← België

Arrest 151657 - - 23/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.657 Rolnummer: A. 167918/VII-35771 Zaak: Arrest 151657 - - 23/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-11-28 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 05:22 Fiche Arrest nr 151.657 van 23 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.657 van 23 november 2005 in de zaak A. 167.918/XIV-24.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX van Ghanese nationaliteit, op 21 november 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 november 2005 waarbij een verzoek om machtiging tot voorlopig verblijf in op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen “zonder voorwerp” wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 22 november 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 november 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 23 november 2005 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DE LIEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; XIV-24.068-1/4 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
  2. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot de derde voorwaarde aanvoert dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing op korte termijn een repatriëring naar Ghana tot gevolg zou hebben, dat de verzoekende partij al 14 jaar onafgebroken in België verblijft en hier ondanks alle moeilijkheden een leven heeft uitgebouwd, dat zij ernstig ziek is en bij haar huisarts en in het psychiatrisch ziekenhuis in Geel in behandeling is wegens schizofrenie, waarvoor zij permanent medicatie moet nemen, dat deze behandeling plots zou worden onderbroken zonder garantie dat zij in Ghana kan worden verdergezet, dat in het recente attest van dr. DE SMET wordt gesteld dat de “depot injectie” essentieel is doch niet evident is voor een Afrikaans land en dat zonder die injectie ernstige mentale gezondheidsproblemen dreigen, terwijl voor dat ziektebeeld geen gedetailleerde of accurate opvolging en behandeling mogelijk zijn in Afrika, dat de verzoekende partij zonder medicatie in ernstige moeilijkheden verkeert, dat de schending van artikel 3 van het E.V.R.M. reëel is, dat de verzoekende partij zou worden gerepatrieerd naar een land waar zij ernstig in gevaar verkeert en dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aangenomen dient te worden daar de verwerende partij in de bestreden beslissing heeft verzuimd te antwoorden op de argumentatie in de aanvraag om machtiging tot verblijf; 1.
  4. Overwegende dat enerzijds het opwerpen van een ernstig middel en anderzijds het aannemelijk maken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel twee afzonderlijke schorsingsvoorwaarden vormen; dat de verwijzing naar een voorgehouden schending van artikel 3 van het E.V.R.M. en naar een voorgehouden gebrekkige motivering derhalve niet dienstig zijn om het voorgehouden moeilijk te herstellen ernstig nadeel aannemelijk te maken; Overwegende dat de verzoekende partij uiteenzet dat zij op 16 juli 2004 een eerste aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van XIV-24.068-2/4 de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) heeft ingediend; dat die aanvraag zich in het administratief dossier bevindt en dat er uit blijkt dat de verzoeken- de partij toen reeds aanvoerde dat artikel 16 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk niet op haar kon worden toegepast, dat zij aan ernstige psychische aandoeningen leed waarvoor een behandeling in België noodzakelijk was en dat een adequate behandeling in Afrika niet mogelijk is; dat de aanvraag van 16 juli 2004 met een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 september 2005 is verworpen; dat de beslissing van 1 september 2005 zich eveneens in het administratief dossier bevindt en identiek hetzelfde voorwerp en dezelfde motivering heeft als de bestreden beslissing, die is genomen na een tweede aanvraag op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, ingediend op 14 november 2005; dat de verzoekende partij heeft nagelaten een schorsings- of annulatieberoep tegen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 september 2005 te richten; dat de verzoekende partij de gevolgen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 1 september 2005 derhalve niet voldoende zwaarwichtig heeft geacht om er een vordering tot schorsing tegen in te stellen, zodat diezelfde gevolgen ook bij de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel in hoofde van de verzoekende partij kunnen vormen; dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het recent medisch attest van dr. DE SMET van 10 november 2005, vermits daarin enkel de gekende medische toestand van de verzoekende partij wordt bevestigd en er geen wijziging van die toestand uit blijkt, hetgeen des te meer klemt nu de beslissing van 1 september 2005 minder dan drie maanden ouder is dan de bestreden beslissing; dat derhalve niet is voldaan aan de derde schorsingsvoor- waarde; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-24.068-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig november tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-24.068-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.657 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.