← België

Arrest 151642 - - 23/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.642 Rolnummer: A. 154370/XIV-20308 Zaak: Arrest 151642 - - 23/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 05:16 Fiche Arrest nr 151.642 van 23 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.642 van 23 november 2005 in de zaak A. 154.370/XIV-20.308. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Sri Lankaanse nationaliteit, op 2 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 15 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen en van “de mogelijke gevolgen en uitvoeringsbesluiten tot verwijdering die hiervan het gevolg zouden kunnen zijn door de Dienst Vreemdelingenzaken”; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-20.308-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat, voor zover verzoeker met onderhavig verzoekschrift tevens een beroep instelt “tegen de mogelijke gevolgen en uitvoeringsbesluiten tot verwijdering die hiervan het gevolg zouden kunnen zijn door de Dienst Vreemdelingenza- ken”, hij in gebreke blijft de bestreden handeling(

  1. en)te identificeren en aldus een nauwkeurige omschrijving van het voorwerp van het vernietigingsberoep ontbreekt; dat de vordering derhalve enkel ontvankelijk is wat de beslissing van 15 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen, betreft. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van het redelijkheids- en het zorgvuldig- heidsbeginsel, verzoeker aanvoert dat hij “zeer veel vragen heeft over de wijze van ondervraging”, dat “op geen enkele wijze de door hem aangebrachte argumenten zijn onderzocht”, dat zijn aanvraag zonder meer als ongegrond wordt afgewezen en “dat hij nooit heeft geweten waarom”, dat “men hierover wel drie jaar heeft laten verlopen”, dat de situatie in Sri Lanka op dit ogenblik verbeterd is omdat er vredesbesprekingen zijn doch dat het conflict terug kan opflakkeren mochten deze besprekingen afspringen, dat met zijn stukken geen rekening werd gehouden en hij geen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, dat zijn verklaringen coherent, begrijpelijk en duidelijk waren en getuigen van een persoonlijke vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève, dat “men algemeenheden aan(haalt) zonder het dossier verder te onderzoeken”, dat het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “op een dergelijke wijze van onderzoek (...) nooit tot een juiste feitenvinding (kan) komen”, hij het werkelijke gevaar bij een eventuele terugkeer wenst te benadrukken, “het probleem (...) dus zeer ernstig (
  2. is)en de beslissing van het Commissariaat-Generaal (...) dan ook onbegrijpelijk (is)”; dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht, verzoeker aanvoert dat op geen enkele wijze wordt gestaafd waarom zijn asielaanvraag ongegrond is, dat zijn identiteit en XIV-20.308-2/4 nationaliteit niet worden betwist en zijn verklaringen overeenkomen met de gekende toestand in Sri Lanka voor Tamils, dat “men (...) nu (verwijst) naar de verbeterde situatie vanwege de vredesbesprekingen doch (dat) dit (...) nog zeer precair (is)”, dat zijn argumenten niet verder onderzocht werden, dat zijn veroordeling in België voor mensenhandel niets te maken heeft met het goed kennen van de reisweg tussen Sri Lanka en België en evenmin met zijn vluchtredenen, te weten de gevechten tussen het leger en het LTTE, en met zijn concrete angst voor een eventuele terugkeer, en “dat hij bovendien nog andere argumenten heeft om te stellen dat hij niet kan terugkeren zonder te moeten vrezen voor zijn leven”; 2.2. Overwegende dat, voor zover het eerste middel gericht is tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het niet in aanmerking kan worden genomen, want niet gericht tegen de thans bestreden beslissing; dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich geenszins beperkt tot “algemeenheden”, doch uit de motivering van de bestreden beslissing genoegzaam blijkt waarom zijn aanvraag wordt verworpen, met name omdat -zoals omstandig wordt toegelicht- hij geen nadere gegevens verstrekt met betrekking tot zijn vals Iers paspoort, hij vage toelichtingen geeft omtrent zijn reisweg en een dergelijke houding frauduleus overkomt, hij tegenstrijdige verklaringen aflegt omtrent de doodsoorzaak van zijn zus en evenmin documenten hieromtrent of omtrent zijn verwantschap bijbrengt, hij geen nadere toelichtingen kan geven over de specifieke groepering die hem bedreigde of de leiders hiervan, hij zijn aanwezigheid in Sri Lanka in de periode vóór zijn komst naar België noch zijn samenwerking met de LTTE in dezelfde periode aannemelijk maakt, en hij geen nieuwe elementen aanbrengt waaruit kan blijken dat hij in de negatieve aandacht stond van de Sri Lankaanse overheid; dat de bestreden beslissing derhalve afdoende met redenen is omkleed; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de verklaringen van de vreemdeling coherent zijn en of hij, gelet op zijn veroordeling wegens mensenhandel, bekend moet zijn met de reiswegen die worden gebruikt voor het binnenkomen van Europa; dat deze beoordeling niet door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierech- ter, kan worden overgedaan; dat, voor zover het middel ertoe strekt de feitelijke beoordeling van de zaak, inzonderheid in verband met zijn vrees voor vervolging en de situatie in het land van herkomst, over te doen, het evenmin in aanmerking kan worden genomen omdat dit buiten de bevoegdheid van de administratieve cassatierechter valt; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er door de wet enkel mee is belast na te gaan of de vreemdeling beantwoordt aan de voorwaarden welke met het oog op een erkenning als vluchteling worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden; dat geen enkele verdrags- of wetsbepaling noch beginsel haar toelaat een vreemdeling als vluchteling te erkennen omdat men over zijn asielaanvraag “wel drie jaar heeft laten verlopen”; dat uit het verhoorverslag van de zitting van 15 juni 2004 niet blijkt dat verzoekster toen in verband met zijn ondervraging enig voorbehoud of opmerking heeft gemaakt; dat hij niet voor het eerst voor de administratieve cassatierechter kan laten gelden dat hij “zeer veel vragen heeft over de wijze van ondervraging”; dat het niet volstaat op XIV-20.308-3/4 algemene wijze te beweren dat niet op de argumentatie van het beroepschrift of op de voorgelegde stukken is geantwoord; dat in het middel in concreto moet worden aangegeven welke argumentatie en welke stukken precies door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zijn genegeerd; dat, bij ontstentenis van deze toelichting dit onderdeel niet in aanmerking kan worden genomen; dat de middelen, in de mate dat ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwin- tig november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.308-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.642 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.