← België

Arrest 151695 - - 24/11/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.695 Rolnummer: A. 164485/VII-34349 Zaak: Arrest 151695 - - 24/11/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-07-03 05:23 Fiche Arrest nr 151.695 van 24 november 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 151.695 van 24 november 2005 in de zaak A. 164.485/VII-34.

  1. In zake : de stad TIELT, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BEKAERT, kantoor houdende te TIELT, Hoogstraat 34 tegen :
  2. de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST- VLAANDEREN,
  3. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus
  4. tussenkomende partij : de n.v. ELECTRAWINDS, gevestigd te ZEDELGEM, Notenbosdreef
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de stad TIELT op 20 juli 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : "Het besluit van 23 mei 2005 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing nr. 37015/350/1/W/2 van 17 februari 2005 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen, waarin een vergunnings- voorwaarde van de vergunning van de NV LDS/ASPIRAVI, verleend bij het besluit van 22 januari 2004 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van West-Vlaanderen, wordt gewijzigd"; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; VII-34.349-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 27 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. ALLAERT die, loco Advocaat P. BEKAERT verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat I. VANDEN BON die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van de heer P. DESENDER, bestuurder, die verschijnt voor de tussenkomende partij: Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Overwegende dat de n.v. ELECTRAWINDS, houder van de bestreden vergunning, met een verzoekschrift van 12 augustus 2005 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd; 2.
  7. Overwegende dat, ingevolge het aanduiden in het verzoekschrift van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen als verwerende partij, deze een nota heeft neergelegd waarin zij de Raad van State verzoekt de vordering onontvankelijk te verklaren in de mate dat ze de provincie West-Vlaanderen als verwerende partij aanduidt; 2.
  8. Overwegende dat de bestreden beslissing niet uitgaat van de provincie West-Vlaanderen; dat dienvolgens deze buiten de zaak moet worden gesteld;
  9. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : VII-34.349-2/10 3.
  10. Aan de tussenkomende partij werd zowel een stedenbouwkundige vergunning als een milieuvergunning verleend voor het oprichten en exploiteren van een inrichting bestaande uit twee windturbines van elk 1.800 kW, op het industrieterrein gelegen aan de Szamatolystraat te Tielt. Tegen deze beslissingen werd zowel door verzoekende partij als door een aantal omwonenden een verzoek tot schorsing ingediend, verzoeken die alle werden afgewezen (arresten nrs. 133.258, 136.039, 137.123 en 137.124). 3.
  11. De milieuvergunning werd door de bestendige deputatie op 22 januari 2004 verleend voor een termijn van twintig jaar aanvangend op die datum en verstrijkend op 22 januari 2024 . Luidens artikel 2, § 1 van die vergunning dient de vergunde inrichting in gebruik genomen te worden binnen een termijn van 200 kalenderdagen te rekenen vanaf de aanvang van de vergunningstermijn. Luidens artikel 2, § 2 wordt de aanvangsdatum van de vergunning evenwel verdaagd tot de datum dat de bouwvergunning definitief is verworven. 3.
  12. Op 23 september 2004 neemt de bestendige deputatie een beslissing "in verband met het ambtshalve wijzigen van de vergunningsvoorwaarden". Uit de aanhef van die beslissing en uit stuk 3 neergelegd door de tussenkomende partij blijkt dat zij de termijn voor ingebruikname wenst te verlengen van 200 tot 365 kalenderdagen en dat zij wenst dat de aanvangstermijn op 15 april 2004 wordt vastgesteld omdat de de stedenbouwkundige vergunning op die datum werd verleend. De bestendige deputatie geeft gevolg aan dit verzoek en beslist de aanvang van de vergunningstermijn vast te stellen op 15 april 2004, en tevens de termijn voor ingebruikname te verlengen tot 365 kalenderdagen, hetgeen inhoudt dat de tussenkomende partij haar inrichting in gebruik moest hebben op 15 april
  13. 3.
  14. Op 31 januari 2005 richt de tussenkomende partij aan de bestendige deputatie een nieuw verzoek tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden. Zij wenst nu dat de termijn voor ingebruikname verlengd wordt tot 3 jaar, zijnde de maximaal toegelaten termijn van artikel 30, § 2, van Vlarem I. Op 17 februari 2005 beslist de bestendige deputatie deze verlenging toe te staan. 3.
  15. Tegen deze beslissing dient de verzoekende partij op 3 maart 2005 beroep in bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. Dit beroep is in essentie als volgt gemotiveerd : "Wij kunnen niet akkoord gaan met de wijziging van VII-34.349-3/10 de begin- en einddatum van de milieuvergunning. De reden is dat wij niet akkoord kunnen gaan met het afleveren van de milieuvergunning". Ter staving van het beroep wordt voor het overige verwezen naar de argumenten aangehaald tegen het vergunningsbesluit in de schorsingszaak aanhangig bij de Raad van State. De tussenkomende partij repliceert aanvankelijk eveneens met een verwijzing naar haar argumenten in die schorsingszaak. Naderhand, op 4 april 2005, repliceert de tussenkomende partij wél inhoudelijk . In hoofdorde wordt geargumenteerd dat het beroep ongegrond is vermits er geen middelen tegen de wijzigingsbeslissing worden aangevoerd. 3.
  16. Naar aanleiding van het beroep geeft de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen gunstig advies. De afdeling Milieuvergunningen adviseert eveneens de beroepen beslissing te bevestigen. 3.
  17. Op 23 mei 2005 beslist de verwerende partij het beroep ongegrond te verklaren en de beslissing van de bestendige deputatie te bevestigen. Dit is de bestreden beslissing;
  18. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in haar verzoekschrift als volgt toelicht : "De aanvragers zullen van de toegestane milieuvergunning gebruik maken en geen uitspraak van de Raad van State ten gronde afwachten. De vernietiging van het bestreden besluit zonder voorafgaande schorsing kan niet volstaan om aan verzoekster genoegzaam herstel van het door het bestreden besluit teweeg gebrachte nadeel te waarborgen. Eenmaal gebouwd en in werking gesteld zal de stillegging en afbraak onzeker zijn. Het gevaar en de hinder voor de omwonenden, bewoners van de stad, blijft bestaan zolang er geen vernietiging is. De schade veroorzaakt door hinder en gevaar die tot aan de vernietigingsbeslissing zullen bestaan is onherstelbaar en onomkeerbaar. Verzoekster de Stad moet zorg dragen voor de veiligheid van de omwonenden. VII-34.349-4/10 De exploitatie van het bedrijf in casu is zeer nadelig en staat haaks op de vereisten van het milieu"; 4.
  20. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota als volgt repliceert : “III.
  21. Verzoekende partij wijst op Dit gevaar en deze hinder zou III.
  22. Verzoekende partij duidt een nadeel aan dat geenszins rechtstreeks voortvloeit uit de bestreden beslissing, doch hoogstens een verband houdt met de basisvergunning zoals afgeleverd op 22 januari 2004 door de Bestendige Deputatie. Bij gebrek aan rechtstreeks verband tussen het door verzoekende partij ingeroepen nadeel en de bestreden beslissing, kan het ingeroepen nadeel dan ook niet aangehouden worden als MTHEN. III.
  23. De termijnverlenging komt er bovendien op neer dat hetgene verzoekster - ten onrechte - als Zelfs in verzoeksters, uiterst vage, visie valt niet in te zien hoe deze verdaging, dan voor verzoekster Verzoekster verkijkt zich op het ware en uiterst beperkte voorwerp van het besluit. In zijn letterlijkheid zou de vordering van verzoekster er op neer komen dat er onmiddellijk moet geëxploiteerd worden - wat verzoekster precies niet wil. Het gepresenteerde vage nadeel staat dus haaks op de kern van het betwiste besluit zelf. III.
  24. Onder II is het belang van de verzoekende partij betwist. Hoogstens zou kunnen geponeerd worden dat indien per impossibile het vergunningsbesluit zelve zou vernietigd worden, het termijnverlengingsbesluit puur volledigheidshalve voor de duidelijkheid ook formeel uit het rechtsverkeer zou kunnen verwijderd worden. Dit rechtvaardigt echter niet de poging om hic et nunc tweede-zitsgewijze nog eens dezelfde vage nadelen aan Uw Raad voor te leggen om te pogen op een of andere onbegrijpelijke wijze het vergunningsbesluit zelf te verlammen, dus niet eens het verlengingsbesluit! III.
  25. Het verlengingsbesluit leidt de facto tot een, weze het in de tijd, beperkte III.
  26. Het is dan ook louter ondergeschikt dat verwerende partij nog het volgende uiteenzet, als over deze verkeerde premissen zou worden heen gestapt. Verzoekende partij duidt op geen enkele wijze aan welk gevaar en welke hinder de bewoners door de exploitatie van de twee windturbines zouden dienen te ondergaan. Zij blijft dus in gebreke te verduidelijken wat het nadeel is dat zij zou lijden bij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. III.
  27. Er wordt al helemaal niet uiteengezet waarom de exploitatie van twee windturbines de verantwoordelijkheid in hoofde van verzoekende partij voor de veiligheid op haar grondgebied dermate zou verzwaren dat er sprake is van een ernstig nadeel. Verzoekende partij staaft niet met gegronde argumenten dat een annulatiearrest haar in casu geen voldoende genoegdoening zou kunnen verschaffen. Verzoekende partij stelt dat, als de windturbines eenmaal gebouwd en in werking gesteld zullen zijn, de stillegging en de afbraak onzeker zijn. VII-34.349-5/10 Wat de bouw van de windturbines betreft moet opgemerkt worden dat dit een nadeel is dat niet kan voortvloeien uit de bestreden beslissing, en daardoor niet in aanmerking kan komen. Dit nadeel kan immers enkel voortvloeien uit de stedenbouwkundige vergunning. Wat de exploitatie van de windmolens betreft, wordt onterecht gesteld dat eenmaal in werking, de stillegging ervan onzeker zou zijn. Verzoekende partij beschikt immers over voldoende bevoegdheid om een niet-vergunde exploitatie stil te leggen of te laten stilleggen. III.
  28. De omschrijving van het beweerde nadeel door verzoekende partij is zo goed als identiek als in de procedure voor Uw Raad aangevoerd met het oog op het verkrijgen van de schorsing van de stedenbouwkundige vergunning voor de windmolens. Toen reeds oordeelde Uw Raad (R.v.St., nr. 137.123 dd. 9 november 2004) dat verzoekende partij in gebreke bleef enige concrete verduidelijking te geven omtrent het onherstelbaar en onomkeerbaar karakter van het nadeel, en dat verzoekende partij evenmin aan de hand van concrete gegevens uiteenzette op welke wijze haar Hier geldt uiteraard precies hetzelfde : eenzelfde vage omschrijving van nadeel wordt gegeven, en ook hier dient dan ook vastgesteld te worden dat de uiteenzetting van verzoekende partij geen concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is dan ook geenszins aangetoond"; 4.
  29. Overwegende dat de tussenkomende partij als volgt antwoordt : "Net zoals in zijn verzoekschrift tot schorsing van de initiële milieuvergunning, welke afgewezen werd door de Raad van State bij arrest nr. 133 258 van 29 juni 2004 beperkt verzoekende partij zich bij de uiteenzetting over het MTHEN tot enkele algemeenheden : (...)
  30. de omschrijving van het zogenaamde MTHEN is een zo goed als letterlijke overname van de tekst die werd gebruikt voor de verzoekschriften gericht tegen de initiële milieuvergunning en de bouwvergunning. Het komt dan ook voor dat het beweerde MTHEN gericht is tegen de milieuvergunning zelf en niet tegen de beslissing van de Minister op het beroep dat werd ingesteld door de Stad Tielt tegen de wijziging van deze milieuvergunning (verlenging termijn). Verzoekende partij toont niet aan welk MTHEN zij ondergaat door de verlenging van deze termijn van ingebruikname. (...)
  31. Hierboven werd aangetoond dat verzoekende partij zich beperkt tot enkele algemeenheden: er zou VII-34.349-6/10 aanvaardbaar zijn. Dat ook voldaan wordt aan de geluidsnormen. Dat er een monitoring wordt opgelegd om na te gaan of de geluidsgrenzen worden gerespecteerd. Dat de turbines uitgerust worden met een begrenzingsysteem waardoor bij bepaalde windsnelheden vanuit een bepaalde windrichting de turbine op een lager toerental gaat draaien om het geluid te beperken. Dat de mogelijke gevolgen van de slagschaduw binnen de aanvaardbare grenzen liggen en dat de turbines met een systeem van ijsdetectie zijn uitgerust waardoor er ook geen risico op ijsafzetting bestaat. Daarenboven worden er in de toegekende vergunning bijzonderde voorwaarden opgelegd om de mogelijke hinder te beperken tot een aanvaardbaar niveau : 0 naleving van de opgelegde veiligheidsvoorwaarden; 0 dubbele reduntante ijsdetectie; 0 veiligheidsstudies om de vier jaar herhalen; 0 specifiek onderhoudsschema en kwaliteitscontrole; 0 monitoring mbt het geluid; 0 monitoring mbt de slagschaduw 0 uitvoering van wieken in grijze kleur in functie van het flikkereffect. Verzoeker toont bijgevolg niet aan dat er nadeel berokkend wordt of kan worden en dat dit nadeel ernstig is.
  32. Verzoekende partij wijst erop dat van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning houdt ondermeer de burgemeester toezicht op de toepassing van het decreet. De burgemeester vergewist zich of de in exploitatie zijnde bedrijven zijn vergund en of de vergunningsvoorwaarden worden nageleefd. Luidens artikel 31 van hetzelfde decreet kan de burgemeester ambtshalve of op voorstel van de aangewezen ambtenaren, mondeling en ter plaatse de stopzetting bevelen van de activiteiten, de toestellen verzegelen en onmiddellijke sluiting van de inrichting opleggen, wanneer hij vaststelt dat een vergunningsplichtige inrichting zonder vergunning wordt geëxploiteerd. Indien door de exploitant geen gevolg wordt gegeven aan het bevel tot stopzetting, dan kunnen de nodige maatregelen ambtshalve worden uitgevoerd. De kosten worden verhaald op de exploitant (artikel 33 van hetzelfde decreet). Bij een eventueel tussenkomend annulatiearrest beschikt de verzoekende partij bijgevolg zelf over de wettelijke middelen om het 'nadeel' weg te werken of om het nadeel te doen wegwerken, middels het - indien noodzakelijk - ambtshalve uit te voeren maatregelen (sic). Het is dus duidelijk dat de verzoekers over voldoende wettelijke mogelijkheden beschikken om een volledig herstel te bekomen (zie arr. gemeente Meise, nr. 38 267 van 5 dec.1991) en dat er hier geen 'moeilijk te herstellen' ernstig nadeel voorhanden is.
  33. Bij de beoordeling van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dient er rekening te worden gehouden met het feit dat het nadeel specifiek en rechtstreeks moet voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. In casu vloeit het nadeel niet voort uit de thans aangevochten beslissing, wel uit de initieel toegekende milieuvergunning. Zelfs mocht men aannemen dat de grieven gericht zijn tegen de huidig aangevochten beslissing moet de verzoekende partij in haar betoog het nadeel uitermate goed stofferen, en in het bijzonder ook de nadelige aspecten aanhalen die specifiek verband houden met het uiterlijk of de exploitatie van de bewuste bouwwerken, zoniet moet worden aangenomen dat de geuite grieven niet gericht zijn tegen de aangevochten toelating, maar eerder tegen de bestemmingsvoorschriften die deze werken mogelijk maken. Verzoekers voldoen niet aan deze voorwaarden en laten na in hun betoog het nadeel voldoende concreet aan te tonen, en in het bijzonder ook nadelige aspecten aan te halen die specifiek verband houden met de exploitatie van de inrichting. De geuite grieven VII-34.349-7/10 zijn niet gericht tegen de aangevochten toelating, maar wel de bestemmingsvoorschriften die deze werken mogelijk maken. De exploitatie heeft betrekking op een inrichting die gelegen is in een gebied voor milieubelastende industrie van het gewestplan Roeselare- Tielt (dd.17/12/1979, deels gewijzigd dd.23.11.1994). De voormelde inrichting die het voorwerp uitmaakt van deze milieuvergunning is verenigbaar met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat louter voortvloeit uit een gebeurlijke inplanting van de windmolens op deze plaats, staat dan ook niet in causaal verband met de bestreden vergunning, maar wel in verband met de bestemmingsvoorschriften van de zone. Het eventuele nadeel wordt bijgevolg niet veroorzaakt door de bestreden rechtshandeling zelf.
  34. Tenslotte dient erop gewezen dat verzoekers op geen enkel ogenblik aantonen of verduidelijken wat het persoonlijk belang kan zijn. Zonder enige toelichting wordt gesteld dat verzoeker moet instaan voor de veiligheid van de inwoners. Uit de studies van erkende deskundigen die werden uitgevoerd naar aanleiding van de initiële milieuvergunningsaanvraag, wordt aangetoond dat er geen onaanvaardbare veiligheidsrisico's aanwezig zijn. In het arrest Stad Brugge, nr. 125 814 van 28 november 2003, waarbij de Raad van State het verzoek tot schorsing van een milieuvergunning verwierp, stelde Uw rechtscollege
  35. Zoals hierboven werd aangetoond is de omschrijving van het beweerde MTHEN een (zo mogelijks nog verkorte) herhaling van het beweerde MTHEN van de verzoekende partij naar aanleiding van het schorsingsverzoek gericht tegen de bouwvergunning (dossier A.152 614/X-11 924, arrest nr.137 123 van 09 november 2004) . In dit arrest overwoog de Raad van State : ...dat wat het nadeel en de ernst ervan betreft, de verzoekende partij wel in algemene bewoordingen betoogt dat het nadeel onherstelbaar en onomkeerbaar is, doch dat ze evenwel in gebreke blijft enige concrete verduidelijking te geven omtrent het ingeroepen gevaar en de hinder voor de omwonenden; dat zij evenmin aan de hand van concrete gegevens uiteenzet op welke wijze haar zorg voor de veiligheid van de omwonenden wordt miskend door de tenuitvoerlegging van de thans betreden vergunning derwijze dat zulks in haar hoofde een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt, noch...waarom de omstandigheid dat de exploitatie in casu zeer nadelig is en haaks staat op de vereisten van de (...) ruimtelijke ordening en veiligheid, daargelaten de vraag overigens of dit laatste wel volgt uit de tenuitvoerlegging van het thans bestreden besluit; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij geen concrete gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet voldaan is aan de tweede door artikel 17,§2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. Het verzoek tot schorsing dient dan ook om deze redenen te worden verworpen”; VII-34.349-8/10 4.
  36. Overwegende dat de verzoekende partij zich in de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar concrete en precieze gegevens dient aan te brengen waaruit enerzijds de ernst van het nadeel blijkt dat zij ondergaat of dreigt te ondergaan en waaruit anderzijds het moeilijk te herstellen karakter van het nadeel blijkt; dat de eerstgenoemde voorwaarde inhoudt dat de verzoekende partij concrete en precieze aanduidingen moet verschaffen omtrent de aard en de omvang van het nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte kan berokkenen; Overwegende dat de tweede verwerende partij en de tussenkomende partij kunnen worden gevolgd in hun betoog dat de verzoekende partij in gebreke blijft de door haar in algemene bewoordingen aangevoerde nadelen concreet te verduidelijken en bovendien aan te tonen dat die nadelen rechtstreeks voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, dat louter een verlenging van de termijn van ingebruikname van de twee windturbines omvat; 4.
  37. Overwegende dat derhalve aan de tweede voorwaarde gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen zonder dat de door de tweede verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van de vordering moet worden onderzocht, BESLUIT: Artikel
  38. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. ELECTRAWINDS in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  39. De bestendige deputatie van de provincieraad van WEST- VLAANDEREN wordt buiten de zaak gesteld. VII-34.349-9/10 Artikel
  40. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  41. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig november tweeduizend en vijf, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-34.349-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.695 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.773 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.