403) hebben besloten te vluchten en zou hij naar België zijn gereisd, waar hij een asielaanvraag indiende bij de Belgische asielinstanties. Anderhalve maand tot twee maanden later zouden twee mannen in burger bij u(
  4. w)thuis zijn langsgeweest om uw man te zoeken en nog tien dagen later zouden drie agenten zijn binnengevallen bij u(
  5. w)thuis en een huiszoeking hebben verricht. U zou vervolgens naar uw schoonbroer zijn gegaan en daarna afwisselend bij hem en uw zus hebben gewoond. Uiteindelijk zou u besloten hebben ook naar België te reizen, wat u effectief samen met uw minderjarige dochter Hiva Namwar zou hebben gedaan op 2 of 3/9/1380 (23 of 24/11/2001). U zou die dag per vliegtuig zijn vertrokken naar Griekenland, om van daaruit verder te reizen naar België, waar u op 18/12/2001 zou zijn aangekomen en dezelfde dag asiel zou hebben aangevraagd. Aangezien u uw asielaanvraag volledig steunt op de door uw echtgenoot aangehaalde motieven en aangezien in hoofde van deze laatste door de Commissaris-Generaal een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen omwille van de bedrieglijk- heid van zijn asielaanvraag, kan ten aanzien van u evenmin gesteld worden dat u bij terugkeer naar uw land van herkomst, persoonlijke en systematische vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie riskeert. (...).”. 2. Overwegende dat verzoekers een eerste middel putten uit de schending van “het fair-play-beginsel van behoorlijk bestuur”, en van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken; Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat het verhoor dat aan de bestreden beslissingen voorafging, gebeurde in het Frans, in aanwezigheid van een tolk die de Perzische taal machtig is; dat verzoekers stellen dat van bij aanvang het Nederlands als proceduretaal is gehanteerd; dat verzoekers betogen dat de Commissaris-generaal gebonden is aan de taalwetgeving in bestuurszaken; dat verzoekers uiteenzetten dat het verhoor van verzoekers in het Nederlands diende te gebeuren en niet in het Frans; Overwegende dat artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), in een bijzondere regeling voorziet op het taalgebruik inzake de erkenningsprocedure als vluchteling; dat de schending van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken derhalve niet dienstig kan worden aangevoerd; XIV-9138-4/8 Overwegende dat op 30 januari 2001verzoekers werden verhoord op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Perzische taal machtig is; dat, bij aanvang van het verhoor, verzoekers werden ingelicht omtrent de rol van de tolk; dat verzoekers werd gevraagd of zij de tolk begrepen en dat werd aangegeven dat eventuele problemen tijdens het verhoor onmiddellijk moesten worden gemeld; dat verzoekers geen opmerkingen hebben gemaakt; dat derhalve op goede gronden mag worden aangenomen dat zich geen vertaalproblemen hebben voorgedaan en dat verzoekers hun asielrelaas volledig en duidelijk hebben kunnen uiteenzetten; dat uit geen enkel gegeven van het administratief dossier blijkt dat niet werd getolkt naar de proceduretaal, zijnde het Nederlands; dat het eerste middel ongegrond is; 3. Overwegende dat verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van artikel 1, A,

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van artikel 10 van Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat eerste verzoeker, zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat-generaal, zijn politieke overtuiging uitvoerig wou toelichten, maar dat hem telkens werd opgelegd zich te houden aan de hem gestelde vragen, die louter betrekking hadden op feitelijke gegevens; dat verzoekers stellen dat de vermeende tegenstrijdigheden het gevolg zijn van een gebrekkige vertaling; dat verzoekers uiteenzetten dat de tolk er voortdurend op aandrong onmiddellijk en beknopt te antwoorden, waardoor onvolledige en zelfs onjuiste informatie werd vertaald; dat verzoekers betogen dat de vermeende tegenstrijdigheden de essentie niet raken van hun asielrelaas, namelijk dat verzoekers zich niet akkoord verklaren met het heersende Iraanse regime, niet onder dat regime willen leven en daardoor effectief gevaar lopen voor vervolging; dat verzoekers stellen dat zij wel degelijk weten welke ideologie de studentenpartij “Daftar.e Tahkim.e Vahdat” aanhangt; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien verzoekers niet tegelijkertijd de schending inroepen van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; XIV-9138-5/8 Overwegende dat, waar verzoekers een schending aanvoeren van artikel 10 van het E.V.R.M., zij zich beperken tot het aanhalen van de bepaling die zij geschonden achtten, maar niet aanduiden op welke wijze deze bepaling door de bestreden beslissingen werd geschonden; dat verzoekers hun grief geenszins met concrete en pertinente gegevens ondersteunen en nalaten het middel op de bestreden beslissingen te betrekken; dat het tweede onderdeel van het tweede middel onvoldoende is uitgewerkt, en derhalve onontvankelijk is; dat deze exceptie van onontvankelijkheid ambtshalve wordt opgeworpen; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissingen te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat de Commissaris- generaal in casu tot de onontvankelijk van de asielaanvragen heeft besloten omdat zij bedrieglijk zijn; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoekers geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissingen onder punt 1.3 van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid van de asielaanvragen van verzoekers heeft besloten omdat: - verzoekers asielrelaas tegenstrijdig is met het asielrelaas dat zijn echtgenote heeft afgelegd tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas; - tijdens zijn verhoor op het Commissariaat-generaal zou verzoeker verklaard hebben dat twee agenten in burger bij zijn echtgenote waren langs gegaan om naar hem te vragen; dit zou hebben plaatsgevonden tien à vijftien dagen na zijn vertrek, toen verzoeker nog in Iran was; enkele dagen later zouden de agenten een tweede maal bij verzoeker zijn langs gegaan; op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal verklaarde verzoekers echtgenote evenwel dat deze mannen ongeveer twee maanden na verzoekers vertrek zouden zijn langs geweest; een tiental dagen later zouden zij een tweede maal zijn binnengevallen; - tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal beweerde verzoeker eerst dat zijn echtgenote hem de invallen zou hebben meegedeeld; vervolgens stelde verzoeker in hetzelfde verhoor dat hij het nieuws van de invallen zou hebben vernomen toen hij naar zijn broer in Iran belde en met zijn echtgenote sprak, nog later verklaarde verzoeker dat hij, toen hij zijn broer belde, van zijn echtgenote zou hebben vernomen dat de agenten een tweede maal waren binnengevallen en dat hij de eerste inval reeds zou hebben vernomen toen hij naar zijn echtgenote belde, toen hij nog in Iran was; tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal verklaarde de echtgenote van verzoeker evenwel dat ze geen contact heeft gehad met XIV-9138-6/8 verzoeker toen hij nog in Iran was en dat zij voor het eerst met hem zou hebben gesproken toen hij reeds twee maanden in België was; - tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal stelde verzoeker dat zijn echtgenote bij de huiszoeking door de agenten zou zijn mishandeld; tijdens het interview op het Commissariaat-generaal beweerde verzoekers echtgenote evenwel dat er nooit een aanslag op haar fysieke integriteit zou zijn geweest; verder stelde verzoeker tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal dat hij sympathisant zou zijn geweest voor een studentenpartij “Hezbè Vahdat-é Daneshjoriï”, maar hij was niet in staat enige informatie te verschaffen over de ideologie van deze partij, noch over de oprichter of de datum van oprichting; verzoeker slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij sympathiseerde met deze studentenpartij, vermits hij niet kon aangeven waarom hij voorstander was van die partij of deelnam aan manifestaties van die partij; Overwegende dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat het asielrelaas van verzoekers grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissingen steunen op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat het derde onderdeel van het tweede middel ongegrond is; Overwegende dat het derde middel wordt verworpen; 4. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. XIV-9138-7/8 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9138-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.539 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.