id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.643 Rolnummer: A. 160354/XIV-21900 Zaak: Arrest 151643 - - 23/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-13 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-07-03 05:17 Fiche Arrest nr 151.643 van 23 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.643 van 23 november 2005 in de zaak A. 160.354/XIV-21.
- In zake :
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat J.-L. TEHEUX, kantoor houdende te 4020 LUIK, rue de Chaudfontaine 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Russische nationaliteit, op 24 februari 2005 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van 20 december 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hen als vluchteling te erkennen; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 3 maart 2005 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 13 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2005; XIV-21.900-1/4 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. CIARNIELLO die, loco Advocaat J.-L. TEHEUX verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het beginsel van behoorlijk bestuur volgens hetwelk de overheid moet beslissen met kennis van alle elementen van het dossier, verzoekers aanvoeren dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen rekening houdt met en op geen enkele wijze melding maakt van de actuele situatie in Tsjetsjenië en evenmin ingaat op de door hen ingeroepen mensenrechtenrapporten hieromtrent en derhalve de grond van de zaak niet onderzoekt, terwijl hun asielaanvraag wél ontvankelijk werd verklaard; 1.1.
- Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat de motivering van de bestreden beslissing genoegzaam doet blijken waarom de aanvraag van verzoekers door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt verworpen, met name omdat flagrante tegenstrijdigheden betreffende wezenlijke elementen van het door hen voorgehouden relaas van de feiten verhinderen aan dit relaas enig geloof te hechten; dat, wanneer -zoals in casu- geen geloof kan worden gehecht aan het aangevoerde feitenrelaas, niet nader dient te worden ingegaan op de toestand in het land van herkomst; dat het ontvankelijk verklaren van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling bovendien enkel inhoudt dat verder onderzoek van de aanvraag noodzakelijk is maar geenszins betekent dat de echtheid van het vluchtverhaal wordt aangenomen; dat er dan ook geen beletsel is om een aanvraag in de gegrondheidsfase wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas te verwerpen; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-21.900-2/4 1.2.
- Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van de rechten van verdediging en van het beginsel van het tegensprekelijk debat, verzoekers aanvoeren dat zij geen verweer kunnen voeren en het onmogelijk is over te gaan tot een vergelijking van de diverse verhoorverslagen, aangezien de verhoorverslagen van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verward en soms onleesbaar zijn; 1.2.
- Overwegende dat, zo de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er in ondergeschikte orde op wijst dat de verhoorverslagen van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen perfect leesbaar zijn en dat verzoekers met betrekking tot de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde tegenstrijdigheden een voorbereid gelijklopend verhaal voorhouden, zij eraan voorbijgaan dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hun aanvraag in hoofdorde verwerpt omdat ter harer zitting is gebleken dat verzoekers “op duidelijk niet door hen voorbereide vragen betreffende hun adres in Chenchen-Aul, betreffende de naam van de neef die eenmaal in juni 2001 is blijven overnachten en betreffende hun doorreis in Nazran in Ingoesjië totaal tegenstrijdige antwoorden geven”; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich voor de weigering van de erkenning van het statuut van vluchteling aan verzoekers bijgevolg niet steunt op de verhoren van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, maar op de tijdens de terechtzitting voor haar afgelegde verklaringen; dat de verhoorverslagen van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen derhalve geen invloed hebben gehad op het determinerend motief van de bestreden beslissingen, zodat de eventuele onleesbaarheid ervan verzoekers niet heeft benadeeld; dat het tweede middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-21.900-3/4 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig november tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-21.900-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.643 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.