id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.544 Rolnummer: A. 155820/XIV-20660 Zaak: Arrest 151544 - - 22/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 05:14 Fiche Arrest nr 151.544 van 22 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.544 van 22 november 2005 in de zaak A. 155.820/XIV-20.
- In zake : XXX, wonende te S. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 21 september 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 30 april 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. BOLJAU verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-20.660-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.
- Overwegende dat in het eerste middel, afgeleid uit de formele motiveringsplicht, zoals opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en uit de materiële motiveringsplicht, als algemeen rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur, verzoeker laat gelden dat de motivering afdoende moet zijn, de overwegingen pertinent moeten zijn en de beslissing dienen te verantwoorden, terwijl de bestreden beslissing ten eerste de overwegin- gen van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen herneemt zonder in te gaan op de door hem aangebrachte middelen en ten tweede ten onrechte verwijst naar een aantal beweerde tegenstrijdigheden die in essentie niet tegenstrijdig zijn en bovendien te wijten zijn aan fouten of slordigheden bij de tolken, zodat in casu niet wordt aangetoond dat de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd, en verschillen vertonen, tegenstrijdig zouden zijn en niet wordt voldaan aan de motiveringsverplichting; dat in het tweede middel, afgeleid uit de schending van de zorgvuldigheidsplicht, verzoeker laat gelden dat de beslissing gestoeld dient te zijn op een correcte en zorgvuldige feitenvinding en het bestuur voldoende geïnformeerd dient te zijn om met kennis van zaken een beslissing te nemen, terwijl, door zich enkel op de overwegingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te baseren zonder de middelen te onderzoeken, dit niet het geval is en bij een zorgvuldig onderzoek zou gebleken zijn dat de beweerde tegenstrijdighe- den in essentie niet tegenstrijdig zijn, dat bovendien moet worden vastgesteld dat wordt verwezen naar een bijkomende nota die nooit werd neergelegd, zodat door zich op een dergelijk, niet nader omschreven, stuk te baseren de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen onzorgvuldig is tewerk gegaan; 1.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, vermits zij een administratief rechtscollege is; dat uit het loutere feit dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de motivering of een deel ervan uit de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft overgenomen niet bij voorbaat kan worden afgeleid dat zij het beroep niet integraal heeft onderzocht; dat de rechtsmacht die zij bezit verplicht, noch verbiedt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de weigeringsmotieven van de voor haar bestreden beslissing over te nemen of te verwerpen; dat zij enkel een beslissing dient te nemen die op afdoende wijze gemotiveerd is en aangeeft waarom een kandidaat-vluchteling (niet) XIV-20.660-2/4 beantwoordt aan de erkenningscriteria van het Vluchtelingenverdrag; dat het uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of de door hem vastgestelde tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van betrokkene niet te verklaren zijn door problemen tijdens de verhoren met de tolken en of deze contradicties dermate belangrijk zijn dat erdoor de geloofwaardigheid van het asielrelaas wordt aangetast; dat deze beoordelingen door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kunnen worden overgedaan; dat hoe dan ook moet worden vastgesteld dat de motivering van de bestreden beslissing uitgebreider is dan de twee overwegingen die verzoeker citeert op bladzijde 6 van zijn verzoekschrift; dat bovendien moet worden vastgesteld dat verzoeker, tijdens de terechtzit- ting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, één stuk heeft neergelegd dat een vertaalde verklaring bevat; dat de verwijzing in de bestreden beslissing naar een “bijkomende nota van zijn advocaat” misschien een ongelukkige formulering van het bedoelde stuk is, zonder verdere gegeven titel of omschrijving op het stuk zelf; dat uit het dossier duidelijk blijkt dat er geen enkel ander stuk in aanmerking komt om aan deze omschrijving te beantwoorden; dat van enige onduidelijke verwijzing er aldus geen sprake is; dat de middelen, in de mate dat ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-20.660-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwin- tig november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.660-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.544 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.