id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.694 Rolnummer: A. 80313/VII-17126 Zaak: Arrest 151694 - - 24/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 05:23 Fiche Arrest nr 151.694 van 24 november 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.694 van 24 november 2005 in de zaak A. 80.313/VII-17.126 In zake : Jean GEUENS, wonende te BALEN, Schoorheide 40 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat 30. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean GEUENS op 16 september 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 4 juni 1998 waarbij aan verzoeker de vergunning wordt geweigerd om een als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichting gevestigd te Balen, Schoorheide 40, uit te breiden met 450 vleesvarkens en 50 zeugen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 1 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 21 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 oktober 2005; VII-17.126-1/11 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HELSEN, die verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat J. PEETERS die, loco Advocaat H. LANGE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. Verzoeker exploiteert te Balen, aan de Schoorheide nr. 40, een varkensbedrijf. Volgens het gewestplan Herentals-Mol ligt de inrichting in een agrarisch gebied. Verzoeker beschikt voor de exploitatie van zijn bedrijf over een vergunning ingevolge aktename door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 19 september 1991, en dit voor stallen voor 1.000 gespeende varkens en stallen voor 450 niet-gespeende biggen, opslag van 1.898 m³ mest, silo’s voor 42 ton voer en elektromotoren van 6,09 kW. Deze aktename geldt als een vergunning voor een termijn verstrijkend op 19 september 2011. 1.2. In augustus 1991 dient verzoeker een vergunningsaanvraag in - dit in het kader van het toen geldende ARAB - voor de uitbreiding van de inrichting met 450 vleesvarkens en 50 zeugen, opslag van 1.170 m³ dierlijke mest en 5.000 liter opslag van stookolie, teneinde te komen tot een gesloten varkensbedrijf met 200 zeugen. 1.3. Op 29 april 1993 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning. 1.4. Met een aangetekend schrijven van 26 mei 1993 gaat verzoeker in beroep. VII-17.126-2/11 1.5. Tijdens de beroepsprocedure bezorgt verzoeker bij brief van 13 oktober 1994 aan het bestuur Milieuvergunningen van AMINAL en aan de Vlaamse Landmaatschappij een reeks documenten om zijn mestafzet te kunnen bewijzen. Verzoeker stelt dat hij voor 9.520,5 kg P2O5 (63,47
- ha)mestafzet kan bewijzen. Nog steeds tijdens de beroepsprocedure, met name bij brief van 20 juli 1996, bezorgt verzoeker nog bijkomende mestafzetdocumenten aan de Vlaamse Landmaatschappij. Het gaat over een totaal aan bijkomende gronden van 23,45 ha. 1.6. In het kader van de beroepsprocedure wordt een reeks adviezen uitgebracht: (
- a)Op 21 april 1994 adviseert het bestuur Ruimtelijke Ordening gunstig; (
- b)Eveneens in april 1994 adviseert de administratie voor Gezondheidszorg ongunstig, gelet op het bestaande mestoverschot in de gemeente Balen; (
- c)Op 24 oktober 1995 adviseert de Vlaamse Landmaatschappij ongunstig, omdat slechts een gedeelte van de geproduceerde mest op een ecologisch verantwoorde wijze kan worden afgezet, en omdat de aanvraag niet verenigbaar is met de door de Vlaamse Landmaatschappij gehanteerde criteria in verband met de beheersing van de nutriëntenproductie in Vlaanderen; (
- d)Op 10 november 1997 adviseert de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL eveneens ongunstig (behalve wat betreft de opslag van dierlijke mest en stookolie), omdat er voor alle inrichtingen van dit bedrijf tezamen onvoldoende mestafzetmogelijkheden zijn. 1.7. Op 4 juni 1998 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Deze beslissing, die aan verzoeker betekend wordt met een schrijven van 28 juli 1998, is gemotiveerd als volgt: "Overwegende dat het beroepschrift, ingediend door Jean Geuens, niet gemotiveerd is; Overwegende dat de inrichting, volgens het gewestplan Herentals-Mol, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 20 september 1978, gelegen is in een agrarisch gebied op circa 1.000 meter van een landelijke woonzone, op circa 2.000 meter van een woongebied en op circa 2.700 meter van een woonuitbreidingsgebied; dat binnen een straal van 100 meter rond de inrichting 2 veeteeltbedrijven zijn ingeplant; Overwegende dat voor het betrokken gebied geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat; Overwegende dat de inrichting verenigbaar is met de voor het terrein geldende planologische voorschriften; VII-17.126-3/11 Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van een bestaande varkenshouderij met 450 vleesvarkens en 50 zeugen om te komen tot een gesloten varkenshouderij van 1500 dieren, waarvan 200 zeugen; Overwegende dat de inrichting beantwoordt aan de criteria van bestaande veeteeltinrichtingen van artikel 1.1.2 van titel II van het Vlarem; Overwegende dat volgens artikel 5.9.3.1, §1 van titel II van het Vlarem uitsluitend het exploiteren en/of veranderen van ofwel bestaande veeteeltinrichtingen ofwel bestaande landbouwinrichtingen nog toegelaten is; dat deze inrichting, zoals hierboven aangehaald, daar aan voldoet; dat bijgevolg deze aanvraag verenigbaar is met bovenvermeld artikel van titel II van het Vlarem; Overwegende dat de fosfaatproductie van deze inrichting, blijkens de gegevens in de aanvraag 9.498 kg P2O5 bedraagt; dat de fosfaatproductie van de andere inrichting (Schoorheide 37 te Balen) behorende tot deze technische exploitatie-eenheid 4.500 kg P2O5 bedraagt; Overwegende echter dat de fosfaatproductie van alle inrichtingen die deel uitmaken van een technische exploitatie-eenheid bijgevolg 13.998 kg P2O5 bedraagt; dat de aanvrager 9.722 kg P2O5 kan afzetten (450 kg P2O5 via gronden in eigendom of in pacht en 9.272 kg P2O5 via afzetcontracten); dat er alzo voor alle inrichtingen van dit bedrijf tezamen onvoldoende mestafzetmogelijkheden zijn; dat bijgevolg deze uitbreidingsaanvraag wat de dieren betreft niet verenigbaar is met het Mestdecreet; Overwegende dat de ondergrondse opslag van 5.000 1 stookolie gunstig wordt beoordeeld mits naleving van de terzake geldende voorwaarden; Overwegende dat de totale mestopslagcapaciteit overeenkomstig de bepalingen van bijlage 5.9 hoofdstuk VII, §1 van titel II van het Vlarem als voldoende kan bestempeld worden; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond te verklaren; Besluit: Artikel 1. Het beroep gedagtekend 26 mei 1993, verzonden op 27 mei 1993, ingediend door Jean Geuens, Schoorheide 40 te 2490 Balen, tegen het besluit nr. 2/57.900 f2/sdk van 29 april 1993 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij aan Jean Geuens vergunning werd geweigerd voor de uitbreiding van een bestaand varkensbedrijf met 450 vleesvarkens, 50 zeugen, opslagplaatsen voor 1.170 m³ dierlijk mest en een opslag van 5.000 l stookolie in een ingegraven houder, gevestigd te Schoorheide 40, 2490 Balen, kadastraal gekend sectie C, perceelnummer 1107 v, zodat de inrichting na uitbreiding zou omvatten: - stallen voor 1.500 gespeende varkens, waarvan 200 zeugen; - opslagplaatsen voor 3.068 m³ dierlijk mest; - een ingegraven houder voor 5.000 1 stookolie, is ontvankelijk. Artikel 2. Het in artikel 1 vermelde beroep is gedeeltelijk gegrond. Artikel 3. Het besluit nr. 2/57.900 f2/sdk van 29 april 1993 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij aan Jean Geuens vergunning werd geweigerd voor de uitbreiding van een bestaand varkensbedrijf met 450 vleesvarkens, 50 zeugen, opslagplaatsen voor 1.170 m³ dierlijk mest en een opslag van 5.000 1 stookolie in een ingegraven houder, gevestigd te Schoorheide 40, 2490 Balen, kadastraal gekend sectie C, perceelnummer 1107 v, zodat de inrichting na uitbreiding zou omvatten: - stallen voor 1.500 gespeende varkens, waarvan 200 zeugen; - opslagplaatsen voor 3.068 m³ dierlijk mest; - een ingegraven houder voor 5.000 1 stookolie, wordt opgeheven. Artikel 4. VII-17.126-4/11 § 1. Aan de heer Jean Geuens wordt voor een termijn verstrijkend op 19 september 2011 enerzijds vergunning verleend voor de uitbreiding van de inrichting met een opslag van 1.170 m³ dierlijk mest en een opslag van 5.000 1 stookolie in een ingegraven houder en wordt anderzijds vergunning geweigerd voor de uitbreiding van het bestaand varkensbedrijf met 450 vleesvarkens en 50 zeugen, gevestigd te 2490 Balen, Schoorheide 40, kadastraal gekend sectie C, perceelnummer 1107 v. § 2. De termijn waarbinnen de in § 1 bedoelde inrichting dient in gebruik gesteld is vastgesteld op twee jaar. Artikel 5. De in artikel 4 bedoelde vergunning is afhankelijk van de strikte naleving van de volgende voorwaarden vervat in de bij dit besluit gevoegde bijlagen: Vlarem.V0l, Vlarem.V02, Vlarem.V32, Vlarem.V49, Vlarem.V54. Artikel 6. Onderhavige vergunning doet geen afbreuk aan de rechten van derden. Artikel 7. § l. Een bijkomende vergunning moet worden aangevraagd voor elke verandering van de vergunde inrichting. § 2. Elke overname van de inrichting door een andere exploitant dient uiterlijk tien kalenderdagen vóór de datum van overname gemeld aan de vergunning verlenende overheid overeenkomstig de bepalingen van artikel 42 van het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning. Een hernieuwing van de vergunning moet worden aangevraagd overeenkomstig de bepalingen van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning uiterlijk tussen de 18de en de 12de maand vóór het verstrijken van de vergunningstermijn van de lopende vergunning. Artikel 8. Dit besluit wordt genoteerd op de rand van het notulenboek van de Bestendige Deputatie tegenover het beroepen besluit"; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1.1. Overwegende dat verzoeker een eerste middel als volgt uiteenzet: "Eerste middel gebaseerd op de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en meer bepaald een kennelijk onredelijke beslissingstermijn. Doordat de bestreden beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen tot weigering van de vergunning dateert van 29 april 1993. Doordat hiertegen door verzoeker beroep werd aangetekend op 26 mei 1993. Doordat de beslissing van de Minister werd genomen op 4 juni 1998 en aan verzoeker ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven van 28 juli 1998. Terwijl, hoewel titel I van het Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming, in toepassing waarvan de vergunningsaanvraag werd ingediend, niet nader bepaalt binnen welke termijn de Minister uitspraak moet doen, het ongeoorloofd is dat een beslissing overdreven lang op zich laat wachten. Om die reden moet de bestuurlijke overheid binnen een redelijke termijn een standpunt innemen (Raad van State, n.v. CAP, nr. 31.487 van 1 december 1988). In casu werd een uitspraak gedaan ruim 5 jaar na indiening van het beroep. Dergelijke beslissingstermijn is kennelijk onredelijk. Voor deze kennelijk onredelijke beslissingstermijn wordt geen enkele motivering verschaft. Door niet te beslissen binnen een redelijke termijn werd verzoeker in de waan gebracht dat een vergunning zou worden toegekend. De beslissing van de Minister overschrijdt derhalve de grenzen van de redelijke termijnen. VII-17.126-5/11 Derhalve moet de beslissing nietig verklaard worden"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: "Verzoekende partij verwijt de Minister dat deze een kennelijk onredelijke beslissingstermijn zou hebben aangehouden. Verzoekende partij wijst er op dat de bestreden beslissing genomen werd 5 jaar na het indienen van het beroep. Het weze evenwel benadrukt dat verzoekende partij zijn niet gemotiveerde beroepsakte nog einde 1994 aanvulde met bewijzen in verband met de mestafzet en dat hij in de periode nadien, tot de beslissing tussengekomen is, de omstandigheid dat deze beslissing uitbleef ook niet aangeklaagd heeft, of de bevoegde overheid in gebreke gesteld om uitspraak te doen (Cfr., Raad van State, nr. 52.569 van 29.3.1995). Het kan niet ontkend worden dat de beslissing inderdaad lang op zich heeft laten wachten, maar verzoekende partij kan niet voorhouden dat hij daardoor in zijn redelijke verwachtingen bedrogen werd: immers, niets in de toepasselijke reglementering liet hem toe te veronderstellen dat het uitblijven van een beslissing gedurende een zekere termijn betekende dat de vergunning zou worden verleend of automatisch werd verleend. Het belang dat verzoekende partij heeft om dit middel in te roepen is ten andere bijzonder relatief, want als de bestreden beslissing om dit middel wordt vernietigd, zal de uiteindelijke beslissing van de overheid nog langer op zich laten wachten dan nu reeds het geval is; Het middel is ongegrond"; 2.1.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat het niet aan hem te wijten is dat nog bijkomende stukken inzake de mestafzet werden overgelegd, vermits de administratie deze had gevraagd en het overigens niet vereist was de mestafzet te bewijzen; 2.1.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie "geen bijkomende argumenten wenst te ontwikkelen"; 2.1.5. Overwegende dat het gegrond bevinden van het middel ertoe zou leiden dat de weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 29 april 1993 definitief wordt; dat die vaststelling tot de conclusie noopt dat verzoeker geen belang heeft bij het gegrond bevinden van het middel; dat het eerste middel bijgevolg onontvankelijk is; VII-17.126-6/11 2.2.1. Overwegende dat verzoeker een tweede middel als volgt uiteenzet: "Tweede middel gebaseerd op de schending van artikel 11 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en gebrek aan wettelijke grondslag. Doordat de bestreden beslissing uitsluitend gebaseerd is op het gegeven dat voor alle inrichtingen van het bedrijf tezamen onvoldoende mestafzetmogelijkheden zouden bewezen zijn en de uitbreidingsaanvraag wat de dieren betreft derhalve niet verenigbaar zou zijn met het Mestdecreet. Terwijl het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het mestdecreet, dat voor milieuvergunningsaanvragen voor inrichtingen van de rubrieken 9.3 tot 9.8. van de Vlarem-indelingslijst ondermeer de voorwaarde oplegt dat de mestafzet moet worden bewezen hetzij door middel van grondgebonden afzet, grondverbonden afzet, afzet via verwerking of afzet via export, ingevolge artikel 11 van dit Besluit niet van toepassing is op de vergunningsaanvragen waarvan de datum van ontvankelijk en volledigheidsverklaring ligt voor de inwerkingtreding van het Besluit, i.c. 1 januari 1996. Gezien de vergunningsaanvraag van verzoeker werd ingediend in augustus 1991 is het duidelijk dat de door de bestreden beslissing geformuleerde eis tot mestafzetbewijzen rechtens geen grondslag kan vinden in het voornoemde Besluit. Ingeval de bestreden beslissing (minstens impliciet) toch zou gebaseerd zijn op het voornoemde Besluit, schendt zij hierdoor voornoemd artikel 11 dewelke op uitdrukkelijke wijze de niet-toepasselijkheid van de voorwaarden van het Besluit op de door verzoeker ingediende vergunningsaanvraag stipuleert. Terwijl evenmin het mestdecreet, noch zoals dit van kracht was op het ogenblik van het indienen van de aanvraag, noch zoals dit heden gelding heeft (cfr. supra), noch het Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming, noch enige andere wetgeving voorziet dat een uitbatingsvergunningsaanvraag ingediend en ontvankelijk verklaard vóór 1 januari 1996, kan geweigerd worden omwille van een zogenaamd onvoldoende bewijs van mestafzet (R.v.St., nr. 54.274, 4 juli 1995, R.v.St., nr. 51.660, 16 februari 1995,...) derwijze dat voor dit weigeringsmotief rechtens geen grondslag voorhanden is noch in het mestdecreet, zoals de beslissing lijkt te suggereren, noch in enige andere wetgeving. Terwijl daarenboven de mestafzet in casu wel degelijk volledig door verzoeker werd bewezen (cfr. infra). Door weigering van de vergunning op basis van het onvoldoende voorhanden zijn van mestafzetmogelijkheden terwijl voor het opleggen van zulke voorwaarden geen enkele wettelijke grondslag bestaat, is de bestreden beslissing aangetast door onwettigheid"; 2.2.2. Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende parij doet gelden wat volgt: "Terzake werd geen toepassing gemaakt van het bewuste besluit van 20 december 1995, het volstaat om in dit verband te verwijzen naar het advies van de Vlaamse Landmaatschappij, dat reeds dateert van 24 oktober 1995, dus vóór het besluit van 20 december 1995, (...) waarin wordt beklemtoond dat de VII-17.126-7/11 aanvraag ‘niet verenigbaar is met de doelstellingen van het Mestdecreet’, en met ‘de door de Vlaamse Landmaatschappij gehanteerde criteria i.v.m. de beheersing van de nutriëntenproductie in Vlaanderen’; Mede op grond van dit advies en op grond van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid, heeft de Minister geoordeeld dat de vergunningsaanvraag niet verenigbaar is met het Mestdecreet, maar hierbij is geen toepassing gemaakt van het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 1995. Het middel is ongegrond"; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog betoogt dat de bestreden beslissing wel degelijk gebaseerd is op het onvoldoende bewijs van de mestafzet, en dat de verwerende partij niet antwoordt op het tweede onderdeel van het middel; 2.2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie "geen bijkomende argumenten wenst te ontwikkelen"; 2.2.5. Overwegende dat het decisief -en enig- weigeringsmotief betreffende de uitbreiding van het aantal dieren als volgt weergegeven is in de aanhef van de bestreden beslissing: "Overwegende dat de fosfaatproductie van deze inrichting, blijkens de gegevens in de aanvraag 9.498 kg P2O5 bedraagt; dat de fosfaatproductie van de andere inrichting (Schoorheide 37 te Balen) behorende tot deze technische exploitatie-eenheid 4.500 kg P2O5 bedraagt; Overwegende echter dat de fosfaatproductie van alle inrichtingen die deel uitmaken van een technische exploitatie-eenheid bijgevolg 13.998 kg P2O5 bedraagt; dat de aanvrager 9.722 kg P2O5 kan afzetten (450 kg P2O5 via gronden in eigendom of in pacht en 9.272 kg P2O5 via afzetcontracten); dat er alzo voor alle inrichtingen van dit bedrijf tezamen onvoldoende mestafzetmogelijkheden zijn; dat bijgevolg deze uitbreidingsaanvraag wat de dieren betreft niet verenigbaar is met het Mestdecreet"; Overwegende dat uit voorgaande overwegingen aldus blijkt dat de verwerende partij van oordeel is dat er voor alle inrichtingen van verzoekers bedrijf onvoldoende mestafzetmogelijkheden zijn, zodat de uitbreidingsaanvraag wat de dieren betreft "niet verenigbaar is met het Mestdecreet"; Overwegende dat nergens uit blijkt met welke bepalingen van het meststoffendecreet de uitbreidingsaanvraag onverenigbaar is; dat immers noch in de bestreden beslissing, noch in de voorbereidende adviezen, enige precisering dienaangaande wordt gegeven; dat ook in de memorie van antwoord de verwerende VII-17.126-8/11 partij geen opheldering verschaft; dat zij volstaat met de opmerking dat geen toepassing werd gemaakt van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, en dat de minister "op grond van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid" oordeelde dat de vergunningsaanvraag niet verenigbaar is met het meststoffendecreet; Overwegende dat de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals het gold ten tijde van de bestreden beslissing, een aantal regels omvatte betreffende de vergunningverlening; dat deze bepalingen werden uitgevoerd met het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, het zogenaamde vergunningenbesluit; Overwegende dat artikel 11 van dit vergunningenbesluit ten tijde van de bestreden beslissing bepaalde wat volgt: “Dit besluit is niet van toepassing op de vergunningsaanvragen waarvan de datum van ontvankelijkheid en volledigheidsverklaring ligt voor de inwerkingtreding van dit besluit”; dat luidens artikel 12 het besluit in werking trad op 1 januari 1996; dat artikel 13 in enkele uitzonderingen en nadere overgangsmodaliteiten voorzag; Overwegende dat de vergunningsaanvraag in casu ruimschoots vóór 1 januari 1996 werd ingediend, zodat het vergunningenbesluit niet van toepassing was op de aanvraag van verzoeker; dat de verwerende partij in de memorie van antwoord overigens zelf stelt dat geen toepassing werd gemaakt van het vergunningenbesluit; Overwegende dat de verwerende partij ofwel impliciet toch toepassing maakte van het meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten wat betreft de bepalingen inzake de vergunningverlening, waardoor er strijdigheid bestaat met het hierboven geciteerde artikel 11 van het vergunningenbesluit, ofwel geen toepassing maakte van het meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten voor wat betreft de vergunningverlening; dat de Raad van State dan evenwel geen bepaling bekend is op grond waarvan de verwerende partij de vergunningsaanvraag afwees; VII-17.126-9/11 dat het inroepen van een louter discretionaire bevoegdheid hier niet volstaat; dat bij gebreke aan regels in het meststoffendecreet, vergunningsaanvragen niet geweigerd kunnen worden omdat de aanvrager geen of onvoldoende mestafzetdocumenten had voorgelegd; dat er bijgevolg geen rechtsgrond voorhanden was om de vergunning te weigeren op basis van het motief dat de mestafzet onvoldoende bewezen was; Overwegende dat het tweede middel gegrond is; BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 4 juni 1998 waarbij aan Jean GEUENS de vergunning wordt geweigerd om een als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichting gevestigd te 2490 Balen, Schoorheide 40, uit te breiden met 450 vleesvarkens en 50 zeugen. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. VII-17.126-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig november tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.126-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.694 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div