← België

Arrest 151543 - - 22/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.543 Rolnummer: A. 156050/XIV-20728 Zaak: Arrest 151543 - - 22/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-03 05:14 Fiche Arrest nr 151.543 van 22 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.543 van 22 november 2005 in de zaak A. 156.050/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. COPINSCHI, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Berckmansstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 9 september 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 8 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. HUBERT die, loco Advocaat S. COPINSCHI verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.728-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat in het enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 1 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951, artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen, artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van de rechten van verdediging, en omwille van het feit van een afwezige, onjuiste, niet-afdoende of tegenstrijdige motivering, een manifeste appreciatiefout, het niet kennis nemen van alle elementen van de zaak en de machtsoverschrijding, verzoeker laat gelden dat de motivering van de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet alleen onjuist is doch eveneens onvoldoende heeft ontkracht dat hij een gegronde vervolgingsvrees heeft, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen noch zijn Iraanse nationaliteit, noch zijn Armeens-christelijke origine, noch zijn voor de Belgische autoriteiten aangevoerde vervolgingsvrees heeft weerlegd en geen rekening heeft gehouden met de algemene situatie in Iran, terwijl

(1)hij wel degelijk zijn vervolgingsvrees heeft aannemelijk gemaakt, dat evenwel rekening gehouden moet worden met alle relevante factoren in hun context en zowel de objectieve als subjectieve vervolgingsvrees in rekening moet worden gebracht, dat in casu evenwel geen rekening is gehouden met de gecumuleerde vluchtrede- nen en precieze omstandigheden van de zaak, dat meerdere vervolgingselementen niet werden ontkracht, noch door het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, noch door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, ondanks het feit dat zij zowel voor de Dienst Vreemdelingenzaken als voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werden aangevoerd, terwijl zij nochtans fundamenteel waren om een correcte appreciatie aan de zaak te geven, terwijl de opgegeven motieven in de bestreden beslissing (ontbreken van bewijs van de reisweg, het niet bijbrengen van een paspoort, de ongeloofwaardigheid van het relaas en de tegenstrijdigheden met betrekking tot zijn verklaringen over de aanwezigheid bij folteringen) niet van aard zijn de aangevoerde vervolgingen te weerleggen, zodat de bestreden beslissing niet afdoende wordt gemotiveerd,
(2)de motieven weergegeven in de bestreden beslissing gemakkelijk kunnen worden weerlegd omdat (
  1. a)het niet bewijzen van de reisweg slechts een bijkomstig element is bij de boordeling van de aanvraag, (
  2. b)de fotokopie van twee bladzijden uit zijn paspoort gemakkelijk kunnen worden vergeleken met de overige neergelegde documenten, (
  3. c)geen XIV-20.728-2/4 rekening werd gehouden met de algemene toestand in Iran, waarbij een internationaal rapport verkeerd wordt geïnterpreteerd en (
  4. d)verzoeker nooit werd geconfronteerd met zijn tegenstrijdige verklaringen bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hem nooit de kans heeft gegeven zich hierover te uiten, terwijl dit nochtans één van de belangrijkste motieven was om de erkenning als vluchteling te weigeren,
(3)dat de bestreden beslissing gemotiveerd dient te zijn op een wijze die overeenstemt met de belangrijkheid ervan, waarbij de betrokkene perfect op de hoogte moet zijn van de redenen die ze verantwoorden, terwijl dit in casu niet het geval is daar de bestreden beslissing noch precies, noch compleet, noch afdoende is; 1.2. Overwegende dat in de mate het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, (A), 2, van het Vluchtelingenver- drag beantwoordt, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen eveneens omwille van deze reden niet van toepassing is; dat, in zoverre het middel gericht is tegen de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, het niet in aanmerking kan worden genomen, want niet gericht tegen de aangevochten beslissing; dat de schending van artikel 17 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in casu niet dienstig kan worden aangevoerd; dat de bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag in beginsel op de kandidaat-vluchteling zelf rust; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen
(1)of de door hem vastgestelde tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van betrokkene niet te verklaren zijn door problemen tijdens de verhoren met de tolken,
(2)of deze contradicties dermate belangrijk zijn dat erdoor de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt aangetast en
(3)of aan de voorgelegde stukken bewijswaarde kan worden toegekend; dat door te verwijzen naar een internationaal rapport, betreffende de algemene toestand in het land van herkomst van verzoeker, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aangeeft dat de hierin vervatte informatie haar voorkeur geniet en impliciet doch zeker de eventuele andersluidende informatie, vervat in andere rapporten, wordt verworpen; dat de interpretatie die zij hieraan geeft in een individuele zaak een feitenbeoordeling is en deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat het niet voorleggen van reisbescheiden terwijl de vreemdeling daartoe in de mogelijkheid moet zijn geweest, een negatieve indicatie voor de geloofwaardigheid van het asielrelaas kan inhouden en als dusdanig mede door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in aanmerking XIV-20.728-3/4 worden genomen; dat de eventuele ondeugdelijkheid van dit motief op zich niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing vermag te leiden, daar deze genoegzaam wordt geschraagd door de overige motieven; dat, met betrekking tot de kritiek over de beoordeling van de bewijswaarde van de fotokopie van het paspoort dient opgemerkt dat de identiteit van verzoeker in de bestreden beslissing niet in twijfel wordt getrokken, zodat de in het middel geuite kritiek hierover niet dienstig is; dat de Raad van State enkel kan vaststellen dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de haar toegekende appreciatiebevoegdheid geenszins kennelijk te buiten is gegaan toen ze op grond van de door haar aangegeven tegenstrijdigheden en incoherenties besloot geen geloof te hechten aan het door verzoeker aangevoerde verhaal; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwin- tig november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.728-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.543 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.