id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.653 Rolnummer: A. 124466/XIV-10997 Zaak: Arrest 151653 - - 23/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-20 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 05:22 Fiche Arrest nr 151.653 van 23 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.653 van 23 november 2005 in de zaak A. 124.466/XIV-10.997. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat P. SOMERS, kantoor houdende te 2200 DEURNE, Goudbloemstraat 23 C tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 9 maart 1976 en van Chinese nationaliteit, op 23 juli 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 22 april 2002 tot weigering van regularisatie; Gelet op het arrest nr. 119.000 van 5 mei 2003, waarbij de vordering tot schorsing werd verworpen; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag d.d. 13 mei 2005 opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer d.d. 17 mei 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 september 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-10.997-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. SOMERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat G. COOLSAET, die, loco Advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. XXX heeft op 25 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.2. Op 9 april 2001 stelt het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is, en zendt de aanvraag met een negatief advies voor beslissing over aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Aan verzoekster wordt meegedeeld dat zij beschikt over een termijn van drie dagen, na kennisgeving van het negatief advies, om haar standpunt uiteen te zetten aan de Minister. 1.3. Op 14 mei 2001 richt de raadsman van verzoekster een schrijven met bijkomende stukken aan de Minister van Binnenlandse Zaken. In dat schrijven geeft de raadsman aan dat verzoekster zich eveneens beroept op artikel 2, 2/ van de wet de Regularisatiewet. 1.4. Op 30 januari 2002 is verzoekster door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een raadsman, gehoord. De zaak werd uitgesteld tot de zitting van 27 maart 2002. 1.5. Op 27 maart 2002 is verzoekster door de Commissie voor regularisatie, in aanwezigheid van een raadsman, gehoord. 1.6. Op 11 april 2002 heeft de eerste Kamer van de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoekster. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Gelet op de beschikking van de Vice-Eerste Voorzitter van de Commissie voor Regularisatie d.d. 10 januari 2002 waarbij het dossier voor de aanvraag tot regularisatie ingediend door de XIV-10.997-2/7 verzoekster werd toegewezen aan deze kamer voor de zitting van 30 januari 2002. Alsdan werd de zaak uitgesteld naar de zitting van 27 maart 2002. De regularisatie werd tijdig aangevraagd op grond van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen (artikel 2.4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk). De verzoekster, die tijdig en behoorlijk werd opgeroepen, verscheen in persoon, bijgestaan door haar raadsman, Mter. Somers, advocaat te Herentals, en Mw. XXX, tolk, die de bij de wet voorgeschreven eed heeft afgelegd, ter zitting van 27 maart 2002. Op 26 juni 2000 werd een tweede kind geboren, Xiang Jin, te Herentals. Hoewel de aanvraag dit kind niet vermeldt daar het nog niet geboren was, moet de aanvraag ook geacht worden te slaan op dit kind dat uit het wettelijk huwelijk van de aanvraagster en haar man is geboren. Gelet op het dossier van het secretariaat van de griffie en de stukken van de verzoekster. De identiteit van de aanvraagster wordt aangetoond aan de hand van een nationaal document. Uit de stukken blijkt niet met zekerheid dat de verzoekster op 1 oktober 1999 op het Belgisch grondgebied verbleef. Er zijn geen objectieve stukken van haar aanwezigheid op deze datum, enkel 2 getuigenissen. De eerste prestatiedatum van de medische getuigschriften dateert van 17 december 1999. Zij kwam op 28 mei 1999 België binnen met een toeristenvisum voor de Schengenlanden. Deze datum dient aangenomen te worden hoewel de datumstempel van binnenkomen niet zo duidelijk is qua jaartal, gezien het visum het jaar nadien verlopen was en zij dus niet kon afreizen met een niet-geldig visum. De datum van uitreis (China) vermeldt eveneens 28 mei 1999. Het dossier toont aan dat bij de aanvraag de daarin vermelde stukken werden bijgevoegd. Er wordt vastgesteld dat de verzoekster pas sinds eind mei 1999 België is binnengekomen. Objectieve stukken van aanwezigheid in België dateren pas vanaf december 1999 en 2000. Zij toont geen voldoende humanitaire redenen aan en evenmin dat zij duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in ons land. Uit de voorgelegde stukken en verklaringen ter zitting blijkt dat de verzoekster: - zeer kort in het Rijk verbleef en dat dit verblijf evenmin “relevant” is in de zin van artikel 9.9/ van de wet van 22 december 1999; - geen legaal verblijf kan aantonen; - geen enkel woord Nederlands spreekt of begrijpt; - geen Nederlands leert, maar wel een aanmeldingsfiche NT2 voorlegt zonder verdere specificatie; - een kind heeft in China; - door haar echtgenoot, die spoorloos verdween nadat zij in België waren toegekomen, in de steek werd gelaten; - werkt bij haar schoonbroer (zie verklaring ter zitting van 30 januari 2002), aanvankelijk voltijds, nu nog deeltijds; - geen mogelijkheid heeft om haar eigen kind op te voeden en dit blijkbaar ook niet doet, hoewel zij steeds bij familie (schoonbroer, d.i. broer van verdwenen echtgenoot) heeft verbleven die ook kinderen hebben; haar kind werd in een pleeggezin geplaatst; - zich niet bij de V.D.A.B. liet inschrijven voor een voltijdse betrekking noch een actieplanovereenkomst afsloot; - haar familie in China leeft maar naar België kwam om in te trekken bij de broer van haar verdwenen man, die hier een Chinees restaurant uitbaat, en met wie zij samenwoont en werkt; - geen deel uitmaakt van een vrouwengroep, wat haar wil tot integratie in het gemeenschaps- leven aantoont. De aanvraagster brengt medische stukken voor doch steunt zich niet op het 3de criterium van de wet. Aangezien de aanvraagster pas op 28 mei 1999 het Rijk binnenkwam, voldoet zij geenszins aan de voorwaarde van verblijf. Ingevolge deze zeer korte duur (nog geen zes maanden) dient haar aanvraag strikt onderzocht en bekeken. Overwegend(
- e)dat het niet verantwoord voorkomt de verzoekster, die omzeggens geen banden heeft met België en waarvan haar familie (kind inbegrepen), één broer die in Spanje woont uitgezonderd, in China verblijft een positief advies te verlenen enkel omwille van het feit dat zij hier een tweede kind heeft gebaard. Door de geboorte van een tweede kind voldoet de aanvraagster evenmin aan artikel 2, 2/ van de wet. Er wordt niet aangetoond dat zij zal gevangengezet worden of beboet worden. De aanvraagster legt geen Nederlandstalige stukken voor die aantonen dat zijzelf zal gesanctioneerd worden voor het kind dat in België werd geboren. Dagbladuittreksels e.d.m. leveren hiervan geen bewijs. Het feit dat vroeger abortus werd gepleegd toont dit evenmin aan. De aanvraagster voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden qua verblijf. Overwegende dat nu de sociale bindingen en humanitaire redenen niet worden bewezen, de aanvraag op grond van artikel 2.2/ of artikel 2.4/ van de wet van 22 december 1999 niet tot een gunstig advies aanleiding kan geven. XIV-10.997-3/7 OM DEZE REDENEN Verleent de commissie aanXXX, en haar zoon X. J., geboren te Herentals op 26 juni 2000, een ONGUNSTIG advies tot regularisatie van hun verblijf in België op grond van artikel 2.2/ of 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. (...)”. 1.7. Op 22 april 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie van verzoekster verworpen. Dit is de thans bestreden beslissing. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de wet, meer precies van het redelijkheidsbeginsel; dat verzoekster betoogt dat dit middel in wezen neerkomt op machtsoverschrijding in de zin van “art. 14 lid 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State”; Overwegende dat niet kan worden ingezien hoe de schending van het redelijkheidsbeginsel een schending kan uitmaken van een niet nader gepreciseerde wet in materiële zin; dat het eerste middel uitgaat van een foutieve feitelijke hypothese (cfr. infra): uit het administratief dossier samengelezen met de bestreden beslissing, die steunt op het gemotiveerd advies van 11 april 2002 van de eerste kamer van de Regularisatiecommissie, blijkt dat verzoekster twee kinderen heeft waarvoor ze niet zorgt, of niet kan zorgen; dat zij het eerste kind heeft achtergelaten in China, waar het blijkbaar in een opvangtehuis wordt opgevoed, en dat het tweede kind werd verwekt en geboren in België; dat, vermits dit kind werd geboren op 26 juni 2000 en verzoekster op 28 mei 1999 in België aankwam, geen rekening kon worden gehouden met de geboorte van het kind op 25 januari 2000, datum waarop verzoekster haar regularisatieaanvraag indiende (cfr. punt 1.1.); Overwegende dat uit de brief van 13 maart 2002 van het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg, gericht aan de Advocaat van verzoekster, blijkt dat het tweede kind geplaatst werd in een pleeggezin vanaf 1 juni 2001 en dat verzoekster om de veertien dagen een bezoekrecht uitoefent van maandag 16 uur tot dinsdag 16 uur; dat uit de debatten blijkt dat deze situatie tot op heden praktisch ongewijzigd voortduurt en dat het tweede kind wordt opgevoed buiten het gezinsmilieu van verzoekster; dat het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg in dezelfde brief terecht schrijft dat “wij (bovendien) de mening (zijn) toegedaan dat hulpverlening en de regularisatie van (
- de)moeder i.f.v. (
- de)minderjarige volledig losgekoppeld moeten worden.”; (cfr. stuk nr. 16 van het administratief dossier); dat er bijgevolg geen causaal verband bestaat tussen het lot van de twee minderjarige kinderen die verzoekster niet zelf opvoedt maar die zij heeft toevertrouwd aan derden, en haar regularisatieaanvraag die steunt op haar vlucht uit China, die blijkbaar is ingegeven door een soort onmacht om een eigen leven uit te bouwen in haar land van herkomst en door een vlucht naar haar schoonfamilie in België, die haar tot op dit ogenblik opvangt; dat bijgevolg het lot van de kinderen niet mag worden verbonden met dat van verzoekster, wat de foutieve XIV-10.997-4/7 feitelijke hypothese uitmaakt waarvan verzoekster uitgaat, nu bovendien geenszins vaststaat dat de thans bestreden weigeringsbeslissing leidt tot de gedwongen terugkeer van het minderjarige kind dat in België bij een pleeggezin verblijft, eerstens omdat uit het administratief dossier niet blijkt dat een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten werd uitgevaardigd lastens verzoekster, tweedens omdat de ingediende regularisatieaanvraag geen betrekking heeft op het kind dat in België werd geboren; Overwegende dat de Regularisatiecommissie, wiens advies wordt gevolgd en overgenomen door de Minister van Binnenlandse Zaken, duidelijk en correct motiveert waarom verzoekster niet voldoet aan artikel 2, 2/ en artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet; dat het niet voldoen aan deze criteria geen causaal verband vertoont met de beweerde schending van het redelijkheidsbeginsel, omdat de Regularisatiewet criteria bevat die wettelijk zijn bepaald en die aan de bevoegde minister een ruime appreciatiebevoegdheid verlenen, omdat de regularisatie van de verblijfssituatie van een vreemdeling op basis van de Regularisatiewet een gunstmaatregel uitmaakt; Overwegende dat het eerste middel niet dienstig wordt aangevoerd en niet kan leiden tot de annulatie van de bestreden beslissing; 2.2. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 3 van het E.V.R.M.; Overwegende dat een correcte toepassing van de Regularisatiewet, wat in casu het geval is, niet leidt tot een schending van artikel 3 van het E.V.R.M.; Overwegende dat verzoekster en haar zogenaamde echtgenoot hebben beslist om China te verlaten en om hun kind achter te laten in hun vaderland; dat zij bijgevolg de schending van voormeld artikel niet kunnen inroepen; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is; 2.3. Overwegende dat verzoekster in het derde middel de “niet-naleving” aanvoert “van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen: onwettige motivering”; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de bestreden beslissing niet naar recht is verantwoord waar de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn beslissing overweegt dat verzoekster geen Nederlandstalige stukken voorlegt die aantonen dat zij in China zal worden gesanctioneerd voor een kind dat in België werd geboren, en dat dagbladuittreksels dit aantonen; dat verzoekster stelt dat de motivering van de bestreden beslissing onwettig is wegens miskenning van het principe van de vrije bewijsvoering, die XIV-10.997-5/7 toelaat alle middelen van het recht aan te wenden ter bewijs, waarbij niet in het Nederlands gestelde stukken in de Regularisatiewet niet worden uitgesloten als bewijsmiddel, alsook wegens tegenstrijdigheden, door enerzijds te stellen dat de niet in het Nederlands gestelde stukken niet in beraad zijn genomen, doch anderzijds te verwijzen naar Engelstalige dagbladuittreksels die wel in beraad zijn genomen door te stellen dat zij geen bewijs opleveren; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de Commissie voor regularisatie er met rede van mag uitgaan dat dagbladuittreksels niet het bewijs kunnen leveren van de voorgehouden kansen op vervolging; Overwegende dat verzoekster terecht opmerkt dat niet in het Nederlands gestelde stukken in de Regularisatiewet niet als bewijsmiddel worden uitgesloten; dat het door verzoekster opgeworpen middel nochtans niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing kan leiden; dat de door verzoekster ingeroepen bepalingen betrekking hebben op de uitdrukkelijke motiveringsplicht, die tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de bestuurde kan oordelen of er aanleiding toe bestaat om de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit de uiteenzetting in het middel blijkt dat verzoekster deze redenen kent; dat verzoekster evenwel uit het oog verliest dat de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen en dat niet ieder afzonderlijk in aanmerking genomen motief een zelfstandig weigeringsmotief hoeft te vormen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken, met het oog op de bestreden beslissing heeft overwogen dat: - verzoekster geenszins voldoet aan de voorwaarde van verblijf, aangezien zij pas op 28 mei 1999 het Rijk binnenkwam; - verzoekster zeer kort in het Rijk verbleef en dat dit verblijf niet relevant is in de zin van artikel 9, 9/ van de regularisatiewet; - verzoekster geen legaal verblijf kan aantonen; - verzoekster geen Nederlands spreekt of begrijpt; - verzoekster geen Nederlands leert, maar dat zij wel een aanmeldingsfiche NT2 voorlegt zonder verdere specificaties; - verzoekster een kind heeft in China; -verzoekster door haar echtgenoot, die spoorloos verdween nadat zij in België waren toegekomen, in de steek werd gelaten; - verzoekster werkt bij haar schoonbroer, aanvankelijk voltijds, nu nog deeltijds; - verzoekster geen mogelijkheid heeft om haar eigen kind op te voeden en dat zij dit blijkbaar ook niet doet, hoewel zij steeds bij familie heeft verbleven die ook kinderen heeft; dat haar kind in een pleeggezin werd geplaatst; - dat verzoekster zich niet bij de V.D.A.B. heeft ingeschreven voor een voltijdse betrekking, en dat zij evenmin een actieplanovereenkomst afsloot; XIV-10.997-6/7 - verzoeksters familie in China leeft, maar dat zij naar België kwam om in te trekken bij de broer van haar verdwenen man, die hier een Chinees restaurant heeft, en met wie zij samenwoont en werkt; - dat verzoekster geen deel uitmaakt van een vrouwengroep, wat haar wil tot integratie in het gemeenschapsleven aantoont; Overwegende dat de bestreden beslissing op een omstandige wijze werd gemotiveerd en dat de diverse feitelijke en juridische overwegingen, in hun onderlinge samenhang, de bestreden beslissing op een afdoende en pertinente wijze onderbouwen; dat het derde middel derhalve ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig november tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.997-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.653 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div