← België

Arrest 151540 - - 22/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.540 Rolnummer: A. 141682/XIV-16780 Zaak: Arrest 151540 - - 22/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 05:14 Fiche Arrest nr 151.540 van 22 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.540 van 22 november 2005 in de zaak A. 141.682/XIV-16.780. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 12 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 augustus 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 september 1998 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 13 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-16.780-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HINNEKENS die, loco Advocaat P. MEULEMANS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. XXX, van Armeense nationaliteit, komt in België binnen op 28 juni 1998 waar hij zich op 29 juni 1998 vluchteling verklaart. 1.2. Op 7 september 1998 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 5 juli 1999 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 september 1998 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.4. Op 14 juli 1999 dient verzoeker tegen deze bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing in bij de Raad van State. Nadat het verzoek tot schorsing op 28 augustus 2000 bij arrest nummer 89.361 door de Raad van State wordt verworpen, vernietigt de Raad van State op 6 februari 2002, bij arrest nummer 103.264, de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 5 juli 1999. 1.5. Op 20 augustus 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een nieuwe beslissing, waarbij hij de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 7 september 1998 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten bevestigt. Dit is de bestreden beslissing: “(...) A. Vluchtrelaas U verklaart het Armeens staatsburgerschap te bezitten en van Armeense origine te zijn. XIV-16.780-2/8 Op 29 mei 1998 werd uw vader A. G., een journalist vermoord door onbekenden. De moordenaars wilden wellicht een cassette met bezwarend materiaal van uw vader. Jullie probleem bestaat er dan ook in dat ze die cassette nog steeds willen. Na de moord kwam de politie bij jullie langs. Op 7 juni 1998 kwam de politie u, uw moeder A. S. (O.V. 4.739.425), en uw meerderjarige broer A. S. ondervragen. De politie stelde dat ze een onderzoek zouden voeren en alles zouden doen om u te helpen. Er volgde een huiszoeking en ze namen alle documenten mee en videocassettes voor het onderzoek. Op 11 juni 1998 kwamen 3 agenten de cassettes terugbrengen. Op 16 juni 1998 werd uw broer S. meegenomen in een wagen door de agenten die jullie ondervraagd hadden op 7 juni 1998. Hij werd geslagen en vrijgelaten dicht bij jullie huis. Jullie dienden nergens klacht in omdat er veel corruptie is en de locale politie wellicht een link heeft met hogere instanties. Jullie besloten te vluchten. U vertrok uit Jerevan (Armenië) op 24 juni 1998 met een vrachtvliegtuig naar Kiev (Oekraïne) in het gezelschap van uw meerderjarige broer A. S., uw moeder A. S. en van uw minderjarige broer A. E.. Daarna reisden jullie verder met een vrachtwagen richting België. U kwam België binnen op 28 juni 1998 en u diende een asielaanvraag in bij de Belgische asielinstanties op 29 juni 1998. U woont in België samen met M. K. en u hebt 2 minderjarige kinderen. B. Motivering Uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal blijkt dat u in Armenië problemen kende omdat onbekenden na de moord op uw vader een cassette met bezwarend materiaal van jullie wilden (Arutunian Arthur, Commissariaat-generaal, p. 06). Uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal blijkt bovendien dat er geen andere redenen waren voor uw problemen en de problemen van uw familie in Armenië (Arutunian Arthur, Commissariaat-generaal, p. 06 en 07). Concluderend kan dan ook gesteld worden dat deze door u aangehaalde problemen tot staving van uw asielrelaas van gemeenrechtelijke en private aard zijn. Nergens uit uw verklaringen kan worden afgeleid dat ze een duidelijke politieke, religieuze of etnische connotatie hebben. Bijgevolg vallen deze feiten buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. Uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal blijkt bovendien dat jullie geen klacht hebben ingediend bij een hogere instantie omdat jullie daar niet aan gedacht hebben maar direct besloten te vluchten (Arutunian Arthur, Commissariaat-generaal, p. 11). Uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal blijkt bovendien dat u denkt dat u geen bescherming zou kunnen krijgen bij een hogere instantie, omdat er misschien een link was tussen de locale politie en de hogere instanties omwille van de corruptie en blijkt bovendien dat u uitdrukkelijk zelf stipuleert dat er behalve de corrupte link tussen de locale politie en de hogere instanties geen redenen zijn waardoor u niet op bescherming zou kunnen rekenen van de Armeense autoriteiten (Arutunian Arthur, Commissariaat-generaal, p. 11 en 12). Hierover dient te worden opgemerkt dat u ovoldoende démarches hebt ondernomen om bescherming te krijgen in Armenië en dat bovendien niets in uw verklaringen erop wijst dat u omwille van één van de redenen van de Vluchtelingenconventie niet op bescherming zou kunnen rekenen van de Armeense autoriteiten. Verder dient te worden opgemerkt dat uit een vergelijking van uw verklaringen en de verklaringen van uw moeder .S. en uw broer A. S. tijdens de respectieve interviews voor het Commissariaat-generaal enkele tegenstrijdigheden blijken die de geloofwaardigheid van uw asielaanvraag in bijkomende mate ondermijnen. Ten eerste verklaart uw moeder tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat onmiddellijk na de moord op uw vader op 29 mei 1998, de politie kwam, maar dat ze de politie niet zag en dat ze ook niet ondervraagd werd (A. S., Commissariaat- generaal, p. 7 en 8). Uw broer Samvel stelt daarentegen dat onmiddellijk na de moord op uw vader op 29 mei 1998, de politie kwam met ongeveer 6 auto’s en 20 mensen, en dat uw moeder wel degelijk ondervraagd werd door de politie (A. S., Commissariaat- generaal, p. 7). U stelt dan weer dat na de moord op uw vader op 29 mei 1998 de politie kwam met ongeveer 3 wagens en 5 agenten, en dat u niet weet of uw moeder of Samvel ondervraagd werden, maar dat u vermoedt van wel (A. A., Commissariaat-generaal, p. 7 en 8). Ten tweede verklaart uw moeder tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat enkel zij ondervraagd werd op 7 juni 1998, namelijk door 1 agent terwijl er 4 andere agenten bijstonden, en dat aan u en uw broer geen vragen gesteld werden (A. S., XIV-16.780-3/8 Commissariaat-generaal, p. 9). Uw broer Samvel stelt daarentegen dat op 7 juni 1998 iedereen, dus uzelf, uw moeder en S. ondervraagd werd door 1 enkele politieagent (A. S., Commissariaat-generaal, p. 8 en 9). U stelt dan weer dat iedereen, dus uzelf, uw moeder en S. op 7 juni 1998 ondervraagd werden door 2 agenten en dat 3 andere agenten een huiszoeking uitvoerden (A. A., Commissariaat-generaal, p. 9). Ten derde verklaart uw moeder tijdens het interview voor het Commissariaat-generaal dat jullie op 9 juni 1998 een telefoon ontvingen waarbij een onbekende vroeg naar uw broer S., maar dat jullie niet naar de politie gingen in verband met die telefoon (A. S., Commissariaat-generaal, p. 10 en 11). Uw broer S. stelt daarentegen dat jullie na die dreigtelefoon wel naar de politie stapten om klacht in te dienen (A. S., Commissariaat- generaal, p. 10). U stelt dan weer dat u zich helemaal niet herinnert dat jullie een dreigtelefoon kregen (A. A.r, Commissariaat-generaal, p. 10). Gelet op het voorafgaande kan in uw hoofde geen bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging vastgesteld worden. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat eveneens met betrekking tot de asielaanvraag van uw meerderjarige broer A. S., en van uw moeder A. S. tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd besloten. U bent niet in het bezit van documenten ter staving van uw identiteit of van uw asielrelaas. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Schending van artikel 1 A. het verdrag van Genève van 28 juli 1951, artikel 52-62 van de Vreemde1ingenwet, de materiële uitdrukkelijke motiveringsplicht in bestuurszaken (art.2 en 3 van de wet van 29 juli 1991), de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging. Aangezien de Commissaris-generaal haar aanvankelijke beslissing van 5 juli 1999 werd vernietigd door de Raad van State bij beslissing van 6 februari 2002 op grond van het feit dat er pas sprake is van een bedrieglijke aanvraag wanneer het gaat over verklaringen die evident tegenstrijdig en onnauwkeurig zijn én die de kern van de asielaanvraag raken; Dat het CGVS opnieuw de grenzen van de redelijkheid heeft overschreven door in te gaan op zeer kleine details terwijl niet kan verwacht worden dat na verloop van tijd men zich nog alles tot in de kleinste details herinnert. Dat verzoeker dan ook de vermeende tegenstrijdigheden zullen bespreken;

  1. a)Zo er volgens het CGVS een contractie tussen het aantal auto's nl volgens verzoeker 3 auto's en 5 personen en volgens Uw broer 6 en 20 agenten; XIV-16.780-4/8 Dat verzoeker zich nog enkel(kan) herinneren dat het een grote drukte was waarbij een aantal wagens voor werden gereden (een 3 tal) en andere wagens geparkeerd werden (nog een 3 tal) hetgeen inderdaad samen zes uitmaakt;
  2. b)Zo weet verzoeker niet of moeder werd ondervraagd terwijl moeder stelt van niet en zijn broer van wel Dat elkeen het bij het rechte eind heeft: mevrouw A. meende tijdens het verhoor dat het ging om een vraag omtrent een ondervraging op 29 mei 1998 terwijl S. ervan uitging dat het was op 7 juni 1998 toen zijn moeder tot rust was gekomen.. Onmiddellijk na de moord was verzoekster inderdaad niet in staat om ondervraagd te worden; Dat moeder trouwens zelf op blz 13 voor DVZ stelt: "Zij kwamen mij en mijn zonen ondervragen over de dood van mijn man"
  3. c)Zo stelt moeder dat zij op 7 juni 1998 werd ondervraagd samen met haar zonen (niet tegelijk!) door 1 politie-agent terwijl er 4 andere bijstonden terwijl Samvel stelt dat hij door één agent werd ondervraagd terwijl verzoeker stelt dat hij werd ondervraagd door 2 agenten terwijl 3 anderen een huiszoeking voerden; Dat het volkomen niet tegenstrijdig is dat op verscheidene momenten er nu eens één agent de vragen stelde (bij S. en moeder) en dan eens twee bij A.; Dat immers ondervragingen niet tegelijk verlopen en een onderzoek als een bewegend geheel moet worden beschouwd;
  4. d)Zo verklaarde mevrouw A. dat zij op 9 juni 1998 een telefoon ontving van een onbekende die vroeg naar Savel en er niet naar de politie werd gegaan terwijl .S.l stelt dat er naar de politie is gegaan om klacht in te dienen; De heer A. A. heeft geen weet van een telefoon: Verzoeker daarentegen heeft gesteld dat hij geen weet heeft van deze telefoon; Dat blijkbaar verkeerde gegevens werden genoteerd gezien uit het gehoorverslag van het CGVS bij Arthur vaag is daar tijdens het eerste interview op 17 maart 1999 A. uitvoerig heeft gesproken over de dreigtelefoon die moeder ontving met vraag naar zijn broer; Zie blz. 8! Dat vermelde gegevens niet wil zeggen dat er ernstig moet worden getwijfeld aan de oprechtheid van de verklaringen; Zie RvSt. Nr. 69 217, 28 oktober 1997, Rev. Dr. Etr. 1997, 551, T. Vreemd. 1998, 36; Dat immers zo er toch een kleine tegenspraak zou aangetoond zijn, quod non, deze geen aanfluiting inhoudt van de geloofwaardigheid van de essentiële gegevens van het verhaal van de aanvrager gezien dit in het geheel van de verklaringen moet worden bekeken; Zie RvSt. Nr. 69 217, 28 oktober 1997, Rev. Dr. Etr. 1997, 551, T. Vreemd. 1998, 38 Aangezien niet kan ontkend worden dat voor het overige het verhaal zeer coherent en plausibel overkomt zodat niet mag getwijfeld worden aan het verhaal en dit in het voordeel van verzoeker speelt; Zie Handbook, nr. 196; Zie Gemeenschappelijk Standpunt Vluchtelingendefinitie, nr. 3; Zie J.Y. Carlier, "General Report", p 709, nr. 30; Aangezien het CGVS tot slot op onredelijke wijze artikel 1 A. van de Vluchtelingenconventie heeft geïnterpreteerd daar hij stelt dat omdat verzoeker niet de inhoud kent van de cassette met bezwarend materiaal zij ook niet kunnen stellen dat zij worden vervolgd om redenen die in verband staan met de Conventie van Genève; Dat nochtans verzoeker van meetaf aan dacht dat de personen die vader hadden vermoord in verband stonden met de politie zodat de overheid geen bescherming kon bieden en er dan ook wel degelijk sprake is van vervolging; Dat trouwens vader journalist was en dus recht had op vrije meningsuiting hetgeen hij heeft moeten bekopen met de dood! Dat immers op dat ogenblik de overheid wetens en willens misdrijven door particulieren toestaat; Zie R.vS nr. 62. 976, 6 november 1996, Rev. Dr. Etr. 1996. 759, T. Vreemd. 1997, 74 Dat gelet op de voorgaande het voor verzoeker totaal onduidelijk is waarom zijn asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard; Aangezien verzoeker dan ook, gelet op het voorgaande, de nietigverklaring vraagt van de beslissing van het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd 20 augustus 2003 betrekkelijk de bevestiging van de weigering van het verblijf op Belgisch Grondgebied;”; XIV-16.780-5/8 2.2.1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “artikel 1 A. (van) het verdrag van Genève van 28 juli 1951, artikel 52-62 van de Vreemdelingenwet, de materiële uitdrukkelijke motiveringsplicht in bestuurszaken (art.2 en 3 van de wet van 29 juli 1991), de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging”; 2.2.2. Overwegende dat verzoeker niet aanduidt welk beginsel van behoorlijk bestuur door de bestreden beslissing is geschonden; dat het niet aan de Raad van State is dit te specificeren; dat de rechten van verdediging als dusdanig niet van toepassing zijn op een administratieve beslissing; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een onredelijke interpretatie van artikel 1, (A), 2 van de Vluchtelingenconventie verwijt door zich te baseren op het feit dat “verzoeker niet de inhoud kent van de cassette met bezwarend materiaal”; dat in de bestreden beslissing verzoeker niet wordt verweten “niet de inhoud (te kennen) van de cassette met bezwarend materiaal”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen stelt “dat (verzoeker) in Armenië problemen kende omdat onbekenden na de moord op (verzoekers) vader een cassette met bezwarend materiaal van (verzoeker en zijn familie) wilden”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen erop wijst dat “uit (verzoekers) verklaringen voor het Commissariaat-generaal blijkt (...) dat er geen andere redenen waren voor (verzoekers) problemen”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vervolgens besluit “dat deze door (verzoeker) aangehaalde problemen (...) van gemeenrechtelijke en private aard zijn” aangezien “nergens uit (verzoekers) verklaringen kan worden afgeleid dat ze een duidelijke politieke, religieuze of etnische connotatie hebben” zodat “deze feiten buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie (vallen)”; dat verzoeker geen enkel concreet element aanvoert om de kennelijke onredelijkheid van deze overwegingen aan te tonen; dat waar verzoeker erop wijst dat hij “van meetaf aan dacht dat de personen die (zijn) vader hadden vermoord in verband stonden met de politie zodat de overheid geen bescherming kon bieden en er dan ook wel degelijk sprake is van vervolging”, dient opgemerkt dat zulks geenszins blijkt uit de stukken van het administratief dossier; dat uit verzoekers verklaringen voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen immers blijkt dat hij en zijn familie “geen klacht hebben ingediend bij een hogere instantie omdat (
  5. ze)daar niet aan gedacht hebben maar direct besloten te vluchten”; dat daarnaast uit diezelfde verklaringen voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen blijkt dat verzoeker denkt “dat (hij) geen bescherming zou kunnen krijgen bij een hogere instantie, omdat er misschien een link was tussen de locale politie en de hogere instanties omwille van de corruptie”; dat verzoeker hierbij uitdrukkelijk verklaarde “dat er behalve de corrupte link tussen de locale politie en de hogere instanties geen redenen zijn waardoor (hij) niet op bescherming zou kunnen rekenen van de Armeense autoriteiten”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hieruit dan ook afleidt XIV-16.780-6/8 “dat (verzoeker) onvoldoende démarches (heeft) ondernomen om bescherming te krijgen in Armenië en dat bovendien niets in (zijn) verklaringen erop wijst dat (verzoeker) omwille van één van de redenen van de Vluchtelingenconventie niet op bescherming zou kunnen rekenen van de Armeense autoriteiten”; dat verzoeker met geen enkel concreet element de kennelijke onredelijkheid aantoont van deze overwegingen; dat uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat dit het doorslaggevend motief is van de bestreden beslissing, en dat de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheden slechts een bijkomend motief vormen; dat bijgevolg verzoekers kritiek hieromtrent niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing, zodat niet verder op deze kritiek dient ingegaan; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.780-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.780-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.540 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.